Insolventierecht
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Beëindiging schuldsanering zonder schone lei. Feitelijke grondslag.
ECLI:NL:PHR:2014:351 · Parket bij de Hoge Raad · 25 april 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2014-351
Zaakgegevens
Op 25 april 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 april 2014
- Datum publicatie
- 1 mei 2014
- Zaaknummer
- 14/01667
- Rechtsgebied
- Civiel recht Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:351
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Beëindiging schuldsanering zonder schone lei. Feitelijke grondslag.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 25 maart 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:1609Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 april 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:351
Hoge Raad · 13 juni 2014
ECLI:NL:HR:2014:1389Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
14/01667 |
Mr. L. Timmerman |
|
Zitting 25 april 2014 |
|
|
Conclusie inzake: |
|
|
[verzoekster], verzoekster tot cassatie, |
|
|
(hierna [verzoekster]). |
1. In deze schuldsaneringszaak heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 28 januari 2014 de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] beëindigd zonder toekenning van de zogenoemde schone lei. In hoger beroep is deze beslissing bekrachtigd door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 25 maart 2014.
2 Daartoe overwoog het hof kort gezegd dat [verzoekster] gedurende de schuldsaneringsregeling is tekortgeschoten in de nakoming van diverse uit die regeling voortvloeiende verplichtingen (rov. 2.12), waaronder de verplichtingen om tijdig en zowel gevraagd als ongevraagd de bewindvoerder van informatie te voorzien (rov. 2.13), ten minste viermaal per maand te solliciteren naar betaald werk in aanvulling op de door haar reeds verrichte werkzaamheden (rov. 2.14) en geen nieuwe (aanzienlijke) schulden (rov. 2.15) of een boedelachterstand te laten ontstaan (rov. 2.16). Volgens het hof zijn deze tekortkomingen [verzoekster] bovendien toe te rekenen, omdat zij zelf de verantwoordelijkheid draagt voor het welslagen van de schuldsaneringsregeling en om zo nodig de hulp van derden in te roepen, het niet aannemelijk is dat de psychische problemen daaraan in de weg stonden en zij de bewindvoerder tijdig van haar problemen op de hoogte had moeten brengen; onvoldoende aannemelijk is dat [verzoekster] haar problemen afdoende onder controle heeft gekregen, zodat er, ook bij een eventuele verlenging van de duur van de schuldsaneringsregeling, niet voldoende vertrouwen bestaat dat nakoming van de verplichtingen gewaarborgd is (rov. 2.17).
3 [verzoekster] heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. Het op 29 maart 2014 en derhalve tijdig ingekomen verzoekschrift omvat één onderdeel dat in essentie twee klachten aanvoert: (i) het hof zou in rov. 2.17 ten onrechte niet (expliciet) hebben beoordeeld of de tekortkomingen een duidelijke aanwijzing vormen dat bij verzoeker de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt, althans niet of onvoldoende hebben gemotiveerd waarom voldoende vertrouwen in nakoming van de verplichtingen de tekortkomingen ontbreekt, en (ii) [verzoekster] zou wel degelijk (deels) aan haar verplichtingen hebben voldaan.
4 De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Klacht (i) ontbeert feitelijke grondslag aangezien het hof in rov. 2.17 op toereikende en voldoende begrijpelijke wijze is ingegaan op de verwijtbaarheid van de geconstateerde tekortkomingen en daarmee eveneens heeft onderzocht of de tekortkomingen in het licht van de omstandigheden van het geval een duidelijke aanwijzing vormen dat bij [verzoekster] de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Met klacht (ii) miskent de steller van het middel dat in cassatie niet met succes kan worden geklaagd over de juistheid van de door het hof vastgestelde feiten.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G