Insolventierecht
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling.
ECLI:NL:PHR:2014:352 · Parket bij de Hoge Raad · 25 april 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2014-352
Zaakgegevens
Op 25 april 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 april 2014
- Datum publicatie
- 1 mei 2014
- Zaaknummer
- 14/01733
- Rechtsgebied
- Civiel recht Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:352
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 april 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:352
Hoge Raad · 13 juni 2014
ECLI:NL:HR:2014:1406Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak · 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:2494Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
14/01733 |
Mr. L. Timmerman |
|
Zitting 25 april 2014 |
|
|
Conclusie inzake: |
|
|
[verzoeker], verzoeker tot cassatie, |
|
|
(hierna [verzoeker]). |
1. Bij vonnis van 7 januari 2014 heeft de rechtbank Overijssel (zittingsplaats Almelo) op voordracht van de rechter-commissaris de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, die op 12 maart 2013 ten aanzien van [verzoeker] was uitgesproken, tussentijds beëindigd. In het door [verzoeker] hiertegen ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 27 maart 2014 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof onder meer en kort gezegd overwogen dat [verzoeker] gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling op verwijtbare gronden de als essentieel aan te merken informatie- en sollicitatieverplichting in onvoldoende mate is nagekomen, en voor de subsidiair door [verzoeker] verzochte verlenging van de duur van de schuldsaneringsregeling geen plaats is gezien de ernst van de aan [verzoeker] gemaakte verwijten.
2 Namens [verzoeker] is op 2 april 2014 tijdig een cassatieverzoekschrift ingediend. Zie ik het goed, dan luidt de essentie van de in onderdeel 1 geformuleerde klacht dat het hof miskend heeft dat de tussentijdse beëindiging, althans de afwijzing van de verzochte verlenging, meebrengt dat [verzoeker] in een uitzichtloos faillissement terechtkomt. Onderdeel 2 bouwt daarop voort en betoogt dat er in het bedoelde uitzichtloze faillissement een volstrekt ongereguleerde situatie zal ontstaan waarin strijd dreigt op te treden met art. 3 en 6 EVRM, art. 47 Handvest van de EU, het recht van toegang tot de rechter en andere essentiële aan de basis van de democratie liggende beginselen, in welk licht het hof de duur van de schuldsaneringsregeling had moeten verlengen.
3 De onderdelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Het hof heeft zijn oordeel gegrond op de geconstateerde toerekenbare tekortkomingen. Onderdeel 1 gaat volledig langs deze dragende gronden heen. Het stuit af op een gebrek aan belang, maar ook op het gegeven dat de geconstateerde toerekenbare tekortkomingen niet worden weggenomen door het feit dat een faillissement(sverzoek) na beëindiging van de schuldsaneringsregeling in beeld kan komen (vgl. art. 3 en 3a Fw). Het op dit onderdeel voortbouwende onderdeel 2 faalt in het kielzog ervan. Daarbij teken ik aan dat de afwijzing van de subsidiair gevorderde verlenging geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd.
4 Ik hecht eraan op te merken dat de steller van het middel onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarin de onjuistheid of onbegrijpelijkheid van het bestreden oordeel nu precies is gelegen. Uit art. 407 lid 2 Rv vloeit voort dat een rechtsklacht met bepaaldheid en precisie dient in te houden welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden, terwijl een motiveringsklacht met bepaaldheid en precisie dient te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Het middel komt m.i. gevaarlijk dicht tegen deze grenzen aan.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G