Insolventierecht
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging toepassing schuldsaneringsregeling; art. 350 lid 3, onder c, Fw.
ECLI:NL:PHR:2013:CA1231 · Parket bij de Hoge Raad · 17 mei 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2013-ca1231
Zaakgegevens
Op 17 mei 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 mei 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- 13/01697
- Rechtsgebied
- Civiel recht Insolventierecht
- Advocaat
- mr. R.P.A. Pohlkamp.
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:CA1231
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging toepassing schuldsaneringsregeling; art. 350 lid 3, onder c, Fw.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 mei 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:CA1231
Hoge Raad · 28 juni 2013
ECLI:NL:HR:2013:53Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Zaaknummer: 13/01697 (WSNP)
mr. Wuisman
Rolzitting: 17 mei 2013
CONCLUSIE inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. R.P.A. Pohlkamp.
1. Voorgeschiedenis
1.1 Bij beschikking d.d. 13 juli 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage de schuldsaneringsregeling, waartoe verzoekster bij vonnis d.d. 25 januari 2011 was toegelaten, op voordracht van de rechter-commissaris voortijdig beëindigd. Het hof 's-Gravenhage heeft deze beschikking bekrachtigd bij beschikking van 28 maart 2013. Het hof is van oordeel dat verzoekster tot cassatie in de nakoming van de volgende voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten:
1. de afdrachtverplichting waardoor een boedelachterstand van € 1.514,50 is ontstaan;
2. de sollicitatieverplichting teneinde tot een voltijdbaan of een aanvullende baan te komen;
3. de verplichting om geen nieuwe schulden te doen ontstaan;
4. de verplichting om niet buiten de bewindvoerder om zelf op enkele onder de schuldsaneringsregeling vallende schulden af te lossen.
Omtrent de schending van de onder 4. genoemde verplichting overweegt het hof in rov. 5 onder meer: "Dit is gelet op het gedurende de schuldsaneringsregeling geldende fixatiebeginsel niet toegestaan en leidt tot benadeling van de overige schuldeisers. Gesteld noch gebleken is dat de bewindvoerder hierin is gekend. Ook dit rechtvaardigt beëindiging van de regeling."
1.2 Verzoekster tot cassatie is van de beschikking van het hof in cassatie gekomen met een op 2 april 2013 en daarmee tijdig bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1 Er wordt een algemene motiveringsklacht aangevoerd die in de toelichting nader wordt uitgewerkt.
2.2 Zoals blijkt uit het hierboven onder 1.1 weergegeven citaat met betrekking tot de schending van de onder 4 genoemde verplichting, beschouwt het hof die schending als een zelfstandige grond voor de voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Hoewel die grond als ten overvloede wordt aangevoerd, kan zij toch de voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten volle dragen. In cassatie wordt deze grond niet bestreden. Dit brengt mee dat, ook indien de andere door het hof aangevoerde gronden voor de bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank in cassatie terecht zouden worden bestreden, de beschikking van het hof in stand blijft. Dit betekent dat het cassatieberoep klaarblijkelijk geen doel treft en derhalve niet-ontvankelijk is te achten op grond van artikel 80 RO.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden