Insolventierecht

Faillissementsrecht. Kring der gerechtigden die zich kan verzetten tegen de uitdelingslijst, art. 184 F. (81 RO).

Parket bij de Hoge Raad, 15 oktober 2010

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2010 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15 oktober 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
10/02167
ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BO0412
E-mail

Samenvatting

Faillissementsrecht. Kring der gerechtigden die zich kan verzetten tegen de uitdelingslijst, art. 184 F. (81 RO).

Procesgang

  1. Hoge Raad · 15 oktober 2010

    ECLI:NL:HR:2010:BO0412
  2. Conclusie A-G · 15 oktober 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2010:BO0412

Conclusie

10/02167

Mr. L. Timmerman

Parket: 23 juli 2010

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

verzoekster tot cassatie,

Verkorte conclusie

1.1 Bij beschikking van 20 mei 2010 heeft de rechtbank 's-Gravenhage [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om het uit te keren bedrag te verlagen met € 4.328,-. De rechtbank komt - kort gezegd - tot dit oordeel omdat [verzoekster] niet tot de kring der gerechtigden ingevolg art. 184 Fw behoort die zich kan verzetten tegen de uitdelingslijst.

1.2 Tegen dit arrest heeft [verzoekster] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.

1.3 Het verzoekschrift bevat 1 cassatiemiddelen dat faalt.

Het middel betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [verzoekster] niet tot de kring der gerechtigden behoort. Volgens het middel kunnen ingevolge art. 349 lid 5 Fw in samenhang met art. 186 Fw ook niet-geverifieerde schuldeisers verzet indienen tegen de slotuitdelingslijst.

1.4 Art. 186 Fw bepaalt dat een niet-geverifieerde schuldeiser verzet kan doen met als doel geverifieerd te worden. De schuldeiser moet dan (i) uiterlijk twee dagen voor de dag, waarop het verzet zal worden behandeld, de vordering bij de curator indienen, (ii) een afschrift daarvan bij het bezwaarschrift voegen en (iii) bij dit bezwaarschrift tevens het verzoek doen geverifieerd te worden. Uit de stukken blijkt niet dat [verzoekster] aan deze voorwaarden heeft voldaan. [Verzoekster] heeft enkel een bezwaarschrift ingediend in de zin van art. 184 Fw. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat [verzoekster] geen schuldeiser is in de zin van dat artikel.

1.5 M.i. stond er voor [verzoekster] een andere rechtsweg open. Art. 317 Fw verleent aan de schuldenaar onder andere de mogelijkheid om bij de rechter-commissaris een bevel uit te lokken dat de bewindvoerder een bepaalde handeling zal verrichten. Langs deze weg had [verzoekster] mogelijk kunnen bewerkstelligen dat het bedrag van de boedelrekening waarop zij meende recht te hebben aan haar zouden worden uitgekeerd.

2. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieverzoek.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 28 mei 2010, overeenkomstig de in art. 187 lid 1 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.