Insolventierecht

WSNP. Tussentijdse beëindiging toepassing schuldsanering wegens o.m. het laten ontstaan van een nieuwe schuld…

Parket bij de Hoge Raad, 18 juni 2010

Zaakgegevens

Op 18 juni 2010 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18 juni 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
10/00598
ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BM5128
E-mail

Samenvatting

WSNP. Tussentijdse beëindiging toepassing schuldsanering wegens o.m. het laten ontstaan van een nieuwe schuld en het niet-voldoen aan de afdrachtplicht door schuldenaar (art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F.). (81 RO)

Procesgang

  1. Hoge Raad · 18 juni 2010

    ECLI:NL:HR:2010:BM5128
  2. Conclusie A-G · 18 juni 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2010:BM5128

Conclusie

Reknr. 10/00598

mr J. Spier

Parket 12 april 2010

Conclusie inzake

[Verzoeker 1] en [verzoekster 2]

(hierna: [verzoeker] c.s.)

1. In zijn arrest van 9 februari 2010 heeft het Haagse Hof het vonnis van de Haagse Rechtbank van 10 december 2009 bekrachtigd. In dat vonnis is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] c.s. beëindigd.

2. Blijkens een aantekening in het griffiedossier zou tegen dit arrest op 16 februari 2010 per fax cassatieberoep zijn ingesteld.

3. Het Hof baseert zijn oordeel op een aantal gronden. Deze kunnen 's Hofs oordeel ieder zelfstandig dragen. Nu in cassatie niet wordt bestreden dat [verzoeker] c.s. een nieuwe schuld hebben laten ontstaan, terwijl zij hebben nagelaten relevante inkomsten af te dragen (wat er, zo voeg ik toe, op wijst dat er geen noodzaak bestond om een nieuwe schuld te laten ontstaan) missen de klachten belang. Ten overvloede: (ook) uit het in appel in geding gebrachte verslag van de schuldhulpverlener van de gemeente Voorburg blijkt het gebrek aan medewerking van [verzoeker] c.s. De exegese in het cassatierekest op blz. 3 na "In deze valt op" is naast onbegrijpelijk niet ter zake dienend omdat een en ander bij de mondelinge behandeling ten Hove aan de orde is geweest zodat het Hof met deze stelling rekening kon houden.

4. De klachten die scharnieren om het beweerdelijk hebben voldaan aan de informatieplicht over sollicitaties en medische keuring zien eraan voorbij dat 's Hofs oordeel daarop uitdrukkelijk niet is gebaseerd (rov. 3.5).

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal