Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Appelprocesrecht; Pilotreglement gerechtshof Amsterdam. Niet-ontvankelijkheid hoger beroep…
Parket bij de Hoge Raad, 8 september 2017
ECLI:NL:PHR:2017:932 · Parket bij de Hoge Raad · 8 september 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2017-932
Zaakgegevens
Op 8 september 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 september 2017
- Datum publicatie
- 25 september 2017
- Zaaknummer
- 16/04834
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:932
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Appelprocesrecht; Pilotreglement gerechtshof Amsterdam. Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens verzuim om memorie van grieven te nemen. Mogelijkheid geboden tot herstel verzuim, akte van niet-dienen.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 september 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:932
Hoge Raad · 27 oktober 2017
ECLI:NL:HR:2017:2787Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Zaaknr: 16/04834
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 08 september 2017
Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
Gemeente Haarlem
Het gaat in deze zaak om de vraag of het gerechtshof Amsterdam, na ommekomst van de ambtshalve verleende termijn van veertien dagen voor herstel van het verzuim om van grieven te dienen, akte niet-dienen van grieven mocht verlenen op basis van het tussen 1 januari 2013 en 1 september 2016 bij dit hof geldende pilotreglement.
1. Procesverloop
1.1 Bij inleidende dagvaarding van 27 februari 2015 heeft eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) verweerster in cassatie (hierna: de Gemeente) gedagvaard voor de rechtbank Noord-Holland en daarbij – samengevat – een verklaring voor recht gevorderd dat de Gemeente jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en voorts gevorderd dat de Gemeente wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die hij dientengevolge heeft geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
1.2 Nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 24 juni 2015 een comparitie van partijen had gelast, die op 27 november 2015 heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 20 januari 2016 de vorderingen afgewezen.
1.3 [eiser] is bij exploot van 31 maart 2016 van dit eindvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam.
De zaak is aangebracht op de rol van 12 april 2016. De Gemeente is op diezelfde roldatum in het geding verschenen.
1.4 Aan [eiser] is een termijn gegeven voor het nemen van een memorie van grieven. Die termijn liep op 24 mei 2016 af.
1.5 Omdat [eiser] op 24 mei 2016 nog niet van grieven had gediend, is de termijn voor het nemen van een memorie van grieven met twee weken verlengd. In het roljournaal is bij het verlenen van deze termijn aangetekend dat bij niet dienen verval zal worden verleend.
[eiser] heeft binnen deze verlenging van de termijn evenmin van grieven gediend.
1.6 Op de rol van 7 juni 2016 is verval verleend van het recht van [eiser] op het nemen van een memorie van grieven.
Het hof heeft [eiser] vervolgens bij arrest van 28 juni 2016 bij gebreke van grieven niet-ontvankelijk verklaard.
1.7 [eiser] heeft tegen dit arrest alsmede tegen de rolbeslissing van 7 juni 2016 tijdig cassatieberoep ingesteld.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping.
Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft op de roldatum waarop hij schriftelijke toelichting heeft genomen tevens een conclusie tot herstel van een fout ingediend.
2 Bespreking van het cassatiemiddel
Opmerking vooraf
Volgens de Gemeente heeft [eiser] geen cassatieberoep ingesteld tegen de “als tussenarrest aan te merken rolbeschikking” van 7 juni 2016.
Hoewel in de cassatiedagvaarding slechts wordt aangezegd dat beroep in cassatie wordt ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 juni 2016, blijkt uit de eerste paragraaf van het cassatiemiddel dat tevens wordt geklaagd over de rolbeschikking van 7 juni 2016. Ik beschouw het cassatieberoep dan ook als ingesteld tegen beide beslissingen.
Kern van het cassatiemiddel is – zakelijk weergegeven – de klacht dat het hof ten onrechte verval van het recht om van grieven te dienen heeft verleend en [eiser] vervolgens wegens het niet dienen van grieven niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het hof daarbij niet het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding heeft afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van [eiser]. Indien het hof deze afweging wel heeft gemaakt, blijkt daarvan niet uit het arrest, aldus de tweede klacht.
Ik bespreek de klachten gezamenlijk.
In de rechtspraak van de Hoge Raad tot nu toe over de bepaling in het pilotreglement van het gerechtshof Amsterdam dat er slechts één termijn van zes weken voor het indienen van memories geldt (die niet wordt verlengd, terwijl bij overschrijding van die termijn zonder peremptoirstelling of voorafgaande waarschuwing ambtshalve akte niet-dienen wordt verleend), ging het steeds om beslissingen van het hof waarbij aan die ene termijn strikt de hand was gehouden. De Hoge Raad heeft daarover overwogen (i) dat de goede procesorde meebrengt dat – met toepassing van art. 1.6 van het pilotreglement – het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding moet worden afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van de partij die erdoor wordt getroffen en (ii) dat in een geval waarin niet op de eerste daartoe bepaalde datum van grieven is gediend, die afweging zonder meer dient te leiden tot het verlenen van een (korte) termijn van veertien dagen om het verzuim te herstellen.
Deze jurisprudentie heeft uitdrukkelijk (mede) betrekking op het geval waarin aan het verzuim een vergissing ten grondslag lag, bijvoorbeeld doordat partijen (en hun advocaten) niet op de hoogte zijn van de toepasselijkheid van het pilotreglement. Vervolgens heeft de Hoge Raad bij arrest van 8 april 2016 geoordeeld dat de rolraadsheer de hiervoor onder 2.3 bedoelde afweging ambtshalve dient te maken op het moment dat hij constateert dat niet op de eerste daartoe bepaalde datum van grieven is gediend.
In het onderhavige geval heeft de rolraadsheer aan deze rechtspraak toepassing gegeven en heeft hij [eiser], na het ongebruikt voorbij laten gaan van de in het pilotreglement genoemde termijn van zes weken voor het nemen van een memorie van grieven, nog een termijn van veertien dagen gegeven. Daarin ligt besloten dat de rolraadsheer aan de hand van de goede procesorde het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding heeft afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van [eiser]. Vervolgens heeft deze de extra termijn ongebruikt voorbij laten gaan, waarna de rolraadsheer het – aangekondigde – verval van het recht om alsnog een memorie van grieven te nemen heeft toegepast. Dat het hof [eiser] vervolgens niet-ontvankelijk heeft verklaard, is een onontkoombaar gevolg van het niet dienen van grieven. Voor zover de kernklacht al niet faalt reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag, kan deze niet tot cassatie leiden omdat de rolraadsheer en het hof een juiste beslissing hebben genomen.
Nu [eiser] in hoger beroep geen nadere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, was het hof ook niet gehouden zijn beslissing van een nadere motivering te voorzien.
In zijn cassatiedagvaarding (onder 5-7) heeft [eiser] erop gewezen dat hij (weliswaar) voor de tweede keer heeft verzuimd om van grieven te dienen en geen uitstel voor het nemen van grieven heeft verzocht alsmede dat dit tweede verzuim zwaarder moet wegen dan het eerste verzuim waarover de Hoge Raad in de arresten van 17 april 2015, 8 april 2016 en 8 juli 2016 had te oordelen, maar dat het belang waarin hij wordt getroffen eveneens zwaar moet wegen. [eiser] heeft in dit verband opgemerkt:
(i) dat tussen het eindvonnis van de rechtbank en het eindarrest van het hof ruim vijf maanden is verstreken,
(ii) dat geen comparitie na aanbrengen heeft plaatsgevonden,
(iii) dat het hof drie weken nodig heeft gehad om arrest te wijzen, en
(iv) dat de pilotreglementen van de gerechtshoven Amsterdam en ’s-Hertogenbosch inmiddels niet meer van kracht zijn en dat in het op 1 september 2016 in werking getreden aangepaste Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: Landelijk procesreglement) is bepaald dat na een eerste termijn van zes weken voor memorie van grieven ambtshalve een laatste termijn van vier weken wordt verleend. Op basis van het thans geldende Landelijke procesreglement zou [eiser] tien weken “uitstel” voor het nemen van grieven hebben gekregen, terwijl hij nu maar acht weken “uitstel” had.
In zijn schriftelijke toelichting (onder 2-4) heeft [eiser] er, voor zover thans van belang, voorts op gewezen:
(v) dat diens advocaat over het hoofd heeft gezien dat het pilotreglement van toepassing was en dat in het digitale procesjournaal niet was vermeld dat het pilotreglement van toepassing was,
(vi) dat het hof in de onmogelijkheid verkeerde om een belangenafweging deugdelijk te maken, en
(vii) dat hij flink is benadeeld, waarbij hij wijst op de proceskostenveroordeling, het in gezag van gewijsde gaan van het vonnis van de rechtbank en (een beroep van de Gemeente op) verjaring van (een deel van) zijn vorderingen.
Genoemde stellingen zijn in appel niet betrokken en vormen derhalve nova in cassatie. Deze nova zijn m.i. evenwel niet ontoelaatbaar omdat (i) het maar de vraag is of deze stellingen eerder hadden kunnen en moeten worden aangevoerd en – belangrijker – (ii) deze stellingen de toegang tot de rechter betreffen die van openbare orde is.
Ten aanzien van de onder 2.6 genoemde stellingen merk ik het volgende op.
Het tijdsverloop in deze zaak is niet uitzonderlijk. [eiser] heeft na ruim twee maanden appel ingesteld en heeft de zaak op de rol van ruim anderhalve week later aangebracht. In de zaak die heeft geleid tot een van de hiervoor reeds aangehaalde arresten van 4 maart 2016 bedroeg de periode tussen het eindvonnis van de rechtbank (van 24 september 2014) en het eindarrest van het hof (van 24 februari 2015) 21 weken en 5 dagen; in het onderhavige geval is dat 22 weken en 5 dagen. Voorts heeft in de hiervoor aangehaalde zaken over het pilotreglement, voor zover ik dat kan overzien, in geen van de gevallen een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden. Dat het hof verder drie weken “nodig heeft gehad” voor het arrest, is evenmin ongebruikelijk.
De omstandigheid dat het huidige Landelijk procesreglement een langere termijn kent – overigens minder lang dan de ten tijde van deze zaak geldende versie –, legt evenmin gewicht in de schaal omdat op de onderhavige zaak nu juist het pilotreglement van het gerechtshof Amsterdam van toepassing is. Het is bovendien niet uitgesloten dat (de advocaat van) [eiser] bij een verzoek tot uitstel van bijvoorbeeld veertien dagen feitelijk dezelfde lengte van de termijn ter beschikking had gehad.
Zoals hiervoor vermeld, heeft de jurisprudentie van de Hoge Raad over het pilotreglement (mede) betrekking op het geval waarin een partij noch diens advocaat op de hoogte is van de toepasselijkheid van dat reglement en heeft het hof door het verlenen van een extra termijn van twee weken aan deze rechtspraak gevolg gegeven waarin een belangenafweging ligt besloten.
Dat de appellant door het verlenen van akte niet-dienen met als onvermijdelijk vervolg niet-ontvankelijkverklaring (zwaar) wordt benadeeld, zoals tot slot wordt gesteld, rechtvaardigt op zichzelf niet dat de voorgeschreven belangenafweging anders moet uitvallen. [eiser] werd in de procedure bij het hof vertegenwoordigd door een advocaat die op grond van zijn deskundigheid en kennis zonder meer geacht wordt op de hoogte te zijn van de in de desbetreffende procedure geldende termijnen en van de verstrekkende gevolgen die verbonden zijn aan overschrijding daarvan. Deze advocaat had voorts het roljournaal moeten raadplegen waarin was opgenomen dat de termijn voor het nemen van een memorie van grieven met twee weken was verlengd met de aantekening dat bij niet dienen verval zal worden verleend (zie hiervoor onder 1.5).
Ook de door [eiser] gestelde omstandigheden die onder 2.7 zijn opgenomen, doen op grond van het voorgaande niet af aan de juistheid van het bestreden oordeel.
Het middel faalt derhalve in zijn geheel.
3 Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G