Insolventierecht

WSNP. Verzoek om toepassing schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van art. 288 lid 1, aanhef en onder b…

Parket bij de Hoge Raad, 26 maart 2010

Zaakgegevens

Op 26 maart 2010 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26 maart 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
09/03980
ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BL3264
E-mail

Samenvatting

WSNP. Verzoek om toepassing schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van art. 288 lid 1, aanhef en onder b F. (81 RO).

Procesgang

  1. Hoge Raad · 26 maart 2010

    ECLI:NL:HR:2010:BL3264
  2. Conclusie A-G · 26 maart 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2010:BL3264

Conclusie

09/03980

mr Spier

Parket 2 februari 2010

Verkorte conclusie inzake

[Verzoeker]

1. Het Hof Amsterdam heeft bij arrest van 22 september 2009 het vonnis van de Rechtbank Haarlem bekrachtigd waarbij het verzoek van [verzoeker] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Tegen dit arrest is tijdig beroep in cassatie ingesteld.

2. Volgens het Hof heeft [verzoeker] onvoldoende aannemelijk gemaakt bij het ontstaan/onbetaald laten van (een deel van) de schulden te goeder trouw te zijn geweest. Het Hof doelt daarbij vooral op een schuld aan het Waarborgfonds en een lening aan ABN AMRO. Onvoldoende onderbouwd is dat zich een situatie als bedoeld in art. 288 lid 3 Fw. voordoet (rov. 2.3).

3. De onderdelen 2-2.3 behelzen geen klachten (die aan de daaraan te stellen eisen voldoen). Onderdeel 2.4 mist feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat het Hof ten nadele van [verzoeker] rekening houdt met de CJIB-boetes. Ten aanzien van de schuld aan het Waarborgfonds gaat het Hof klaarblijkelijk uit van het door [verzoeker] genoemde bedrag waarover het - niet bestreden - oordeelt dat sedert 2007 daarop niet meer is afgelost.

4. Onderdeel 2.5 is onbegrijpelijk. In elk geval wordt eraan voorbijgezien dat het Hof uitlegt waarom [verzoeker] meer had kunnen (en daarom ook had moeten) aflossen op de schuld aan het Waarborgfonds in plaats van dit geld te besteden aan onder meer een huwelijksfeest. Ook onderdeel 2.7, voor zover al begrijpelijk, loopt hierop stuk.

5. Voor zover onderdeel 2.6 ertoe strekt dat iedere betaling meebrengt dat een schuldenaar te goeder trouw is, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het iets anders bedoelt te zeggen, is het onbegrijpelijk.

6. Onderdeel 2.8, reppend over "de stukken van het geding", voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.

7. Onderdeel 2.9 mist feitelijke grondslag. Volkomen duidelijk is welke schulden het Hof [verzoeker] aanrekent: de lening, voor zover aangegaan voor - in de omstandigheden van het geval - niet aangewezen uitgaven en de schuld aan het Waarborgfonds.

8. Onderdeel 2.10 miskent dat het Hof - in cassatie niet bestreden - heeft geoordeeld dat [verzoeker] zijn goede trouw, als bedoeld onder 2, moet aantonen en dat hij dit onvoldoende heeft gedaan. Ook onderdeel 2.11 ziet hieraan voorbij.

9. Onderdeel 2.12 is onbegrijpelijk en mist bovendien belang in het licht van hetgeen onder 8 is vermeld.

10. Onderdeel 2.13 voegt niets nieuws toe en faalt op de hiervoor genoemde gronden.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procueur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal