Insolventierecht
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Afwijzing toelatingsverzoek; ontbreken goede trouw; onaannemelijkheid toestand van…
Parket bij de Hoge Raad, 1 maart 2013
ECLI:NL:PHR:2013:BY8594 · Parket bij de Hoge Raad · 1 maart 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2013-by8594
Zaakgegevens
Op 1 maart 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 maart 2013
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 12/05340
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:BY8594
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Afwijzing toelatingsverzoek; ontbreken goede trouw; onaannemelijkheid toestand van niet kunnen voortgaan met betalen van schulden.
Procesgang
Hoge Raad · 1 maart 2013
ECLI:NL:HR:2013:BY8594Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 maart 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:BY8594
Conclusie
12/05340
Mr. L. Timmerman
Parket: 21 december 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
Bij verzoekschrift van 4 januari 2012 heeft [verzoeker] om toelating tot de schuldsaneringsregeling verzocht. Bij vonnis van 15 juni 2012 heeft de rechtbank Rotterdam het verzoek afgewezen op de grond dat [verzoeker] de schuld aan de Nederlandse Voorschotbank niet te goeder trouw is aangegaan. Op het daarvan door [verzoeker] ingestelde hoger beroep heeft het hof 's-Gravenhage bij arrest van 13 november 2012 het vonnis bekrachtigd. Dat doet het hof niet alleen vanwege de ontbrekende goede trouw, maar omdat niet aannemelijk zou zijn geworden dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden (art. 288 lid 1 onder a Fw). Tegen dit arrest heeft [verzoeker] bij verzoekschrift d.d. 20 november 2012 tijdig - binnen de in art. 292 lid 6 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen - cassatie ingesteld. Het cassatieberoep loopt stuk op art. 80a RO. Het hof heeft terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat [verzoeker] niet in staat is zijn schulden af te lossen. Voor zover de (in het geheel niet gestaafde) in cassatie gestelde wijziging in de aflossingscapaciteit van [verzoeker] al juist is, ligt het op de weg van [verzoeker] om in contact met de bank te treden vanwege die wijziging. Hoe dan ook, die wijziging is onvoldoende reden om het arrest van het hof te casseren. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
Ik concludeer tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G