Insolventierecht
Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Beëindiging schuldsanering zonder toepassing schone lei. Ambtshalve toepassing art. 1…
Parket bij de Hoge Raad, 12 juni 2015
ECLI:NL:PHR:2015:1024 · Parket bij de Hoge Raad · 12 juni 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2015-1024
Zaakgegevens
Op 12 juni 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 juni 2015
- Datum publicatie
- 8 juli 2015
- Zaaknummer
- 15/01852
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2015:1024
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Beëindiging schuldsanering zonder toepassing schone lei. Ambtshalve toepassing art. 1 Eerste Protocol EVRM en art. 17 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 juni 2015deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2015:1024
Hoge Raad · 11 september 2015
ECLI:NL:HR:2015:2532Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak · 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:1324Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie
|
15/01852 |
Mr. L. Timmerman |
|
Zitting 12 juni 2015 |
|
|
Conclusie inzake: |
|
|
[verzoeker], |
|
|
verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]). |
|
1. Procesverloop
1.1 De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 24 februari 2015 de toepassing van de schuldsaneringsregeling, die op 8 december 2011 ten aanzien van [verzoeker] was uitgesproken, beëindigd zonder toekenning van de zogenoemde schone lei, omdat [verzoeker] toerekenbaar zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van zijn informatieverplichting, de verplichting om geen bovenmatige schulden te laten ontstaan, en de afdrachtplicht (rov. 3.5 t/m 3.7).
1.2 In het hiertegen door [verzoeker] ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 9 april 2015 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof kort gezegd overwogen dat [verzoeker] zich structureel niet heeft gehouden aan de aan hem in het kader van de schuldsaneringsregeling opgelegde informatieplicht (rov. 3.7.2) en vanaf maart 2014 geen boedelafdrachten meer heeft gedaan en evenmin een concreet plan van aanpak heeft overgelegd om de boedelachterstand in te lopen, indien de termijn van de schuldsaneringsregeling zou worden verlengd (rov. 3.7.3). Hierin zag het hof duidelijke aanwijzingen dat het bij [verzoeker] aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken, en zag het hof geen aanleiding om op de voet van art. 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft (rov. 3.7.4).
1.3 [verzoeker] heeft met een op 17 april 2015 ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden en derhalve tijdig ingekomen verzoekschrift beroep in cassatie tegen het arrest van 9 april 2015 ingesteld.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel omvat één onderdeel. Daarin ontwaar ik twee klachten. Volgens [verzoeker] heeft het hof (i) ten onrechte niet ambtshalve getoetst of zijn tekortkomingen toerekenbaar zijn, en (ii) ten onrechte nagelaten art. 1 Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden en art. 17 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie ambtshalve toe te passen.
2.2 Klacht (i) stuit af op een gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.7.4 wel degelijk zich over de toerekenbaarheid van de vastgestelde tekortkomingen gebogen. Klacht (ii) berust op een onjuiste rechtsopvatting. Ten aanzien van art. 1 EP EVRM geldt er geen verplichting tot ambtshalve toepassing buiten het partijdebat. Datzelfde dient m.i. te worden aangenomen ten aanzien van art. 17 Handvest. Voor zover klacht (ii) moet worden begrepen als een klacht over ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, faalt het eveneens aangezien in cassatie gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] in feitelijke instanties een beroep op het EVRM of het Handvest heeft gedaan.
2.3 Gelet op het voorgaande is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G