Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Onrechtmatige daad. Zaakschade aan auto tijdens ruzie ex-samenwoners. Stelplicht; passeren…
Parket bij de Hoge Raad, 8 april 2016
ECLI:NL:PHR:2016:248 · Parket bij de Hoge Raad · 8 april 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2016-248
Zaakgegevens
Op 8 april 2016 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 april 2016
- Datum publicatie
- 18 april 2016
- Zaaknummer
- 16/00805
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2016:248
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Onrechtmatige daad. Zaakschade aan auto tijdens ruzie ex-samenwoners. Stelplicht; passeren van bewijsaanbod.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 april 2016deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2016:248
Hoge Raad · 10 juni 2016
ECLI:NL:HR:2016:1168Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
zitting 8 april 2016 (bij vervroeging)
mr. J. Spier
16/00805 ( 80a)
conclusie inzake
[eiser]
tegen
[verweerster]
1. In cassatie gaat het nog slechts om de schade “van minimaal € 5.000” die [verweerster] volgens [eiser] aan zijn auto zou hebben toegebracht. De Kantonrechter te Heerlen heeft die vordering afgewezen omdat [eiser] te weinig zou hebben gesteld. In zijn in cassatie tijdig bestreden arrest komt het Hof in rov. 7.7.5 tot dezelfde conclusie als de Kantonrechter.
2. De cassatiebezorger kan worden toegegeven dat enkele van de stellingen van [eiser], indien afzonderlijk bezien, net voldoende concreet zijn. Bij letterlijke lezing van ’s Hofs arrest valt dan ook het nodige af te dingen op zijn oordeel.
3.1 Duidelijk is evenwel dat het Hof zich hoffelijk heeft willen uitdrukken. Men behoeft nauwelijks tussen de regels door te lezen om te zien wat er werkelijk staat: het relaas van [eiser] is volstrekt ongeloofwaardig. Omdat zijn relaas, in zijn geheel bezien, volstrekt ongeloofwaardig is, heeft hij niet aan zijn stelplicht voldaan; onzin of louter speculatieve stellingen kunnen een vordering immers niet schragen.
3.2 Bovendien ligt in ’s Hofs oordeel voldoende duidelijk besloten dat [eiser] te weinig heeft gesteld over zijn schade (“De man heeft nagelaten zijn stelling (...) met enig stuk te onderbouwen”) zodat de vordering hoe dan ook niet voor toewijzing vatbaar zou zijn. Dat laatste oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Na verwijzing zou dit oordeel een gegeven zijn zodat de klachten belang missen.
4. ’ s Hofs oordeel, gelezen als onder 3.1 vermeld, is bovendien bestand tegen de klacht(en). Blijkens het p.v. van de comparitie in prima heeft [eiser] verklaard zelf getuige te zijn geweest van “de vernieling van de ster aan de achterkant.” In appel merkt [eiser] zonder verdere toelichting op “er niet in alle gevallen bij” te zijn geweest (mvg p. 2). Hij noemt getuigen zoals “zekere Guido”, “”Dikke” Jo” en “zekere Marcel”; het is volstrekt begrijpelijk dat het Hof dergelijke stellingen niet ernstig heeft genomen. Zijn vordering is mede gebaseerd op het volgende: “[verweerster] is ook geen geloofwaardige partij. Zij liegt dikwijls en schroomt niet om te liegen”, wat met talloze nodeloos kwetsende, maar irrelevante, voorbeelden wordt uitgewerkt (mvg p. 3). Ten slotte bericht [eisers] rechtsbijstandbezorger dat twee autoreparatiebedrijven onafhankelijk van elkaar kwamen tot een schadebedrag van € 5.000 (mvg p. 5). Enig stuk waaruit dat blijkt, wordt evenwel niet overgelegd. Tegen deze achtergrond bezien, is onbegrijpelijk dat [eiser] aandringt op een deskundigenbericht en vergoeding vraagt van “in ieder geval € 5.000,00” (de originele inleidende dagvaarding is niet overgelegd).
5. Kortom: hoewel een ander oordeel mogelijk was geweest, is ’s Hofs oordeel dat geen (voldoende) serieuze stellingen zijn geëtaleerd om de vordering te kunnen schragen wellicht enigszins gewaagd, maar het is bestand tegen de cassatietoets. Met name gelet op het geloofwaardigheidsgehalte van [eiser]’s stellingen is veelzeggend dat hij over relevante bijzonderheden (zoals de datum of data waarop de auto zou zijn beschadigd) stilzwijgt.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheidverklaring van [eiser].
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal