Civiel recht overig
Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat…
ECLI:NL:PHR:2017:83 · Parket bij de Hoge Raad · 9 januari 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2017-83
Zaakgegevens
Op 9 januari 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 januari 2017
- Datum publicatie
- 24 februari 2017
- Zaaknummer
- 16/06134
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:83
Samenvatting
Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad. Borgersbrief, niet ondertekend door cassatieadvocaat, terzijdelegging.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 januari 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:83
Hoge Raad · 24 februari 2017
ECLI:NL:HR:2017:314Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
16/06134
mr. G.R.B. van Peursem
9 januari 2017
Conclusie inzake:
[verzoeker] ,
verzoeker tot cassatie,
(hierna: [verzoeker])
1. [verzoeker] heeft middels een op 10 december 2016 per e-mail, tevens op 13 en/of 14 december 2016 per post bij het secretariaat van de Hoge Raad der Nederlanden ingekomen verzoekschrift beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem van 5 december 2016, zaaknummers 200.193.777 en 200.195.192 en de beschikking van hetzelfde hof van gelijke datum, zaaknummer 200.196.337. In eerstgenoemd arrest zijn de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 juni 2016 (FT RK 16/1007) en 4 juli 2016 (FT RK 16/1242) vernietigd en zijn de verzoeken tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] afgewezen. In genoemde beschikking van 5 december 2016 is afgewezen [verzoekers] verzoek, gedaan in het kader van voornoemde hoger beroepen van [verzoeker] tegen zijn niet ontvankelijk verklaarde verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, tot het treffen van een voorlopige voorziening houdende bepaling dat de Officier van Justitie wordt verboden over te gaan tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis voor de duur van de voorlopige voorziening en te bepalen dat deze voorlopige voorziening geldt tot acht dagen nadat op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (in hoger beroep) is beslist.
2 Het cassatieverzoekschrift is ingediend door [verzoeker] zelf. De griffie van de Hoge Raad heeft [verzoeker] bij brieven van 10 en 13 december 2016 bericht dat het verzoekschrift niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dat dit verzuim kan worden hersteld doordat binnen acht dagen na 10 december 2016, respectievelijk veertien dagen na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift, een advocaat bij de Hoge Raad een door hem getekend exemplaar van datzelfde verzoekschrift ter griffie indient. Bij fax van 16 december 2016 is door [verzoeker] onder meer bericht – zakelijk weergegeven – dat hij ondanks inspanningen geen cassatie-advocaat bereid heeft gevonden hem bij te staan.
3 Het verzuim is niet hersteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a Rv.
4 De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal