Insolventierecht
WSNP; tussentijdse beëindiging van toepassing van schuldsaneringsregeling zonder toekenning van een ‘schone…
Parket bij de Hoge Raad, 10 april 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BH2601 · Parket bij de Hoge Raad · 10 april 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2009-bh2601
Zaakgegevens
Op 10 april 2009 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 april 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/03881
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2009:BH2601
Samenvatting
WSNP; tussentijdse beëindiging van toepassing van schuldsaneringsregeling zonder toekenning van een ‘schone lei’; niet-ontvankelijk hoger beroep door overschrijding beroepstermijn (81 RO).
Procesgang
Hoge Raad · 10 april 2009
ECLI:NL:HR:2009:BH2601Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 april 2009deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2009:BH2601
Conclusie
08/03881
Mr L. Strikwerda
Parket, 6 febr. 2009
conclusie inzake
[Verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 september 2008. Bij dit arrest heeft het hof [verzoeker] wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 april 2008, waarbij - kort gezegd - de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] is beëindigd zonder toepassing van de schone lei.
2. Het cassatieberoep berust op één middel dat twee klachten bevat. De klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
3. Het eerste klacht van het middel (cassatierekest onder 2.3) voert aan dat (het hof heeft miskend dat) het beroepschrift hoe dan ook als tijdig ingediend moet worden aangemerkt, nu woensdag 30 april 2008 tot maandag 5 mei 2008 bijzondere dagen en feestdagen waren als bedoeld in de Algemene termijnenwet, zodat de beroepstermijn werd opgeschoven.
4. Voor zover de klacht wil betogen dat de beroepstermijn op grond van art. 1 lid 1 van de Algemene termijnenwet is verlengd, faalt zij omdat de dag waarop de hier toepasselijke beroepstermijn van art. 351 lid 1 Fw eindigde (dinsdag 6 mei 2008) niet op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag viel, zodat art. 1 lid 1 van de Algemene termijnenwet niet van toepassing is. Voor zover de klacht wil betogen dat de beroepstermijn op grond van art. 2 van de Algemene termijnenwet is verlengd, kan zij evenmin doel treffen omdat, mede gezien art. 1 van het Besluit gelijkstelling dagen in 2007 tot en met 2010 met algemeen erkende feestdag, Stcrt. 2007, 194, tussen de dag van de uitspraak van het vonnis van de rechtbank (maandag 28 april 2008) en de dag waarop de beroepstermijn eindigde (dinsdag 6 mei 2008) ten minste twee dagen voorkwamen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag waren, zodat art. 2 van de Algemene termijnenwet evenmin van toepassing is.
5. De tweede klacht van het middel (cassatierekest onder 2.4) komt erop neer dat het hof [verzoeker] de overschrijding van de beroepstermijn niet mocht tegenwerpen, aangezien het hof bij de dagbepaling van de behandeling van het beroepschrift zich niet heeft gehouden aan de door art. 351 lid 3 Fw (bedoeld is kennelijk art. 341 lid 3 (oud) Fw) voorgeschreven termijn.
6. De klacht faalt omdat de opvatting waarop zij berust blijkens HR 5 december 2008, RvdW 2009, 8, LJN BG5864 (art. 81 RO) niet als juist kan worden aanvaard.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,