Insolventierecht
WSNP; afgewezen verzoek tot toepassing van schuldsanering (81 RO).
Parket bij de Hoge Raad, 20 februari 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BG9918 · Parket bij de Hoge Raad · 20 februari 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2009-bg9918
Zaakgegevens
Op 20 februari 2009 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 februari 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/01409
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2009:BG9918
Samenvatting
WSNP; afgewezen verzoek tot toepassing van schuldsanering (81 RO).
Procesgang
Hoge Raad · 20 februari 2009
ECLI:NL:HR:2009:BG9918Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 februari 2009deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2009:BG9918
Conclusie
08/01409
mr. L. Timmerman
Parket, 30 december 2008
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
(hierna: [verzoeker])
Verzoeker tot cassatie
Verkorte conclusie
1. In hoger beroep heeft het hof bij arrest van 20 maart 2008 de beschikking van de rechtbank van Utrecht van 30 oktober 2007, waarin de rechtbank het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afwijst, bekrachtigd.
2. Tegen het hiervoor vermelde arrest heeft [verzoeker] bij verzoekschrift -tijdig(1)- cassatieberoep ingesteld.
3.1. Het verzoekschrift bevat 2 cassatiemiddelen.
3.2. Het eerste middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het middel doelt met de verwijzing naar de ontbrekende stukken klaarblijkelijk op het ontbreken van de winst- en verliesrekening, althans op jaarcijfers van de besloten vennootschappen WBS en Coprifi. Het hof heeft evenwel zijn oordeel niet gebaseerd op de hier bedoelde ontbrekende stukken, maar op het ontbreken van een deugdelijke salarisadministratie. Vanwege de afwezigheid van een deugdelijke salarisadministratie acht het hof de verklaring van [verzoeker] dat de uitbetalingen aan hem zijn verricht wegens achterstallig salaris en onkostenvergoedingen, ongeloofwaardig. Het hof verbindt daaraan vervolgens de conclusie dat de schijn wordt gewekt dat [verzoeker] zichzelf zonder (voldoende) rechtsgrond ten koste van de crediteuren heeft bevoordeeld.
3.3. Ook het tweede middel faalt omdat het feitelijke grondslag mist. In het opgevraagde proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 6 maart 2008, is de door [verzoeker] bedoelde stelling dat tegenover de kasopnamen duidelijke en aantoonbare stortingen ten behoeve van de bedrijfsvoering hebben plaatsgehad niet terug te vinden. De hier bedoelde in cassatie opgeworpen stelling is daarom te beschouwen als een novum in cassatie, en dient te worden gepasseerd. Dit leidt ertoe dat ook alle overige klachten in het tweede middel falen.
4. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is d.d. 28 maart 2008 op de griffie van de Hoge Raad ingekomen. De cassatietermijn bedraagt acht dagen.