Insolventierecht
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Verzoek toelating schuldsaneringsregeling; art. 288 lid 1 Fw.
ECLI:NL:PHR:2013:BY8591 · Parket bij de Hoge Raad · 8 februari 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2013-by8591
Zaakgegevens
Op 8 februari 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 februari 2013
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 12/05346
- Rechtsgebied
- Civiel recht Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:BY8591
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Verzoek toelating schuldsaneringsregeling; art. 288 lid 1 Fw.
Procesgang
Hoge Raad · 8 februari 2013
ECLI:NL:HR:2013:BY8591Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 februari 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:BY8591
Conclusie
12/05346
Mr. L. Timmerman
Parket: 21 december 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
Bij verzoekschrift van 7 mei 2012 heeft [verzoeker] om toepassing van de schuldsaneringsregeling gevraagd. Bij vonnis van 25 juni 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek afgewezen. Het vonnis ontbreekt tussen de in cassatie gefourneerde stukken. Het hof 's-Gravenhage heeft het vonnis bij arrest van 13 november 2012 bekrachtigd. [Verzoeker] is hiervan bij verzoekschrift van 20 november 2012 tijdig - binnen de in art. 292 lid 6 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen - in beroep gekomen. In cassatie klaagt [verzoeker] over 's hofs oordeel dat hij niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van zijn schulden. De onderdelen gaan uit van een onjuiste lezing van het arrest alsmede van een onjuist begrip van de vereiste goede trouw. Het hof heeft terecht geoordeeld - in mijn woorden - dat schulden niet van "kleur" verschieten (van "niet-te-goeder-trouw" naar "te-goeder-trouw"), in het geval dat CJIB-schulden door een derde aan het CJIB worden voldaan waarbij een nieuwe schuld aan die derde ontstaat. Met name onderdeel II miskent dat de grond waarin die nieuwe schuld wortelt, geen andere is dan die waarin de CJIB-schulden ontstonden. Onderdeel III miskent dat [verzoeker] naar het oordeel van het hof juist niet "buiten zijn schuld in een uitzichtloze financiële positie" is geraakt. De omstandigheden die door de onderdelen worden aangevoerd, nopen - voor zover ze al hout snijden - niet tot een ander oordeel.
Ik concludeer tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G