Insolventierecht
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging op de voet van art. 350 lid 3, onder f, in verbinding met…
Parket bij de Hoge Raad, 31 oktober 2014
ECLI:NL:PHR:2014:2113 · Parket bij de Hoge Raad · 31 oktober 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2014-2113
Zaakgegevens
Op 31 oktober 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 oktober 2014
- Datum publicatie
- 21 november 2014
- Zaaknummer
- 14/04759
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:2113
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging op de voet van art. 350 lid 3, onder f, in verbinding met art. 288 lid 2 , onder d, Fw; niet vermelden in verzoekschrift van eerdere toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 11 september 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:7111Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 oktober 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:2113
Hoge Raad · 19 december 2014
ECLI:NL:HR:2014:3682Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
14/04759 |
Mr. L. Timmerman |
|
Zitting 31 oktober 2014 |
|
|
Conclusie inzake: |
|
|
[verzoekster], |
|
|
verzoekster tot cassatie |
1. Bij vonnis van 21 juli 2014 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo op voordracht van de rechter-commissaris de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, die op 17 september 2013 ten aanzien van verzoekster tot cassatie (“[verzoekster]”) was uitgesproken, tussentijds beëindigd. In het door [verzoekster] hiertegen ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden bij arrest van 11 september 2014 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof overwogen dat voldoende is gebleken dat de schuldsaneringsregeling reeds eerder ten aanzien van [verzoekster] van toepassing is geweest en dat deze is beëindigd zonder verlening van de schone lei en dat [verzoekster] in haar verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling had moeten melden dat de schuldsaneringsregeling reeds eerder ten aanzien van haar van toepassing is geweest.
2. Namens [verzoekster] is op 19 september 2014 tijdig een cassatieverzoekschrift ingediend. Het eerste en enige onderdeel bevat de klacht dat het hof met zijn oordeel de reikwijdte van art. 288 lid 2, sub d Fw jo. art. 350 lid 3, sub f Fw miskent en dat zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Voornoemde wettelijke bepalingen zien op de situatie waarin de eerdere schuldsaneringsregeling destijds was beëindigd op grond van nieuw ontstane schulden die de schuldenaar niet waren toe te rekenen. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet ingaat op de stellingen van [verzoekster] met betrekking tot haar psychiatrische aandoening en haar stelling dat het juist zij is geweest die actie heeft ondernomen richting bewindvoerder tot beëindiging van de eerdere schuldsaneringsregeling.
3. Het onderdeel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, omdat het feitelijke grondslag mist. Het hof gaat namelijk wel degelijk in op de stellingen van [verzoekster] met betrekking tot haar psychische stoornis en haar stelling dat de schuldsaneringsregeling op haar eigen verzoek is beëindigd. Het hof overweegt echter dat [verzoekster] in het beroepschrift ten onrechte heeft vermeld dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling op haar eigen verzoek is beëindigd. Het hof overweegt voorts dat het voorbijgaat aan de stelling van [verzoekster] dat gezien haar psychische stoornis zij niet verwijtbaar had gehandeld en daarom de eerdere schuldsaneringsregeling op onjuiste gronden is beëindigd. Het desbetreffende beëindigingsvonnis is (aldus het hof) onherroepelijk geworden en kan nu niet ter discussie worden gesteld. Het hof miskent hiermee voornoemde bepalingen niet en zijn oordeel is voldoende gemotiveerd.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G L. Timmerman