Civiel recht overig
Cassatieprocesrecht. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad…
Parket bij de Hoge Raad, 10 juli 2020
ECLI:NL:PHR:2020:713 · Parket bij de Hoge Raad · 10 juli 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2020-713
Zaakgegevens
Op 10 juli 2020 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 juli 2020
- Datum publicatie
- 18 augustus 2020
- Zaaknummer
- 20/01535
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2020:713
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Cassatieprocesrecht. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad. Art. 426a lid 1 Rv.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 juli 2020deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2020:713
Hoge Raad · 9 oktober 2020
ECLI:NL:HR:2020:1596Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01535
Zitting 10 juli 2020
CONCLUSIE
F.F. Langemeijer
In de zaak
[verzoeker]
tegen
[verweerder]
1 Procesverloop
Bij brief van 20 april 2020, ter griffie van de Hoge Raad ontvangen op 21 april 2020, heeft verzoeker te kennen gegeven beroep in cassatie in te stellen tegen de uitspraak die de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam op 20 maart 2020 heeft gedaan op het door hem ingestelde verzet. Het verzet was gericht tegen de beslissing van 26 november 2019, waarin de voorzitter van die Kamer een op 22 maart 2019 door verzoeker bij die Kamer ingediende klacht tegen een gerechtsdeurwaarder had afgewezen als kennelijk ongegrond.
De griffier van de Hoge Raad heeft verzoeker bij brief van 24 april 2020 gewezen op het feit dat geen cassatieberoep openstaat tegen een dergelijke beslissing en dat het cassatieverzoekschrift ook niet voldoet aan het vereiste van ondertekening door een advocaat bij de Hoge Raad. Hierop heeft verzoeker bij brief van 5 mei 2020, ingekomen 7 mei 2020, laten weten dat hij zijn cassatieberoep handhaaft. De aan verzoeker toegezonden nota voor het griffierecht is niet voldaan.
2 De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
De tuchtrechtspraak voor deurwaarders wordt in eerste aanleg uitgeoefend door een kamer voor gerechtsdeurwaarders (art. 34 Gerechtsdeurwaarderswet). Art. 39 lid 1 van die wet bepaalt onder meer dat de voorzitter, zonder nader onderzoek door de kamer voor gerechtsdeurwaarders, kennelijk ongegronde klachten kan afwijzen bij met redenen omklede beslissing. Tegen die beslissing kan de klager verzet doen bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders. Ten gevolge van het verzet vervalt de beslissing, tenzij de kamer voor gerechtsdeurwaarders het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart. Dat geval doet zich hier voor. Tegen de beslissing op het verzet staat geen rechtsmiddel open, zo bepaalt art. 39 lid 4 Gerechtsdeurwaarderswet.
3 Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat verzoeker in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv.