Civiel recht overig
Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat…
ECLI:NL:PHR:2017:1018 · Parket bij de Hoge Raad · 1 september 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2017-1018
Zaakgegevens
Op 1 september 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 september 2017
- Datum publicatie
- 5 oktober 2017
- Zaaknummer
- 17/03390
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:1018
Samenvatting
Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 september 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:1018
Hoge Raad · 6 oktober 2017
ECLI:NL:HR:2017:2558Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Zaaknr: 17/03390
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 1 september 2017
Conclusie art. 80a RO inzake:
[verzoekster]
tegen
[verweerster]
1. Bij beschikking van 13 april 2017 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, het namens verzoekster tot cassatie (hierna: verzoekster) ingediende verzet tegen de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 23 juni 2016 ongegrond verklaard. In genoemde beschikking van de voorzieningenrechter is verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland verleend van de beslissing van 27 juni 2014 gewezen door de 5e kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Dendermonde te Dendermonde (België) met referentienummer AR 13/1132/A.
2. Bij brief van 12 juli 2017 met bijlagen (hierna: het verzoekschrift), ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 12 juli 2017, heeft de advocaat van verzoekster namens verzoekster beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 13 april 2017 met zaaknummer/rekestnummer C/17/152680/HA RK 16-87.
3. Het verzoekschrift is ondertekend door de advocaat van verzoekster. Deze advocaat is evenwel geen advocaat bij de Hoge Raad.
4. Een medewerker dossierbehandeling van de Hoge Raad heeft de advocaat van verzoekster bij brief van 18 juli 2017 bericht dat het ingediende verzoekschrift niet op de juiste wijze was ingediend omdat het niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en voorts dat dit verzuim binnen twee weken na ontvangst van het verzoekschrift op de griffie kan worden hersteld door indiening van hetzelfde verzoekschrift met bijlagen ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
5. Bij brief van 26 juli 2017, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 26 juli 2017, heeft de advocaat van verzoekster de Hoge Raad verzocht een extra termijn van twee weken te verlenen om het verzuim te herstellen in verband met de moeilijkheid om in deze vakantieperiode een cassatieadvocaat te vinden.
6. De gerechtssecretaris van de Hoge Raad heeft de advocaat van verzoekster bij brief van
26 juli 2017 namens de rolraadsheer van de Hoge Raad bericht dat geen verder uitstel wordt verleend voor herstel van het verzuim, nu de termijn van twee weken voor herstel van het verzuim een advocaat bij de Hoge Raad te stellen op vaste rechtspraak berust en de termijn niet wordt verlengd op de grond dat een procespartij niet is geslaagd in het tijdige herstel van het verzuim.
7. Van de geboden mogelijkheid tot herstel van het gebrek is binnen de gegeven termijn geen gebruik gemaakt. Het niet herstellen van het gebrek in het verzoekschrift brengt mee dat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a lid 1 Rv (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:833, RvdW 2014/559) en dat verzoekster niet-ontvankelijk is.
De in de brief van de advocaat van verzoekster van 26 juli 2017 genoemde omstandigheid doet daaraan niet af.
8. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G