Insolventierecht

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling; art. 350 Fw.

Zaakgegevens

Op 1 februari 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
1 februari 2013
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
12/05195
ECLI
ECLI:NL:PHR:2013:BY7636
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling; art. 350 Fw.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 1 februari 2013

    ECLI:NL:HR:2013:BY7636
  2. Conclusie A-G · 1 februari 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2013:BY7636

Conclusie

12/05195

Mr. L. Timmerman

Parket: 14 december 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

1. De rechtbank Haarlem heeft bij vonnis van 6 september 2011, in samenspraak met de curator, een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het op 12 april 2011 onder nummer 11/186 F uitgesproken faillissement van [verzoeker], voorheen h.o.d.n. Zeven-en-Vijf, onder het gelijktijdig uitspreken van de schuldsaneringsregeling. Op 10 juli 2012 heeft de (waarnemend) bewindvoerder verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen vanwege schending van een of meer voor [verzoeker] uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en het doen of laten ontstaan van nieuwe bovenmatige schulden.

2. Bij vonnis van 28 augustus 2012 heeft de rechtbank Haarlem de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd wegens schending van de informatie- en de sollicitatieplicht en onthouding van medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Daarbij merkte de rechtbank op dat [verzoeker] nieuwe bovenmatige schulden had laten ontstaan. [Verzoeker] was niet ter zitting verschenen om de reden hiervan uit te leggen. In het hiertegen ingestelde hoger beroep heeft het hof Amsterdam bij arrest van 1 november 2012 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Hiervan is [verzoeker] tijdig(1) in cassatie gekomen. De stellingen die in cassatie te berde worden gebracht met betrekking tot de sollicitatieplicht, het ontstaan van nieuwe schulden en de taak van de bewindvoerder getuigen alle van een onjuiste rechtsopvatting (om niet te zeggen: van een gebrek aan (ook maar enig) inzicht in de in het kader van de schuldsaneringsprocedure te stellen eisen). De klachten kunnen dan ook klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

Ik concludeer tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Bij op 8 november 2012 per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen.