Insolventierecht

WSNP. Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van art. 288 lid 1, aanhef en…

Zaakgegevens

Op 19 december 2008 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19 december 2008
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
08/03514
ECLI
ECLI:NL:PHR:2008:BG3590
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

WSNP. Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van art. 288 lid 1, aanhef en onder b, F. wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden (81 RO).

Procesgang

  1. Hoge Raad · 19 december 2008

    ECLI:NL:HR:2008:BG3590
  2. Conclusie A-G · 19 december 2008deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2008:BG3590

Conclusie

Rekestnr. 08/03514

mr. J. Spier

Parket 31 oktober 2008

Conclusie inzake

[Verzoeker]

1. Volgens de Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft [verzoeker] (in algehele gemeenschap getrouwd met [echtgenote]) op 9 januari 2008 een verzoekschrift ingediend waarin hij heeft verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling. In haar vonnis van 8 april 2008 heeft de Rechtbank dit verzoek afgewezen. [Verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 7 augustus 2008 heeft het Hof Arnhem het bestreden vonnis bekrachtigd.

2. [Verzoeker] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Uit het verzoekschrift blijkt niet welke advocaat het heeft ondertekend. Strikt genomen kan daarom worden betwijfeld of het beroep ontvankelijk is. Ik zou over die twijfel willen heenstappen omdat 1) art. 426a Rv. niet vereist dat een advocaat wordt genoemd en 2) zowel uit de genoegzaam bekende handtekening van mr Garretsen als uit de begeleidende brief waarbij het (één dag later gedateerde) rekest is ingediend, blijkt wie de advocaat is.

3. Volgens de Rechtbank heeft [verzoeker] ter zitting verklaard dat hij samen met zijn vrouw drie verschillende horecaondernemingen heeft geëxploiteerd. In appèl wordt niet bestreden dat hij dit in prima heeft verklaard. Blijkens het proces-verbaal heeft hij in appèl verklaard dat hij samen met zijn vrouw de horeca-onderneming te [plaats] heeft gekocht.

4. Blijkens 's Hofs arrest heeft [verzoeker] in appèl geen afstand genomen van de - zoals uit de parallel-conclusie blijkt - tegenstrijdige stellingen van zijn vrouw (rov. 3). Voorts zou hij hebben verklaard dat hij de ondernemingen niet exploiteerde en dat hij er nauwelijks bemoeienis mee had (rov. 7).

5. De onder 3 en 4 vermelde stellingen betreffen het hart van de zaak. Wanneer deze haaks op elkaar staan, kán rechtens niet (meer) worden aangenomen dat aannemelijk is gemaakt dat sprake is van goede trouw als bedoeld in art. 288 lid 1 onder b Fw. Reeds hierop stuiten de klachten af, wat daarvan en van 's Hofs redengeving ook zij. Ten overvloede ga ik kort op de klachten in.

6. Onderdeel 3.8 ([verzoeker] was niet of nauwelijks bij de bedrijfsvoering betrokken) stuit af op hetgeen hierboven onder 3 is vermeld.(1) De onderdelen 3.9, 3.10, 3.13, 3.14 en 3.15 bouwen hierop voort en mislukken op dezelfde grond.

7. Voor zover onderdeel 3.11 al een klacht van [verzoeker] inhoudt, mislukt deze omdat 's Hofs oordeel in de laatste alinea van rov. 3.6, anders dan de klacht, volkomen begrijpelijk is. Bovendien wordt eraan voorbij gezien dat deze rov. ziet op [betrokkene]; de brug met [verzoeker] wordt eerst later geslagen. Ook onderdeel 3.12 loopt daarin vast.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Het strookt ook niet helemaal met hetgeen in het appèlschrift onder 4 is vermeld.