Insolventierecht

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging. Aan het middel te stellen eisen.

Parket bij de Hoge Raad, 16 mei 2014

Zaakgegevens

Op 16 mei 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16 mei 2014
Datum publicatie
28 mei 2014
Zaaknummer
14/01871
ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:440
E-mail

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging. Aan het middel te stellen eisen.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 1 april 2014

    ECLI:NL:GHAMS:2014:1751
  2. Conclusie A-G · 16 mei 2014deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2014:440

  3. Hoge Raad · 27 juni 2014

    ECLI:NL:HR:2014:1548

    Conclusie gevolgd · Niet ontvankelijk

Conclusie

14/01871

Mr. L. Timmerman

Zitting 16 mei 2014

Conclusie inzake:

[verzoekster],

verzoekster tot cassatie,

(hierna [verzoekster]).

1. Het voorliggende cassatieberoep richt zich tegen de beslissing van het gerechtshof Amsterdam (arrest van 1 april 2014) om de in eerste aanleg uitgesproken tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (vonnis van 29 januari 2014) te bekrachtigen. Het hof was met de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van verscheidene uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

2 Het cassatieverzoekschrift dat namens [verzoekster] door mr. P.A. van der Waal op 9 april 2014 is ingediend voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, aangezien het niet is ingediend noch is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek is hersteld door indiening op 11 april 2014, derhalve binnen twee weken, van hetzelfde verzoekschrift met ondertekening door een advocaat bij de Hoge Raad (vgl. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:BI0773).

3 Beide in het verzoekschrift opgeworpen middelen voldoen evenwel niet aan de eraan te stellen eisen. De middelen bevatten motiveringsklachten die niet met bepaaldheid en precisie vermelden welke beslissing of overweging uit het uitvoerig gemotiveerde arrest van het hof onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom. Voorts zijn de motiveringsklachten gebaseerd op stellingen die in feitelijke instanties zijn aangevoerd, maar zijn de vindplaats(en) van die stellingen in de stukken van het geding niet vermeld. Het gevolg hiervan is dat [verzoekster] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar cassatieberoep (zie art. 407 lid 2 Rv en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639).

Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G