Insolventierecht
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling; art. 350 Fw.
ECLI:NL:PHR:2013:BY7637 · Parket bij de Hoge Raad · 1 februari 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2013-by7637
Zaakgegevens
Op 1 februari 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 februari 2013
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 12/05223
- Rechtsgebied
- Civiel recht Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:BY7637
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling; art. 350 Fw.
Procesgang
Hoge Raad · 1 februari 2013
ECLI:NL:HR:2013:BY7637Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 februari 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:BY7637
Conclusie
12/05223
Mr. L. Timmerman
Parket: 14 december 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
Bij vonnis van 20 februari 2012 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van [verzoeker]. Bij vonnis d.d. 4 september 2012 heeft de rechtbank Zutphen de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder tussentijds beëindigd zonder verlening van schone lei op de grond dat (i) [verzoeker] nieuwe schulden heeft laten ontstaan - waaronder CJIB-schulden - die hij naar verwachting niet zal kunnen inlopen voor de afloop van de schuldsaneringstermijn, (ii) [verzoeker] niet in staat is gebleken de schuldsaneringsverplichtingen naar behoren na te komen en (iii) feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek al bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen. Het hof Arnhem heeft dit vonnis bij arrest d.d. 5 november 2012 bekrachtigd, waaraan het heeft toegevoegd dat in appel een schuld boven water was gekomen die ten tijde van de toelating niet was gemeld, die niet te goeder trouw was ontstaan en gelet op het preferente karakter daarvan en het feit dat deze schuld een zeer substantieel deel uitmaakt van de totale schuldenlast in elk geval aan toewijzing van het toelatingsverzoek in de weg zou hebben gestaan. Bij een op 10 november 2012 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift is [verzoeker] hiervan tijdig - binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen - in cassatie gekomen. Daarin worden twee cassatiemiddelen voorgedragen die klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De omstandigheden die worden aangevoerd in het eerste middel, nopen niet tot een ander oordeel. Het tweede middel loopt reeds spaak op de informatieplicht die op [verzoeker] rust. Ik concludeer dan ook tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G