Insolventierecht

Faillissementsrecht. Ontbreken van huurovereenkomst met gefailleerde (81 RO)

Zaakgegevens

Op 12 februari 2010 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12 februari 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
09/03419
ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BK7690
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Faillissementsrecht. Ontbreken van huurovereenkomst met gefailleerde (81 RO)

Procesgang

  1. Hoge Raad · 12 februari 2010

    ECLI:NL:HR:2010:BK7690
  2. Conclusie A-G · 12 februari 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2010:BK7690

Conclusie

09/03419

mr. L. Timmerman

Parket, 18 december 2009

Conclusie inzake:

1. [Verzoekster 1]

2. [Verzoekster 2]

3. [Verzoekster 3]

4. College Zorgverzekeringen

5. UWV

6. [Verzoeker 6]

(hierna: [verzoeker] c.s.)

Verzoekers tot cassatie

tegen

J.G. Princen, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement Horeca Hillegersberg B.V.

(hierna: de curator)

Verweerder in cassatie

Verkorte conclusie

1.1 Bij brief van 12 juni 2009 heeft mr. Van Broekhuijze zich namens verzoekers gericht tot de rechter-commissaris met het verzoek de curator te bevelen de (rechten uit de) door verzoekers gestelde huurovereenkomst betreffende het appartement tussen [verzoekster 1] en de gefailleerde over te dragen aan door verzoekers aangewezen derden, te weten de zoon van [verzoekster 1] ([verzoeker 6], een van de verzoekers) en een consortium van crediteuren(1).

1.2 De curator heeft zich bij brief van 23 juni 2009 aan de rechter-commissaris uitgelaten over dat verzoek. De curator stelt zich daarbij op het standpunt dat er tussen [verzoekster 1] en de gefailleerde geen huurovereenkomst bestaat, zodat hij deze ook niet kan overdragen. De curator geeft er voorts de voorkeur aan de kwestie tussen [verzoekster 1] en [betrokkene 1] buiten de boedel te laten en het faillissement op korte termijn op te heffen.

1.3 Bij beschikking van 30 juni 2009 heeft de rechter-commissaris het standpunt van de curator gevolgd en daarmee het verzoek van verzoekers afgewezen.

1.4 [Verzoeker] c.s. zijn van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij de rechtbank Rotterdam.

Bij beschikking van 21 augustus 2009 heeft de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris vernietigd voor zover betrekking hebbend op de ontvankelijkheid van [verzoekster 1] en [verzoeker 6] en, opnieuw recht doende, [verzoekster 1] en [verzoeker 6] niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek op grond van art. 69 Fw. De rechtbank bekrachtigt de beschikking van de rechter-commissaris voor het overige. Verder verklaart de rechtbank [verzoekster 1] en [verzoeker 6] niet-ontvankelijk in het verzoek tot ontslag van de curator en hun wrakingsverzoek en wijst deze verzoeken af.

1.4 Tegen deze beschikking hebben [verzoeker] c.s. tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld.

1.5 Het verzoekschrift bevat verschillende cassatiemiddelen en is gericht tegen de rov. 3.6, 3.8 en 3.9.

De middelen klagen voornamelijk over de begrijpelijkheid van de overweging van de rechtbank voor zover de rechtbank heeft overwogen dat niet vast staat dat er een huurovereenkomst bestaat tussen [verzoekster 1] en de failliet en indien er wel een huurovereenkomst bestaat het de vraag is of de boedel met overdracht van de overeenkomst gebaat zou zijn.

1.6 De rechtbank heeft overwogen dat niet vast staat dat er een huurovereenkomst bestaat tussen de gefailleerde en [verzoekster 1]. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat niet aannemelijk is dat het boedel- en/of crediteursbelang gediend zou zijn met een overdracht van (rechten uit) de gestelde huurovereenkomst. Uit het magere dossier dat in cassatie overgelegd is(3), blijkt mijns inziens dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk is.

1.7 Zoals [verzoekster 1] zelf aangeeft in haar pleitnotitie bestond er een alimentatie-uitvoeringsovereenkomst tussen [betrokkene 2] en [verzoekster 1] waardoor [verzoekster 1] praktisch gratis kon blijven wonen. De curator heeft die overeenkomst vernietigd en vervolgens is [verzoekster 1] pas huur aan Hillegersberg B.V. gaan betalen. Volgens de curator is er echter geen schriftelijk bewijs van de afspraken tussen [verzoekster 1] en [betrokkene 2] en is de huurovereenkomst niet door [betrokkene 2] ondertekend. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat de rechtbank geoordeeld heeft dat niet vast staat dat er sprake is van een huurovereenkomst. Het middel faalt mitsdien.

1.8 Nu het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bestaan van de huurovereenkomst niet onbegrijpelijk is, falen ook alle andere klachten. Deze behoeven hier dan ook geen bespreking meer.

2. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie voor de feiten en procesverloop de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 augustus 2009 onder 1.1 tot en met 2.7. De brieven met bijlagen en de beschikking van de Rechter-Commissaris van 30 juni 2009 ontbreken in het dossier.

2 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 28 augustus 2009.

3 In cassatie zijn enkel de pleitnota van verzoekers, het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam, de beschikking van de rechtbank Rotterdam, het cassatieverzoekschrift, een tweetal faxberichten en toevoegingsbescheiden overgelegd.