Insolventierecht
WSNP. Beëindiging zonder schone lei op de voet van art. 350 lid 3, onder c, F. Onmiddellijke werking van de…
ECLI:NL:PHR:2011:BP5600 · Parket bij de Hoge Raad · 15 april 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2011-bp5600
Zaakgegevens
Op 15 april 2011 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 april 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/00823
- Rechtsgebied
- Civiel recht Insolventierecht
- Advocaat
- mr. P. Garretsen.
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2011:BP5600
Samenvatting
WSNP. Beëindiging zonder schone lei op de voet van art. 350 lid 3, onder c, F. Onmiddellijke werking van de bij Wet van 24 mei 2007, Stb. 2007/192, ingevoerde vernieuwingen van, onder meer, art. 350 lid 3 F. (81 RO)
Procesgang
Hoge Raad · 15 april 2011
ECLI:NL:HR:2011:BP5600Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 15 april 2011deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2011:BP5600
Conclusie
Zaaknummer: 10/00823
mr. Wuisman
Parketdatum: 18 februari 2011
CONCLUSIE inzake:
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
1. Voorgeschiedenis
1.1 Bij vonnis d.d. 25 april 2007 is door de rechtbank Amsterdam de wettelijke schuldsaneringsregeling op verzoeker tot cassatie van toepassing verklaard. De rechtbank heeft de regeling bij vonnis d.d. 16 december 2009 onder toepassing van artikel 350, lid 1 en lid 3 sub c Fw tussentijds beëindigd zonder verlening van een 'schone lei'. Bij arrest d.d. 19 februari 2010 heeft het hof te Amsterdam dit vonnis bekrachtigd. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] onder meer niet aan zijn informatie- en sollicitatieverplichting heeft voldaan, ook niet na de op 2 februari 2009 met de rechter-commissaris gemaakte afspraken. Verder acht het hof niet voldoende aannemelijk gemaakt dat [verzoeker] alsnog in staat zal zijn zich aan zijn verplichtingen te houden en in staat zal zijn binnen redelijke termijn de achterstand in de voldoening van de boedelbijdrage alsmede de huurschuld in te lopen (rov. 2.3).
1.2 Tegen het arrest van het hof is met een per 1 maart 2010 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift beroep in cassatie ingesteld.((1))
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1 Er worden twee cassatiemiddelen voorgedragen. Aan beide middelen ligt de onjuiste rechtopvatting ten grondslag dat door het hof niet toepassing had moeten worden gegeven aan artikel 350 lid 3 FW zoals het sedert 1 januari 2008 geldt, maar zoals het voordien luidde; zie het verzoekschrift, sub 3.2 en 3.3 alsmede 4.2, 4.8 en 4.11. Uit het de overgangsregeling bevattende artikel IV van de Wet van 24 mei 2007, Stb 2007, nr. 192 volgt dat aan de met die wet ingevoerde vernieuwingen van de wettelijke schuldsaneringsregeling onmiddellijke werking toekomt voor zover niet anders bepaald. Ten aanzien van het vernieuwde lid 3 sub c van artikel 350 FW is niet anders bepaald. Doordat de twee cassatiemiddelen op een onjuiste rechtsopvatting rusten, kunnen zij geen doel treffen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1. Doordat de achtste dag van de cassatietermijn een zaterdag was (27 februari 2010), kon het cassatieberoep nog op 1 maart 2010 tijdig worden ingesteld.