Insolventierecht
Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Art. 288 lid 1 aanhef en onder b Fw (goede trouw). Onschuldpresumptie? Hardheidsclausule.
ECLI:NL:PHR:2015:2129 · Parket bij de Hoge Raad · 28 augustus 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2015-2129
Zaakgegevens
Op 28 augustus 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 augustus 2015
- Datum publicatie
- 20 oktober 2015
- Zaaknummer
- 15/02852
- Rechtsgebied
- Civiel recht Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2015:2129
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Art. 288 lid 1 aanhef en onder b Fw (goede trouw). Onschuldpresumptie? Hardheidsclausule.
Conclusie
15/02852
Mr. L. Timmerman
Parket, 28 augustus 2015
Conclusie inzake
[verzoeker]
(verzoeker tot cassatie)
1. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsanering bij vonnis van 16 april 2015 afgewezen, omdat niet voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijfjaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsanering is ingediend te goeder trouw is geweest.
2. Het hof Den Bosch heeft bij arrest van 18 juni 2015 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
3. [verzoeker] is op 24 juni 2015 in cassatie gekomen.
4. Het eerste cassatiemiddel komt erop neer dat gesteld wordt dat [verzoeker] wel te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan van haar schulden. Ik verwijs naar rov. 3.5.4. van het bestreden arrest waarin het hof op juiste wijze uiteenzet waarom [verzoeker] geacht moet worden niet te goeder trouw te zijn ten aanzien van het ontstaan van haar schulden. Het tweede onderdeel voert aan dat de wijze waarop de wettelijke toegang tot schuldsaneringsregeling door het hof wordt toegepast neerkomt op een onmenselijke behandeling van [verzoeker]. Naar mijn mening heeft het hof aan art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overeenkomstig de bedoeling van de wetgever uitvoering gegeven. Het derde cassatiemiddel houdt in dat voor de toepassing van de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw een verklaring van de huisarts dat betrokkene haar psychosociale problemen beheerst voldoende is. Ik vind het niet onbegrijpelijk dat het hof in de brief van de huisarts van 12 mei 2015 onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat [verzoeker] haar psychosociale problemen duurzaam beheerst. Alle middelen zijn mijns inziens ongegrond.
5. Ik concludeer tot verwerping van het cassatieverzoek.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden