Civiel recht overig
Rechtspersonenrecht. Ontslag van bestuurders. Bijeenroeping van algemene vergadering. Tegenstrijdig belang…
Parket bij de Hoge Raad, 2 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:938 · Parket bij de Hoge Raad · 2 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2026-938
Zaakgegevens
Op 2 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Datum publicatie
- 1 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/03652
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:938
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Rechtspersonenrecht. Ontslag van bestuurders. Bijeenroeping van algemene vergadering. Tegenstrijdig belang van bestuurders.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03652
Zitting 2 oktober 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
Q.A.T.I. Group B.V. (hierna: Qati),
tegen
1 [vader] (hierna: [vader] ),
2. [zoon] (hierna: [zoon], tezamen met [vader] : [vader en zoon]),
3. Essa Holding B.V. (hierna: Essa),
4. Growcan Holding B.V. (hierna: Growcan),
(hierna gezamenlijk: [eiser], in mannelijk enkelvoud).
Inleiding
Deze zaak draait om de vraag of [vader en zoon] in 2021 rechtsgeldig zijn ontslagen als bestuurders van Qati. In hoger beroep is deze vraag, net als in eerste aanleg, ontkennend beantwoord. Daartegen komt Qati in cassatie op, m.i. zonder succes. Ik leg uit waarom.
1 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan het bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het arrest respectievelijk het hof).
Qati, dat tot doel heeft een bijdrage te leveren aan het legaliseren van (de productie van) hennep en hasj in Nederland, is op 18 juni 2020 opgericht. Toen zijn [vader en zoon] , [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) tot bestuurders benoemd.
Essa en Growcan zijn de persoonlijke holdings van, respectievelijk, [vader en zoon] . De persoonlijke holding van [betrokkene 1] is Green Quality Holding B.V. (hierna: Green Quality). Die van [betrokkene 2] is [A] Holding B.V. Deze vennootschappen houden de aandelen in het geplaatste kapitaal van Qati (respectievelijk 25,75%, 18,75%, 27,25%, en 18,75%), tezamen met twee andere natuurlijke personen ( [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ; samen 9,5%). Green Quality ( [betrokkene 1] ) financierde bij aanvang de onderneming.
In art. 16 van de statuten van Qati (hierna: de statuten) is onder meer het volgende bepaald:
“3. Het bestuur is belast met het besturen van de vennootschap. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (…).
(…)
6. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct en indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 3. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, is het bestuur toch bevoegd hieromtrent te besluiten.”
In art. 22 lid 4 van de statuten is het volgende bepaald:
“Andere algemene vergaderingen worden gehouden zo dikwijls daartoe door het bestuur wordt opgeroepen, het bestuur is tot zodanige oproeping verplicht wanneer één of meer vergadergerechtigden, die alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, aan het bestuur schriftelijk en onder nauwkeurige opgave van de te behandelen onderwerpen het verzoek richten een algemene vergadering bijeen te roepen. Het bestuur treft de nodige maatregelen, opdat de algemene vergadering binnen vier weken na het verzoek kan worden gehouden, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet.
Indien het bestuur niet binnen vier weken tot oproeping is overgegaan, zodanig dat de vergadering binnen zes weken na het verzoek kan worden gehouden, zijn de verzoekers zelf tot bijeenroeping bevoegd.”
Op 19 februari 2021, kort voor een geplande bestuursvergadering, heeft [betrokkene 1] aan [vader en zoon] verzocht om voorafgaand aan die vergadering een aandeelhoudersvergadering te plannen. In een reactie daarop deelden zij hem mee dat de bestuursvergadering door moest gaan, omdat er urgente kwesties waren: “Als jij graag een aandeelhoudersvergadering wilt, dan kun jij conform de statuten de ALV bij elkaar roepen”. Dat was voor [betrokkene 1] (Green Quality) aanleiding om op 22 februari 2021 het bestuur van Qati te verzoeken een algemene vergadering bijeen te roepen en het ontslag van [vader en zoon] te agenderen. Een dag later, op 23 februari 2021, heeft de al eerder belegde bestuursvergadering plaatsgevonden. Het bestuur is daarna niet tot het uitroepen van een algemene vergadering overgegaan. [betrokkene 1] (Green Quality) heeft vervolgens op 25 februari 2021 zelf een oproeping tot een algemene vergadering voor 8 maart 2021 verzonden (die niet doorging), en op 9 maart 2021 een nieuwe oproep voor 18 maart 2021.
Op 11 maart 2021 heeft [zoon] de andere bestuurders van Qati uitgenodigd voor een bestuursvergadering. Het verzoek van Green Quality is toen geagendeerd. Die bestuursvergadering is gehouden in de ochtend van 18 maart 2021. Van alle bestuursleden waren alleen [vader en zoon] aanwezig. In de notulen staat het volgende:
“Op 8 maart heeft Green Quality Holding B.V. een verzoek bij het bestuur ingediend voor een oproeping tot een AVA. Het bestuur van QATI heeft kennis genomen van dit verzoek en ook geagendeerd. De aanwezige bestuursleden hebben geen duidelijk beeld van de inhoud en beweegredenen van dit verzoek. [ [betrokkene 1] ] was niet aanwezig om dit verzoek toe te lichten en te onderbouwen. Wij willen de voortgang niet onnodig ophouden en zien mogelijkheden op termijn over te gaan tot oproeping van een AVA. Hiervoor is wel noodzakelijk dat het bestuur op korte termijn schriftelijke toelichting en antwoorden ontvangen op de gestelde vragen en actiepunten die vermeld zijn in dit verslag.”
In de middag van 18 maart 2021 heeft de door Green Quality uitgeschreven algemene vergadering plaatsgevonden. Van alle vergadergerechtigden zijn bij die gelegenheid Essa en Growcan ( [vader en zoon] ) niet verschenen. Blijkens de notulen heeft de algemene vergadering het besluit genomen tot verlening van ontslag aan [vader en zoon] als bestuurders van Qati. Een week later heeft [betrokkene 1] hen als bestuurders laten uitschrijven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Het daartegen gerichte bezwaar van [eiser] heeft de Kamer van Koophandel op 30 juli 2021 gegrond verklaard.
De dag na deze gegrondverklaring, dus 31 juli 2021 ( [betrokkene 2] was op dat moment al uitgetreden als bestuurder van Qati), heeft [betrokkene 1] althans Green Quality opnieuw een oproeping tot een algemene vergadering verzonden. Die algemene vergadering heeft op 12 augustus 2021 plaatsvonden. Essa en Growcan zijn toen weer niet verschenen. Blijkens de notulen heeft de algemene vergadering het besluit genomen tot bekrachtiging van de eerdere ontslagbesluiten van 18 maart 2021 en daarnaast - voorwaardelijk en voor zover nodig - een besluit tot verlening van ontslag aan [vader en zoon] als bestuurders van Qati per 12 augustus 2021. Daarna heeft [betrokkene 1] hen per 17 september 2021 als bestuurders laten uitschrijven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Het daartegen door [eiser] gerichte bezwaar is op 10 december 2021 door de Kamer van Koophandel gegrond verklaard. Vijf dagen nadien, dus op 15 december 2021, heeft [betrokkene 1] [vader en zoon] weer laten uitschrijven als bestuurders van Qati (met ingang van 18 maart 2021), en weer is het daartegen gerichte bezwaar gegrond verklaard.
[vader en zoon] zijn per 3 juli 2023 rechtsgeldig als bestuurders van Qati ontslagen.
2 Procesverloop
In eerste aanleg
[eiser] heeft bij dagvaarding van 15 maart 2022 Qati in rechte betrokken in een procedure voor de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank). [eiser] vorderde, samengevat, dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
- voor recht verklaart (i) dat de in 2021 genomen ontslagbesluiten aangaande het ontslag van [vader en zoon] als bestuurders van Qati, waaronder in ieder geval die van 18 maart 2021 en 12 augustus 2021, nietig zijn, (ii) dat enig besluit dat ten grondslag ligt aan de uitschrijving van [vader en zoon] als bestuurders van Qati bij de Kamer van Koophandel op 15 december 2021 nietig is en (iii) dat [vader en zoon] niet zijn opgehouden bestuurder te zijn van Qati;
subsidiair:
- voor recht verklaart dat (i) het ontslagbesluit betreffende [vader en zoon] als bestuurders van Qati van 18 maart 2021, (ii) het ontslagbesluit betreffende [vader en zoon] als bestuurders van Qati van 12 augustus 2021 en (iii) enig besluit dat ten grondslag ligt aan de uitschrijving van [vader en zoon] als bestuurders van Qati bij de Kamer van Koophandel op 15 december 2021, is vernietigd;
- althans alle voornoemde (ontslag)besluiten zelf vernietigt;
met (zowel primair als subsidiair) veroordeling van Qati in de proces- en nakosten, met rente.
Op 15 juni 2022 heeft Qati een incidentele vordering ingesteld, op grond van art. 843a (oud) Rv. Deze houdt in, samengevat, dat de rechtbank [eiser] hoofdelijk gebiedt om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, afschrift te verstrekken van alle informatie en documentatie met betrekking tot de beweerdelijke besluitvorming en/of rechtshandelingen die [vader en zoon] in hoedanigheid van (beweerdelijk) bestuurders van Qati hebben verricht vanaf 18 maart 2021 tot en met 12 augustus 2021, althans tot het moment van de incidentele vordering.
Op 29 juni 2022 heeft [eiser] een conclusie van antwoord in dit incident ingediend en daarin geconcludeerd, samengevat, tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van Qati, met veroordeling van Qati in de proceskosten.
De rechtbank heeft bij vonnis in het incident van 2 november 2022 het door Qati in dit incident gevorderde afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten.
Op 30 november 2022 heeft Qati een conclusie van antwoord (in de hoofdzaak) ingediend.
Op 14 maart 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank.
De rechtbank heeft bij vonnis van 10 mei 2023 (hierna: het vonnis), samengevat, voor recht verklaard dat de op 18 maart 2021 en 12 augustus 2021 genomen ontslagbesluiten nietig zijn en dat [vader en zoon] niet zijn opgehouden bestuurder te zijn van Qati, met veroordeling van Qati in de proceskosten.
In hoger beroep
Bij appeldagvaarding van 8 augustus 2023 is Qati in hoger beroep gekomen van het vonnis.
Op 7 mei 2024 heeft Qati een memorie van grieven ingediend. Hierin heeft zij gevorderd, samengevat, dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis vernietigt, de vorderingen van [eiser] in eerste aanleg alsnog volledig afwijst en [eiser] veroordeelt in de proceskosten in beide instanties.
Vervolgens heeft [eiser] op 24 september 2024 een memorie van antwoord ingediend. Hierin heeft hij, samengevat, geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, afwijzing van de grieven van Qati en veroordeling van Qati in de proceskosten in die procedure (een en ander bij arrest en zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad).
Op 9 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v).
Het hof heeft in het arrest het vonnis bekrachtigd, Qati veroordeeld in de proceskosten (en deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard) en afgewezen wat verder is gevorderd. Voor zover nodig kom ik hierna terug op hetgeen het hof daartoe heeft geoordeeld.
In cassatie
Bij procesinleiding van 8 oktober 2025 heeft Qati (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest. Zij heeft nadien haar stellingen schriftelijk toegelicht (hierna: de ST Qati).
[eiser] is niet verschenen in cassatie.
3 Bespreking van het cassatiemiddel
De procesinleiding van Qati vangt aan (op p. 2-10) met inleidende opmerkingen. Daarin lees ik geen klacht, althans niet een klacht die niet ook aan bod komt in het cassatiemiddel (p. 10-26). Dit middel bevat vier onderdelen (1 t/m 4).
Onderdeel 1
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 3.1-3.7 van het arrest, waarin, aldus het onderdeel, het hof heeft geoordeeld dat het besluit van de algemene vergadering van Qati van 18 maart 2021 tot ontslag van [vader en zoon] nietig is.
Het onderdeel formuleert, samengevat, de volgende klachten.
a. Het bestreden oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd. Het hof heeft geoordeeld dat voornoemd besluit nietig is, en dus niet vernietigbaar, omdat de oproeping voor de desbetreffende algemene vergadering door Green Quality gebrekkig was (want niet juist is verlopen c.q. op de juiste wijze tot stand is gekomen). Zo’n oproeping ziet echter op de totstandkoming van het besluit in kwestie, waardoor voornoemde besluit ingevolge art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a BW vernietigbaar is, niet nietig.
b. Voor zover het hof heeft bedoeld te overwegen dat de algemene vergadering van Qati op 18 maart 2021 niet bevoegd was te besluiten tot het ontslag van [vader en zoon] , geldt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd. Op grond van wet (art. 2:243-244 BW) en statuten (art. 16 lid 2) is de algemene vergadering van Qati bevoegd tot het ontslaan van bestuurders van de vennootschap, dit staat in de procedure ook niet ter discussie.
Behandeling
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ik begin met klacht a.
Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
In het rechtspersonenrecht wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds het bijeenroepen van een bepaalde vergadering van een orgaan van een rechtspersoon, ook wel de ‘autorisatie’ genoemd, en anderzijds het oproepen van relevante betrokkenen tot die (bijeengeroepen) vergadering, ook wel de ‘convocatie’ genoemd. De bijeenroeping van een vergadering betreft de vaststelling dat de vergadering op een bepaald moment kan worden gehouden. De oproeping betreft de feitelijke uitnodiging aan de daartoe gerechtigde personen om aan de belegde vergadering deel te nemen.
Qati is een besloten vennootschap. De klacht veronderstelt dat het hof in het bestreden oordeel het oog heeft op het oproepen tot een algemene vergadering van Qati in de zin van onder meer art. 2:223 BW (dus de ‘convocatie’), te onderscheiden van het bijeenroepen van een algemene vergadering van Qati in de zin van onder meer art. 2:219 BW (dus de ‘autorisatie’). Deze veronderstelling is onjuist. Met het bestreden oordeel brengt het hof tot uitdrukking waarom, anders dan betoogd door Qati (samengevat in rov. 3.3), Green Quality op 9 maart 2021 niet bevoegd was tot het bijeenroepen van de algemene vergadering van Qati voor 18 maart 2021 via art. 22 lid 4 van de statuten, en het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW die uitkomst niet anders maakt. Dit blijkt genoegzaam uit het bestreden oordeel, al rept het hof daarin ook wel van “oproeping”. Ik wijs in het bijzonder op rov. 2.8 en rov. 3.5, naast de feitenvaststelling in rov. 2.6 (zie onder 1.6 hiervoor, dit spreekt voor zich).
Het hof laat zich in het bestreden oordeel evenmin erover uit, anders dan de klacht verder veronderstelt, of de rechtbank bij de in rov. 3.2 samengevatte beslissing terecht redeneert vanuit nietigheid (art. 2:14 BW), niet vernietigbaarheid (art. 2:15 BW), van het ontslagbesluit van de algemene vergadering van Qati op 18 maart 2021. Blijkens ’s hofs uiteenzetting in rov. 3.3, gevolgd door rov. 3.4-3.7, is die vraag niet door Qati aan de orde gesteld in haar grief tegen die beslissing van de rechtbank. Op zo’n vraag respondeert het hof dan ook niet in het bestreden oordeel. Dit wordt niet anders door rov. 3.5, eerste en tweede zin (“Ook dan moet het verweer falen. Het hof schaart zich achter de verwerping ervan door de rechtbank en de daarbij gegeven motivering”). Dit slaat hooguit terug op rov. 3.3, waaruit dus blijkt dat volgens het hof voornoemde vraag niet voorligt bij de te beoordelen grief van Qati. Ook daarmee zegt het hof derhalve niets over voornoemde vraag.
Zou de klacht wel voor ogen hebben wat het hof doet in het bestreden oordeel zoals bedoeld onder 3.5.3 hiervoor, én daarover klagen, dan loopt de klacht nog steeds reeds vast op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest, gelet op 3.5.4 hiervoor.
Tot slot klacht b.
Ook zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
Met het bestreden oordeel brengt het hof immers niet tot uitdrukking dat de algemene vergadering van Qati niet het tot ontslag van bestuurders van de vennootschap bevoegde orgaan van Qati is. Uit de bespreking van klacht a volgt reeds dat het in het bestreden oordeel om iets anders draait.
Daarbij zij nog bedacht dat, waar het gaat om bijeenroeping van en oproeping tot een algemene vergadering, met ‘algemene vergadering’ niet wordt gedoeld op het vennootschappelijke orgaan waaraan bepaalde bevoegdheden toekomen, maar op de bijeenkomst van dit orgaan, oftewel: op de aandeelhoudersvergadering. Zie ook onder 1.6 en 3.5.2 hiervoor. Daaraan ziet het hof niet voorbij in het arrest.
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 3.1-3.7, 3.13 en 3.15-3.18 van het arrest. Het onderdeel bevat vijf subonderdelen (2a t/m 2e).
Subonderdeel 2a bestrijdt als niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd de volgende passage in rov. 3.16 van het arrest:
“Deze in artikel 2:239 lid 6 BW en artikel 22 lid 4 van de statuten beschreven gedragsnorm richt zich tot de betrokken bestuurders: zij dienen zich bij een tegenstrijdig belang te onthouden van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming. Daarop ziet de klacht niet, nu die alleen inzoomt op de oproeping voor een vergadering die aan die beraadslaging en besluitvorming voorafgaat.”
Daartoe voert het subonderdeel, samengevat, de volgende klachten aan.
a. Art. 2:239 lid 6 BW en art. 22 lid 4 van de statuten zien op verschillende situaties en bevoegdheden van verschillende actoren. De in art. 2:239 lid 6 BW genoemde afwijking staat in art. 16 lid 6 van de statuten. Beide bepalingen zien op de bestuursvergadering en regelen wat heeft te gelden in geval van een tegenstrijdig belang. Art. 22 lid 4 van de statuten ziet op een andere situatie, namelijk die waarin het bestuur niet binnen vier weken overgaat tot de verzochte oproep, en richt zich tot de aandeelhouders. Wat het hof hier heeft overwogen, is niet geregeld in en sluit niet aan op dit art. 22 lid 4.
b. De door Qati geformuleerde grief ziet wel degelijk op de bestuursvergadering (niet op de algemene vergadering).
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ik begin met klacht a.
Zij strandt reeds op een gebrek aan belang.
Het staat buiten twijfel dat hier sprake is van een kennelijke verschrijving in het arrest: het hof bedoelt in het bestreden oordeel art. 16 lid 6 van de statuten, niet art. 22 lid 4 daarvan.
In het bestreden oordeel gaat het immers om de daarin bedoelde gedragsnorm/regel. Die is evident wel te vinden in dit art. 16 lid 6 (geciteerd in rov. 2.4), niet in dit art. 22 lid 4 (geciteerd in rov. 2.5).
Het citaat in rov. 2.4 uit dit art. 16 lid 6 zou trouwens ook zinledig zijn als het hof in het bestreden oordeel niet deze bepaling had bedoeld, want elders in het arrest verwijst het hof niet naar deze bepaling.
Tot slot klacht b.
Zij voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv.
De klacht rept van “de door Qati geformuleerde grief”, maar laat onvermeld om welke grief (of grieven) het dan zou gaan. Evenmin wordt daarbij verwezen naar enige vindplaats in gedingstukken van Qati in hoger beroep. Het is, althans voor mij, niet zonder meer duidelijk op welke stelling (of stellingen) van Qati de klacht hier nou precies het oog heeft.
Voor zover het slot van het subonderdeel hierbij moet worden betrokken, valt niet in te zien hoe de verwijzingen aldaar hier relevant kunnen zijn. Op de desbetreffende vindplaatsen gaat het immers louter om het besluit van de algemene vergadering van Qati van 18 maart 2021 (waarop het bestreden oordeel niet ziet), niet om de besluiten van de algemene vergadering van Qati van 12 augustus 2021 (waarop het bestreden oordeel wel ziet).
Bovendien mist de klacht feitelijke grondslag in het arrest.
Zoals mede bevestiging vindt in de laatste zin van rov. 3.16, gaat het hof in het bestreden oordeel ervan uit dat de daarin bedoelde gedragsnorm/regel (als vervat in art. 2:239 lid 6 BW en art. 16 lid 6 van de statuten) niet ook ziet op besluitvorming door het bestuur van Qati tot het al dan niet bijeenroepen van een algemene vergadering van Qati. De reden daarvoor vindt het hof in art. 22 lid 4, laatste zin van de statuten: dit biedt al een remedie voor de situatie waarin het bestuur van Qati, om welke reden dan ook, niet tot zo’n bijeenroeping overgaat. Van die remedie heeft de holding van [betrokkene 1] juist gebruik willen maken.
Hieruit volgt waarom het hof in rov. 3.16 meent dat de daarin bedoelde “klacht” van Qati niet opgaat: deze “klacht” betreft weliswaar voornoemde besluitvorming, dus de bestuursvergadering (niet de algemene vergadering), maar op de desbetreffende beslissing (bestuursvergadering) is de in art. 2:239 lid 6 BW en art. 16 lid 6 van de statuten vervatte gedragsnorm/regel niet van toepassing. Kort en goed: doordat deze “klacht” alleen inzoomt op deze beslissing, ziet zij niet op deze gedragsnorm/regel. “Daarop strandt het verweer van Qati al”, aldus het hof in rov. 3.16 (onder verwijzing naar rov. 3.14). Overigens blijkt ook uit rov. 3.17-3.18 dat het hof ervan uitgaat dat deze “klacht” deze beslissing betreft.
Subonderdeel 2b bestrijdt de volgende passage in rov. 3.16 van het arrest:
“Voor de situatie dat het bestuur - om welke reden dan ook - niet tot een dergelijke oproeping overgaat, voorzien de statuten in de remedie waarvan de holding van [betrokkene 1] juist gebruik heeft willen maken: het als aandeelhouder overgaan tot een dergelijke oproeping.”
Het subonderdeel formuleert hiertegen, samengevat, de volgende klachten.
a. Dit oordeel is niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd. De bevoegdheid van de aandeelhouder in art. 22 lid 4, laatste zin van de statuten laat immers onverlet dat de (niet-geconflicteerde) bestuurder in geval van tegenstrijdig belang (art. 2:239 lid 6 BW en art. 16 lid 6 van de statuten) de bevoegdheid heeft (zelfstandig) namens het bestuur een besluit te nemen.
b. Voor zover het hof hiermee zou hebben bedoeld dat het bestuur niet bevoegd zou zijn om een algemene vergadering bijeen te roepen en/of op te roepen, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd. Ter onderbouwing hiervan verwijst de klacht naar onderdeel 3.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ik begin met klacht a.
Met het bestreden oordeel brengt het hof tot uitdrukking dat in een geval zoals hier aan de orde, de in art. 22 lid 4, laatste zin van de statuten vervatte regel de in art. 2:239 lid 6 BW en art. 16 lid 6 van de statuten vervatte gedragsnorm/regel opzij zet. Oftewel, hier gaat een bijzondere regel voor een algemene: een toepassing dus van ‘lex specialis derogat legi generali’. Zie ook onder 3.13.5 hiervoor.
Daarbij zij bedacht, en dit betrekt het hof in onder meer rov. 3.14 en 3.16 van het arrest, dat het hier gaat om [betrokkene 1] (in persoon, althans via diens holding) als drijvende kracht achter de onderhavige poging tot ontslag van [vader en zoon] als bestuurders van Qati. [betrokkene 1] is dan niet alleen bestuurder van Qati, maar ook (via Green Quality) aandeelhouder.
Wat hiervan verder zij: de klacht adresseert deze redenering van het hof niet, laat staan zodanig dat zonder meer valt in te zien dat het bestreden oordeel van het hof niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd. Dat de klacht een bres zou slaan in het bestreden oordeel valt derhalve niet in te zien.
Overigens: blijkens rov. 3.18, die in cassatie zonder vrucht wordt bestreden, is volgens het hof ter zake geen sprake van een tegenstrijdig belang bij [vader en zoon] zoals bedoeld in art. 2:239 lid 6 BW en art. 16 lid 6 van de statuten, zodat de in die bepalingen vervatte gedragsnorm/regel hier hoe dan ook toepassing mist.
Tot slot klacht b.
Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
Het hof bedoelt met het bestreden oordeel immers niet dat het bestuur van Qati onbevoegd is een algemene vergadering bijeen te roepen en/of op te roepen. Het vertrekpunt in dit oordeel is dat het bestuur niet is overgegaan tot zo’n bijeenroeping, wat impliceert dat het bestuur dit wel had kunnen doen. Zie nader de bespreking van klacht a.
Ik zie aanleiding nu eerst in te gaan op subonderdeel 2e. Daarin lees ik, samengevat, de volgende klachten.
a. Het hof heeft in rov. 3.15-3.18 van het arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 2:239 lid 6 BW, in het bijzonder het te hanteren toetsingskader bij beantwoording van de vraag of sprake is van een tegenstrijdig belang. Want het hof heeft niet, althans niet uitdrukkelijk, getoetst of in redelijkheid kan worden betwijfeld dat [vader en zoon] zich als bestuurders van Qati bij hun handelen uitsluitend door het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming laten leiden.
b. Het hof heeft in rov. 3.18 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door daarin te miskennen dat niet aannemelijk hoeft te worden gemaakt dat in het concrete geval ook daadwerkelijk sprake is van tegenstrijdig belang, maar enkel dat het zo zou kunnen zijn.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Een vooropstelling. Het hof zoekt in rov. 3.15 van het arrest nadrukkelijk aansluiting bij de wijze waarop de rechtbank in rov. 4.11 van het vonnis (door het hof samengevat in rov. 3.9) het relevante toetsingskader heeft uiteengezet, onder verwijzing naar Hoge Raad-rechtspraak: het […]-arrest uit 2007 en het Duplicado-arrest uit 2004, beide inzake art. 2:256 (oud) BW. In de gedingstukken van Qati in hoger beroep ben ik geen grief tegen dit door de rechtbank uiteengezette toetsingskader tegengekomen. Het hof wijst daarop ook niet. Het subonderdeel evenmin.
Ik begin met klacht a.
Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
Het is duidelijk dat het hof, mede gelet op diens herhaaldelijke verwijzing in rov. 3.15 naar het […]-arrest, kenbaar voor ogen heeft dat het belang van Qati (inclusief de met haar verbonden onderneming) ook hier fungeert als het centraal staande richtsnoer voor [vader en zoon] als haar bestuurders.
Dit vindt bevestiging in rov. 3.16, waar het hof de verbinding legt met art. 2:239 lid 6 BW en art. 16 lid 6 van de statuten, welke bepalingen draaien om dat vennootschapsbelang (“Deze” in die bepalingen “beschreven gedragsnorm richt zich tot de betrokken bestuurders”, etc.). Dit vindt verder bevestiging in rov. 3.17, waarbij het hof gericht verwijst naar een Hoge Raad-arrest uit 2011 in de lijn van het […]-arrest (ook inzake art. 2:256 (oud) BW). Dit is ook juist.
Hieraan doet niet af, anders dan de klacht wil, dat het hof in rov. 3.15 bij de verwijzing naar het Duplicado-arrest kortweg schrijft: “(…), en dat zij bij hun handelen zich met name zouden laten leiden door hun persoonlijk belang”. Dit laat immers onverlet dat het hof daarmee doelt op de aldaar door de Hoge Raad benoemde strekking (van art. 2:256 (oud) BW), te weten “te voorkomen dat de bestuurder bij zijn handelen zich (met name) laat leiden door zijn persoonlijk belang in plaats van (uitsluitend) het belang van de vennootschap dat hij heeft te dienen”. Dit geldt dan ook voor rov. 3.18, waarin het hof mede terugvalt op die verwijzing.
Dat rov. 3.15 in het licht van Hoge Raad-precedenten zoals het […]-arrest niet superstrak is geformuleerd, mag zo zijn. Dit laat het voorgaande onverlet, en moet bovendien worden bezien in het licht van 3.21 hiervoor.
De klacht onderkent ook wel - en dat siert de steller van het middel - dat de daarin voorgestane lezing van het arrest “een onwelwillende” is.
Tot slot klacht b.
Zij leidt uit een Hoge Raad-arrest uit 2023 af dat niet aannemelijk hoeft te worden gemaakt dat in het concrete geval ook daadwerkelijk sprake is van een tegenstrijdig belang, maar enkel dat het zo zou kunnen zijn.
Dit oogt nogal vrijblijvend. Ik lees zoiets niet in dit Hoge Raad-arrest, inzake art. 2:256 (oud) BW. Integendeel: het is “niet aanvaardbaar” dat wordt volstaan met het aanvoeren van de enkele mogelijkheid van een tegenstrijdig belang, zonder dat dit beroep wordt geconcretiseerd op de wijze zoals even daarvoor door de Hoge Raad is omschreven.
Dit laatste ziet hierop, met mijn onderstreping:
“(…) als uitgangspunt [geldt] hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn eerdere arrest in deze zaak en dat ertoe strekt dat voor de toepassing van art. 2:256 (oud) BW niet is vereist dat zeker is dat de betrokken rechtshandeling daadwerkelijk tot benadeling van de vennootschap zal leiden, doch voldoende is dat de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat, kan slechts worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Het moet gaan om (voldoende geadstrueerde) omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op de besluitvorming van de betrokken bestuurder dat hij zich op grond van deze bepaling niet in staat had mogen achten het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen en zich van de desbetreffende rechtshandeling had moeten onthouden. Mede in aanmerking genomen de ingrijpende gevolgen die aan een geslaagd beroep op art. 2:256 (oud) BW zijn verbonden, is immers niet aanvaardbaar dat wordt volstaan met het aanvoeren van de enkele mogelijkheid van een tegenstrijdig belang, zonder dat dit beroep wordt geconcretiseerd op de wijze als hiervoor is omschreven.”
Kortom: “een tegenstrijdig belang bestaat” in dit verband als “de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld”, etc. En de vraag of dit laatste zo is, “kan slechts worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval”. Dat “[h]et moet gaan om (voldoende geadstrueerde) omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest”, etc., past hierbij en laat onverlet dat het per saldo erom gaat of “een tegenstrijdig belang bestaat”. Niet kan worden volstaan met het aanvoeren van de enkele mogelijkheid van een tegenstrijdig belang, zonder dat dit beroep aldus wordt geconcretiseerd.
Dit laat zich zo samenvatten dat een tegenstrijdig belang van een bestuurder eerst kan worden aangenomen indien deze functionaris van de vennootschap in de gegeven omstandigheden aanwijsbaar te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen, waaronder het vennootschapsbelang, dat in redelijkheid kan worden betwijfeld (dus objectief) of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het vennootschapsbelang, zoals een neutrale beslisser (of: een integer en onbevooroordeeld bestuurder) zou doen. Dán is er een reëel, concreet risico op verstoring van het beoordelingsvermogen van de betrokken bestuurder door dat belangenconflict ten nadele van het vennootschapsbelang, oftewel op belangenvermenging door de bestuurder ten nadele van de vennootschap. En dit is hier het springende punt: vereist is dus ook weer niet dat de bestuurder dat met het vennootschapsbelang onverenigbare belang zál laten prevaleren, dus dat sprake zál zijn van belangenvermenging door hem ten nadele van de vennootschap. Van zo’n reëel, concreet risico op belangenvermenging door de bestuurder ten nadele van de vennootschap kan naar de aard ook sprake zijn als deze functionaris de overtuiging is toegedaan (dus subjectief) dat hij ondanks het belangenconflict bij zijn taakvervulling onverkort voorrang zal geven aan het vennootschapsbelang, en aldus zuivere intenties heeft. Op dit laatste komt het hier niet aan, want “human nature may incline even one acting in subjective good faith to rationalize as right that which is merely personally beneficial”. Anders gezegd: dat de bestuurder die voorrang wil geven, betekent nog niet dat hij ook in staat is dit metterdaad te doen, dus evenmin dat dan dat risico op belangenvermenging door de bestuurder ten nadele van de vennootschap van tafel is. Zodoende heeft het recht hier oog voor de condition humaine, oftewel het menselijk tekort. Daarbij zij nog bedacht, en past ook, dat de enkele aanwezigheid van een tegenstrijdig belang niet iets is waarvan de bestuurder een verwijt treft.
Onder de vigeur van art. 2:239 lid 6 BW geldt m.i. niet iets anders.
M.i. miskent het hof dit een en ander niet in het arrest, ook niet in de passage (in rov. 3.18) die de klacht op de korrel heeft.
Subonderdeel 2d bestrijdt rov. 3.18 van het arrest als niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof is voorbijgegaan aan bepaalde stellingen van Qati die het subonderdeel weergeeft onder (i) t/m (viii). Die stellingen zijn essentieel, aldus het subonderdeel, nu die niet tot een ander oordeel kunnen leiden dan dat een tegenstrijdig belang wel degelijk aanwezig was.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Het oordeel in rov. 3.18 van het arrest komt erop neer dat volgens het hof “ook in dit hoger beroep” Qati onvoldoende heeft onderbouwd dat [vader en zoon] op het onderhavige punt als haar bestuurders een tegenstrijdig belang hadden in de zin van art. 2:239 lid 6 BW en art. 16 lid 6 van de statuten. Ik lees dit als een eigenstandig oordeel van het hof, dat los staat van diens oordeel in rov. 3.17.
Dit oordeel in rov. 3.18 ligt dus in het verlengde van het vonnis, specifiek rov. 4.11:
“De rechtbank volgt Qati niet in haar voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling ingenomen stelling dat [betrokkene 1] als bestuurder zelfstandig tot die oproeping heeft kunnen besluiten omdat [vader en zoon] wegens een tegenstrijdig belang niet hebben mogen deelnemen aan de daaraan voorafgaande besluitvorming. Voor zover Qati bedoeld heeft te stellen dat [vader en zoon] - mede vanwege hun onderlinge familieband - persoonlijk belang erbij hadden om (een algemene vergadering over) hun ontslag te voorkomen, heeft Qati daarmee haar beroep op artikel 2:239 lid 6 BW en de daarmee overeenkomende statutaire regeling naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Qati heeft op de zitting in het bijzonder niet geconcretiseerd waaruit volgt dat [vader en zoon] niet in staat konden worden geacht het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033) en zij bij hun handelen zich met name zouden laten leiden door hun persoonlijk belang (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4394). Om die reden gaat de rechtbank aan deze nieuwe stelling van Qati voorbij.”
In rov. 3.14 vat het hof samen wat Qati daartoe had aangevoerd:
“Qati heeft verder aangevoerd dat de persoonlijke belangen van [vader en zoon] met het uitroepen van een bijzondere algemene vergadering strijdig waren met die van de vennootschap. De vergadering werd immers uitgeroepen om hun ontslag aan de orde te stellen. Zij hebben zich door dat eigenbelang laten leiden met hun weigering een algemene vergadering bijeen te roepen. Dat betekent dat zij aan de beslissing een vergadering uit te schrijven niet konden deelnemen, en (dus) dat [betrokkene 1] die bevoegdheid als enig overgebleven bestuurder zelfstandig toekwam.”
Pak ik de memorie van grieven erbij, dan strookt deze samenvatting met hetgeen daar - bij grief III - door Qati is aangevoerd ter onderbouwing van dat beroep op een tegenstrijdig belang bij [vader en zoon] (daar door Qati aangeduid als “ [vader en zoon] ”). Ik citeer, met mijn onderstreping:
“4.32. Bovendien kon [betrokkene 1] , zelfs als er nog sprake zou zijn van een meerhoofdig bestuur, als enig niet conflicterend bestuurder zelfstandig tot oproeping besluiten. Aan het besluit tot oproeping over te gaan konden [vader en zoon] niet deelnemen wegens een tegenstrijdig belang. Anders dan de rechtbank aanneemt was dit tegenstrijdig belang niet enkel aannemelijk vanwege de onderlinge familieband bij [vader en zoon] , maar bestond het tegenstrijdig belang er concreet uit dat de wens van Qati was het ontslag van de bestuurders [vader en zoon] te bewerkstellingen, terwijl uit de acties en het handelen van [vader en zoon] bleek dat hun belang erin was gelegen hun eigen ontslag te voorkomen. Verwezen wordt in dit verband naar grief 1 van deze MvG, meer in het bijzonder par. 4.12 t/m 4.15, waarin het aanwezige tegenstrijdig belang van [vader en zoon] nader is toegelicht en geconcretiseerd aan de hand van het feitelijk handelen van [vader en zoon] . Ook om deze reden kon [betrokkene 1] als enig niet conflicterend bestuurder de vergadering van 12 augustus 2021 zelfstandig oproepen.”
In die nrs. 4.12-4.15 valt in essentie hetzelfde te lezen, aangevuld met een verwijzing naar “overige trainerende acties van [vader en zoon] ”. De nadruk ligt evenwel erop dat [vader en zoon] hun ontslag als bestuurders van Qati wilden voorkomen:
“4.15. Gelet op deze onduidelijkheid, tegenwerking door [vader en zoon] en het bij [vader en zoon] aanwezige tegenstrijdige belang, bestaande uit het feit dat Qati het statutair ontslag van [vader en zoon] wilde bewerkstellingen en [vader en zoon] dit wilde voorkomen, kon [betrokkene 1] aldus op 31 juli 2021 ook als zelfstandig tot oproeping van de algemene vergadering overgaan. (…).”
Dit laatste is door Qati ook bevestigd ter mondelinge behandeling bij het hof. En past ook bij de (overigens summiere) stellingname van Qati ter zake in eerste aanleg, die erom draaide dat bij [vader en zoon] sprake zou zijn van een tegenstrijdig belang “nu hun eigen ontslag aan de orde zou zijn”.
M.i. heeft het hof dit een en ander voor ogen in rov. 3.18 (in verbinding met rov. 3.14).
Verder meen ik, met het hof in rov. 3.18 (in verbinding met rov. 3.14), dat het bij deze stellingname van Qati duidelijk niet gaat om de vereiste (voldoende geadstrueerde) omstandigheden waaruit volgt dat [vader en zoon] op het onderhavige punt als bestuurders van Qati niet in staat konden worden geacht het belang van Qati (inclusief de met haar verbonden onderneming) met de vereiste objectiviteit en integriteit te behartigen, oftewel dat ter zake bij hen een tegenstrijdig belang bestond. Zie ook onder 3.23.4-3.23.6 hiervoor. Anders gezegd: deze door Qati gestelde omstandigheden rechtvaardigen duidelijk niet de conclusie (dat [betrokkene 1] als bestuurder van Qati ervan mocht uitgaan) dat ter zake bij [vader en zoon] een tegenstrijdig belang bestond, zodat [vader en zoon] aan de beslissing van het bestuur van Qati een algemene vergadering uit te schrijven niet konden deelnemen en (dus) [betrokkene 1] die bevoegdheid, als enig overgebleven bestuurder van Qati, zelfstandig toekwam.
Het mag zo zijn dat [vader en zoon] een persoonlijk belang hadden bij de ontslagkwestie (het ging immers om hun ontslag als bestuurders van Qati), daarmee is nog niet gezegd dat dit persoonlijke belang, of meer precies hun eerder kenbaar gemaakte weigering met een dergelijk ontslag in te stemmen, conflicteerde met dat belang van Qati, laat staan dat vanwege die weigering sprake was van zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kon worden betwijfeld dat [vader en zoon] zich op het voornoemde punt uitsluitend zouden laten leiden door dat belang van Qati. Waarom zo’n belangenconflict wel kon worden aangenomen, heeft Qati ook in hoger beroep met die stellingname - in wezen een doelredenering - niet concreet gemaakt, evenmin via de verwijzing naar “overige trainerende acties van [vader en zoon] ” Bij het voorgaande zij nog bedacht dat [vader en zoon] beiden via hun persoonlijke holdings aandelen hielden in Qati, wat indiceert dat zij gebaat waren bij het bevorderen van het bestendige succes van de met Qati verbonden onderneming, hetgeen in de regel vooral dat belang van Qati bepaalt., Dat het [vader en zoon] bij die weigering te doen zou zijn geweest om iets anders dan dat belang van Qati, zoals behoud van bezoldiging als bestuurder, is door haar ook niet aangevoerd.
Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat het hof het bestreden oordeel nog weer nader had moeten motiveren.
Hierop stuit de klacht af.
Tot slot subonderdeel 2c, dat zich keert tegen rov. 3.17 van het arrest.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ik citeer rov. 3.17 van het arrest, met mijn onderstreping:
“Het gaat bij de regeling van het tegenstrijdig belang om de door de bestuurders zelf gemaakte keuze - om de vraag of zij zich bij hun eigen handelen al dan niet volledig hebben laten leiden door de belangen van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. Dit uitgangspunt komt erop neer dat door Green Quality [bedoel zal zijn: Qati, A-G] gesteld en aannemelijk moet worden gemaakt dat [vader en zoon] ondanks de aanwezige tegenstrijdige belangen ervoor hebben gekozen zich niet te onthouden van de beraadslaging en (of) besluitvorming omtrent de voorgestelde bijzondere aandeelhoudersvergadering. In dat geval zou een bestuursbesluit vernietigbaar kunnen zijn. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt echter, omdat de oproeping voor de vergadering door [betrokkene 1] geheel buiten [eiser] om is verzonden.”
Het subonderdeel is gekant tegen de in het citaat onderstreepte passage.
Ook als dit oordeel blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd zou zijn, zoals het subonderdeel vanuit diverse invalshoeken aanvoert, geldt dat Qati het vereiste belang bij het subonderdeel mist. ’s Hofs verwerping van het in rov. 3.14 samengevatte betoog van Qati wordt in de opzet van het arrest immers zelfstandig gedragen door rov. 3.15-3.16 en 3.18, welke oordelen in cassatie zonder vrucht worden bestreden.
Ik wijs er ten overvloede wel op dat ’s hofs benadering in rov. 3.17 niet goed te rijmen valt met een latere Hoge Raad-beschikking, in het bijzonder de volgende overwegingen daarin:
“De wet bevat geen nadere regeling over de melding en vaststelling van een tegenstrijdig belang [in de zin van art. 2:239 lid 6 BW, A-G]. In een geval als dit, waarin het bestuur uit meerdere personen bestaat en de vennootschap geen raad van commissarissen heeft, ligt het op de weg van de bestuurder met een mogelijk tegenstrijdig belang om een zo groot mogelijke openheid te betrachten en dit mogelijke tegenstrijdige belang te melden aan zijn medebestuurders. Het is dan, in geval van verschil van inzicht daarover, niet aan de betrokken bestuurder zelf, maar aan de andere bestuurders, om te beslissen of de betrokken bestuurder daadwerkelijk een tegenstrijdig belang heeft en daarom niet behoort deel te nemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het desbetreffende onderwerp. Dat geldt ook indien de betrokken bestuurder aan zijn medebestuurders geen melding heeft gedaan van zijn mogelijke tegenstrijdige belang.
Indien de andere bestuurders oordelen dat de betrokken bestuurder wegens een tegenstrijdig belang niet aan de beraadslaging en besluitvorming behoort deel te nemen, dienen zij ervoor zorg te dragen dat de betrokken bestuurder ook daadwerkelijk niet aan de beraadslaging en besluitvorming over het desbetreffende onderwerp deelneemt.”
Iets anders is dat die andere bestuurder(s), die dan bevoegd is/zijn te beslissen of de betrokken bestuurder(s) daadwerkelijk een tegenstrijdig belang heeft/hebben (en daarom niet behoort/behoren deel te nemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het desbetreffende onderwerp), voor een bevestigende beantwoording van die vraag wel moet(en) kunnen laten zien dat in de gegeven omstandigheden de betrokken bestuurder(s) te maken heeft/hebben met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij/zij zich bij zijn/hun handelen uitsluitend laat/laten leiden door het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Anders is immers geen sprake van zo’n tegenstrijdig belang. Dat het moet gaan om ‘zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld’, etc., en wel in de gegeven omstandigheden, resulteert in een objectivering van de aan te leggen maatstaf met een zekere drempel, maar laat daarbij in twijfelgevallen enige speling: juist daar is het trekken van scherpe grenzen lastig. Zie ook onder 3.23.4-3.23.6 hiervoor.
Volledigheidshalve merk ik nog het volgende op. Volgens chroniqueur De Kluiver geldt voor “het leerstuk van het ‘tegenstrijdig belang’ dat” dit “inmiddels ook in de visie van de Hoge Raad blijkbaar tot een vergaande uitsluiting van bestuurders en commissarissen moet leiden als er ook maar enige twijfel is dat een beslissing of transactie ook voor hen een voordeel of nadeel zou kunnen impliceren”. Volgens hem is hier sprake “van ‘twijfel’ als centrale toetssteen”. Hij doelt daarmee op voornoemde Hoge Raad-beschikking. Ik lees die beschikking dus anders. Evenmin zie ik dat het bij de daarin door de Hoge Raad voorgestane benadering draait om “‘twijfel’ aan de zuiverheid van de intenties”, of dat daarin “‘tegenstrijdig belang’ (…) tot een morele categorie wordt gemaakt”. Zie mede onder 3.23.4-3.23.6 en 3.27.4-3.27.5 hiervoor.
Het subonderdeel behoeft, gezien het voorgaande, geen verdere bespreking.
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.
Onderdeel 3
Dit onderdeel is, kennelijk, gericht tegen rov. 3.15-3.18 (en 3.1) van het arrest. Ik zie, samengevat, de volgende klachten.
a. In het bestreden oordeel ligt besloten ’s hofs (impliciete) oordeel dat een besluit van de algemene vergadering van een besloten vennootschap nietig is indien, in de woorden van de klacht, “het bestuursbesluit tot bijeenroeping en de daaropvolgende oproeping tot stand is gekomen wegens de onterechte uitsluiting van een of meerdere bestuurders vanwege een vermeend tegenstrijdig belang”. Dit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, want een dergelijk besluit is dan vernietigbaar (art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a BW).
b. Het gebrek dat zou kleven aan het ontslagbesluit is niet dat het besluit tot bijeenroeping van en oproeping voor de algemene vergadering van Qati van 12 augustus 2021 door een onbevoegd vennootschapsorgaan is genomen; immers, het bestuur van Qati is hiertoe op grond van de wet (art. 2:219 BW) en de statuten (art. 22 lid 4) bevoegd. Voor zover het hof in het bestreden oordeel heeft bedoeld dat het bestuur van Qati niet bevoegd was om een algemene vergadering bijeen te roepen en vervolgens op te roepen, geeft dit blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd.
c. Het hof heeft miskend dat [eiser] enkel heeft gevorderd dat het ontslagbesluit van de algemene vergadering van Qati van 12 augustus 2021 nietig is, of vernietigd wordt. Er is niet tevens gevorderd dat het besluit van het bestuur van Qati van 31 juli 2021 tot bijeenroeping van de algemene vergadering nietig is, of vernietigd wordt. Derhalve hadden de rechtbank en het hof moeten uitgaan van een rechtsgeldig besluit tot bijeenroeping van de algemene vergadering, mede nu de vervaltermijn voor het instellen van een vernietigingsvordering (art. 2:15 lid 5 BW) reeds verliep op 12 augustus 2022. Indien als uitgangspunt wordt genomen dat dat besluit van 31 juli 2021 op “12 augustus 2021” onaantastbaar is geworden, kan dat besluit van 12 augustus 2021 niet worden vernietigd wegens een gebrek in de totstandkoming van dat besluit. Dit omdat dit gebrek dan niet langer bestaat, nu dat besluit van 31 juli 2021 onaantastbaar is geworden en evenmin nietig kan worden verklaard op diezelfde grond.
Behandeling
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ik begin met klacht a.
Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
Een (algemeen) oordeel zoals voorgestaan door de klacht geeft het hof niet in rov. 3.15-3.18 (en 3.1) of elders in het arrest. Daartoe bestond ook geen reden voor het hof.
In rov. 4.13 van het vonnis concludeert de rechtbank, onder verwijzing naar rov. 4.6 (inzake “de tijdens de vergadering van 18 maart 2021 genomen ontslagbesluiten”), dat ook de tijdens de algemene vergadering van Qati van 12 augustus 2021 genomen besluiten nietig zijn (art. 2:14 BW). In het dictum (rov. 5.1) verklaart de rechtbank dit voor recht, aldus “dat de op 18 maart 2021 en 12 augustus 2021 genomen ontslagbesluiten nietig zijn en dat [vader en zoon] niet zijn opgehouden bestuurder te zijn van Qati; (…)”.
Voor zover de rechtbank dit relateert aan het handelen van [betrokkene 1] als bestuurder van Qati op 31 juli 2021, strekkende tot bijeenroeping van een algemene vergadering van Qati voor 12 augustus 2021, zijn haar overwegingen te vinden in rov. 4.9-4.11 van het vonnis. Die overwegingen komen erop neer dat [betrokkene 1] , die hier in genoemde hoedanigheid alleen optrad, niet de daartoe vereiste wettelijke of statutaire bevoegdheid had, zodat het desbetreffende besluit van het bestuur van Qati van 31 juli 2021 nietig is.,
In grief III heeft Qati zich vanuit diverse invalshoeken gekeerd tegen rov. 4.9-4.11 van het vonnis. Daarop respondeert het hof in rov. 3.12-3.18. Zoals ook blijkt uit die overwegingen van het hof, heeft Qati met die grief - of elders in de memorie van grieven - niet de vraag aan de orde gesteld of de rechtbank wat betreft dat besluit van 31 juli 2021 had moeten uitgaan van vernietigbaarheid in plaats van nietigheid, noch of de rechtbank wat betreft die besluiten van 12 augustus 2021 had moeten uitgaan van vernietigbaarheid in plaats van nietigheid. Evenmin heeft Qati in die grief - of elders in de memorie van grieven - de vraag aan de orde gesteld of de rechtbank wat betreft dat besluit van 31 juli 2021 überhaupt kon uitgaan van iets anders (nietigheid of vernietigbaarheid) dan geldigheid. Over zo’n vraag laat het hof zich dan ook niet uit, het beperkt zich in het bestreden oordeel tot hetgeen Qati in grief III heeft aangevoerd tegen rov. 4.9-4.11 van het vonnis.
Dan klacht b.
Ook zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest.
Het gaat het hof in het bestreden oordeel niet erom, anders dan de klacht veronderstelt, dat een ander orgaan van Qati dan haar bestuur op grond van wet en statuten bevoegd zou zijn tot het nemen van een besluit tot bijeenroeping van (en oproeping voor) de algemene vergadering van Qati voor 12 augustus 2021. Het hof oordeelt daarin dus ook niet in weerwil van de in art. 2:219 BW en art. 22 lid 4 van de statuten bedoelde bevoegdheid van het bestuur van de vennootschap.
Zie ook onder 3.18-3.18.2 hiervoor inzake klacht b in subonderdeel 2b.
Tot slot klacht c.
Zij boekt evenmin succes.
Zoals gezegd: blijkens rov. 4.9-4.11 van het vonnis heeft de rechtbank het in de klacht bedoelde besluit van het bestuur van Qati van 31 juli 2021 aangemerkt als nietig (art 2:14 BW). Zie onder 3.31.4 hiervoor. Over dit oordeel van de rechtbank kan Qati in cassatie niet klagen, Qati kon daartegen wel grieven in hoger beroep. Voor zover Qati in hoger beroep heeft gegriefd tegen rov. 4.9-4.11 van het vonnis, respondeert het hof daarop in rov. 3.12-3.18 van het arrest. Daartoe behoren dus niet de onder 3.31.5 hiervoor bedoelde vragen.
Tegen deze achtergrond geldt dat, nu grief III van Qati voor zover gericht tegen rov. 4.9-4.11 van het vonnis volgens het hof in rov. 3.12-3.18 doel mist, en zelfs geen enkele van de door Qati tegen het vonnis aangevoerde bezwaren doel treft (zie ‘s hofs slotsom in rov. 3.22), er voor het hof eenvoudigweg geen grond is om bij dat besluit van 31 juli 2021 uit te gaan van iets anders dan de door de rechtbank in het vonnis vastgestelde nietigheid ervan (zoals van een rechtsgeldig besluit tot bijeenroeping van een algemene vergadering van Qati voor 12 augustus 2021).
De in art. 2:15 lid 5 BW bedoelde vervaltermijn maakt dit niet anders, reeds omdat die vervaltermijn enkel betrekking heeft op een vernietigbaar besluit, niet op een nietig besluit (art. 2:14 BW) zoals hier aan de orde.
Met het voorgaande ontvalt al de bodem aan de klacht. Zij behoeft geen verdere bespreking.
Daarmee is gegeven dat onderdeel 3 faalt.
Onderdeel 4
Dit onderdeel is in het bijzonder gericht tegen rov. 3.20 van het arrest. Ik zie, samengevat, de volgende klachten.
a. Na een samenvatting van rov. 3.20 voert het onderdeel aan dat het hof daarin heeft miskend dat de redelijkheid en billijkheid niet snel mag worden aangemerkt als bron van verbintenissen, althans dat niet snel uit de redelijkheid en billijkheid een verplichting mag worden afgeleid om een verzoek te doen aan het bestuur tot uitschrijving van een aandeelhoudersvergadering waarop het ontslag van bestuurders wordt geagendeerd.
b. Als het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd in het licht van door Qati aangevoerde (en door [eiser] niet bestreden) essentiële omstandigheden, in de klacht weergegeven onder (i) t/m (v).
c. Het oordeel van het hof “over de uit de redelijkheid en billijkheid ontsproten verplichting voor Qati [bedoeld zal zijn Green Quality, A-G] om medio 2021 opnieuw een verzoek te doen”, etc., is niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waar het hof, eveneens in rov. 3.20, overweegt: “Het enkele feit dat ooit eerder een dergelijke oproep is gedaan waaraan geen gevolg is gegeven, maakt niet dat die verplichting vervolgens nooit meer geldt”. Dit stelde Qati namelijk niet. Bovendien droeg Qati, zoals uiteengezet bij klacht b, aanmerkelijk meer omstandigheden aan dan de enkele eerdere oproep (en dan het hof vervolgens in rov. 3.20 betrekt).
d. Het hof laat in het oordeel “dat onder de gegeven omstandigheden de redelijkheid en billijkheid zou meebrengen dat medio 2021 een verzoek had moeten worden gedaan”, etc., bepaald handelen van [vader en zoon] (“ [eiser] ”), weergegeven in nr. 3.35 van de procesinleiding, ten onrechte buiten beschouwing. Daarom is het oordeel niet begrijpelijk.
Behandeling
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
Ik constateer vooraf dat het onderdeel volgens de aanhef ervan ook is gericht tegen rov. 3.21 van het arrest, maar het onderdeel geen kenbare klacht bevat die is gericht tegen rov. 3.21. Dit oordeel van het hof is evident een andere dan dat in rov. 3.20, namelijk dat voor zover Qati heeft bedoeld dat een beroep op de voornoemde statutaire verplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (dus art. 2:8 lid 2 BW, in rov. 3.20 gaat het over art. 2:8 lid 1 BW), het hof dat verweer verwerpt. Rov. 3.21 wordt dan ook niet aangetast door het onderdeel.
Ik begin met klacht a.
Voor een goed begrip is het nuttig rov. 3.19-3.20 te citeren.
“- Het uitschrijven van een vergadering door aandeelhouder Green Quality; het verstrijken van de statutaire termijn
Het bestuur had al in februari 2021 nagelaten aan het door Green Quality gedane verzoek tot oproeping gehoor te geven, en de in artikel 22 lid 4 van de statuten gestelde termijn was nadien ruimschoots verlopen. Partijen waren het er daarna niet over eens of de eerdere ontslagen rechtsgeldig waren. Het zou volgens Qati onder die omstandigheden juist ‘in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn’ als Green Quality opnieuw een bij voorbaat kansloos verzoek aan het bestuur zou moeten doen om tot oproeping van een algemene vergadering over te gaan.
Voor zover Qati hiermee bedoelt op te komen tegen het oordeel van de rechtbank dat de redelijkheid en billijkheid onder de gegeven omstandigheden meebrengen dat medio 2021 een nieuw verzoek had moeten worden gedaan, schaart het hof zich achter dat oordeel: op grond van de statuten is het bestuur tot oproeping verplicht wanneer Green Quality schriftelijk en onder nauwkeurige opgave van de te behandelen onderwerpen het verzoek richt een algemene vergadering bijeen te roepen. Het enkele feit dat ooit eerder een dergelijke oproep is gedaan waaraan geen gevolg is gegeven, maakt niet dat die verplichting vervolgens nooit meer geldt. In dit specifieke geval zit een periode van bijna een half jaar tussen dat eerste verzoek en de oproeping van 31 juli 2021. Zoals de rechtbank al overwoog, waren door de Kamer van Koophandel op dat moment al bij herhaling uitschrijvingen van [vader en zoon] ongedaan gemaakt, maar stelde Green Quality zich nog steeds op het standpunt dat de algemene vergadering geldige ontslagbesluiten had genomen. [eiser] verweerden zich daartegen, juist met een beroep op schending van de statutaire verplichtingen ten aanzien van oproeping door aandeelhouder Green Quality. Onder die omstandigheden kan die aandeelhouder niet volstaan met een beroep op een verzoek dat ongeveer een halfjaar eerder is gedaan.”
Het hof doelt in het bestreden oordeel, in navolging van de rechtbank, op hetgeen in dit geval wordt gevorderd door de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW.
Timmerman schrijft daarover onder meer:
“(…) De redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW is een dwingende gedragsnorm voor de bij een rechtspersoon betrokkenen. Art. 2:8 BW is in de praktijk een flexibele norm. Bij datgene wat de redelijkheid en billijkheid in een bepaald geval vereist, spelen onder andere de omstandigheden van het geval een belangrijke rol. Door zijn buigzaamheid is art. 2:8 BW minder een dwingend keurslijf dan men wellicht op het eerste gezicht zou verwachten. De toepassing van art. 2:8 BW staat uiteindelijk ter beoordeling van de rechter. Die geeft aan wat de redelijkheid en billijkheid in een concreet geval vereist. Voor de toepassing van art. 2:8 BW geeft art. 3:12 BW enige houvast aan de rechter en aan de betrokken partijen.
(…)
Door zijn ruime reikwijdte is art. 2:8 BW het aanknopingspunt bij uitstek voor de toepassing van de redelijkheid en billijkheid in het rechtspersonenrecht. De redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW bepaalt in belangrijke mate de verhoudingen binnen een rechtspersoon. De redelijkheid en billijkheid is de gedragsnorm bij uitstek binnen rechtspersonen. Art. 2:8 BW kleurt het interne recht van een rechtspersoon. Zo wordt de verhouding van een bestuurder met een rechtspersoon bij gebrek aan wettelijke en statutaire bepalingen doorgaans voor een belangrijk deel door de redelijkheid en billijkheid bepaald. Ook vloeit het idee dat statuten of een besluit van een rechtspersoon naar redelijkheid moeten worden uitgelegd uit art. 2:8 BW voort. (…)
(…)
In het geval van aanvullende werking [dit betreft nog steeds art. 2:8 lid 1 BW, A-G] geldt voor degene die op grond van art. 2:8 BW naar redelijkheid en billijkheid dient te handelen een extra uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting bovenop zijn reguliere wettelijke en statutaire plichten. Uiteindelijk beslist de rechter over het bestaan van zo’n extra verplichting. (…) Voor de aanvullende werking is het voldoende, dat zulks gevorderd wordt door de redelijkheid en de billijkheid.”
Zet ik die observaties van Timmerman af tegen hetgeen het hof (uitvoerig gemotiveerd) doet in het bestreden oordeel, dan moet de conclusie luiden dat de klacht doel mist. Kort en goed: met dit sterk contextuele oordeel, dat aanspreekt, miskent het hof de werking van art. 2:8 lid 1 BW in dit geval niet. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Dan klacht b.
Ook zij biedt Qati geen soelaas.
In het bestreden oordeel respondeert het hof op grief III van Qati, voor zover gericht tegen rov. 4.9 en 4.12-4.13 van het vonnis. Die grief bevat alleen pijlen gericht op rov. 4.12 van het vonnis. Het hof vat die pijlen samen in rov. 3.19. Daarover wordt niet geklaagd.
Voor zover bij die pijlen is verwezen naar “de omstandigheden zoals geschetst in grief 2”, gaat het, naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof, om de omstandigheden die Qati direct daarvóór nog eens heeft uitgelicht bij die pijlen, wat het hof dus bestrijkt in rov. 3.19.
De klacht bevat onder (i) t/m (v) geen enkele stelling van Qati met een vindplaats in haar grief III, enkel stellingen met vindplaatsen elders in haar gedingstukken in feitelijke instanties (behoudens stelling (i), die bevat geen vindplaats).
Voor zover de stellingen (i) t/m (v) deel uitmaken van die pijlen, betrekt het hof deze dus in het bestreden oordeel. Waarom het hof dit op niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerde wijze zou doen, althans dat oordeel nog weer nader had moeten motiveren, zet de klacht niet uiteen en valt overigens ook niet in te zien.
Voor zover de stellingen (i) t/m (v) geen deel uitmaken van die pijlen, betrekt het hof deze dus niet in het bestreden oordeel, wat evenwel niet onbegrijpelijk is. Ook dienaangaande doet de klacht trouwens geen poging uiteen te zetten waarom dit dan anders zou zijn.
Hierop stuit de klacht reeds af. Zij behoeft geen verdere bespreking.
Dan klacht c.
Het is juist dat het hof in rov. 3.20 overweegt dat “[h]et enkele feit dat ooit eerder een dergelijke oproep is gedaan waaraan geen gevolg is gegeven, [niet] maakt dat die verplichting vervolgens nooit meer geldt”. Anders dan de klacht veronderstelt, zegt het hof niet dat Qati dit heeft gesteld. Deze overweging is een onderdeel van ’s hofs bredere uiteenzetting in rov. 3.20. In zoverre mist de klacht dus feitelijke grondslag in het arrest.
Voor het overige bouwt de klacht voort op klacht b, die dus faalt. Daarmee deelt in zoverre de klacht dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Tot slot klacht d.
Hiervoor geldt overeenkomstig hetgeen ik uiteenzette bij de bespreking van klacht b. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 4 faalt.
Slotsom
Het cassatiemiddel van Qati is derhalve vergeefs voorgesteld.
4 Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G