Insolventierecht
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Toelatingsverzoek niet-ontvankelijk wegens ontbreken verklaring art. 285 lid 1…
ECLI:NL:PHR:2016:174 · Parket bij de Hoge Raad · 29 januari 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/insolventierecht/ecli-nl-phr-2016-174
Zaakgegevens
Op 29 januari 2016 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 januari 2016
- Datum publicatie
- 1 april 2016
- Zaaknummer
- 15/05679
- Rechtsgebied
- Civiel recht Insolventierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2016:174
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Toelatingsverzoek niet-ontvankelijk wegens ontbreken verklaring art. 285 lid 1, onder f, Fw. Schulden niet te goeder trouw (art. 288 lid 1 Fw).
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 1 december 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:5031Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 29 januari 2016deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2016:174
Hoge Raad · 1 april 2016
ECLI:NL:HR:2016:544Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 15/005679 |
Mr. L. Timmerman |
|
Parket 29 januari 2016 |
|
|
Conclusie inzake |
|
|
[verzoeker] |
|
|
(hierna: [verzoeker]) |
|
1. Bij verzoekschrift van 7 augustus 2015 heeft [verzoeker] de rechtbank Zeeland-West Brabant verzocht om ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling te doen uitspreken. De rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis van 13 oktober 2015 afgewezen. Op het door [verzoeker] tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep heeft het hof ’s-Hertogenbosch het bestreden vonnis bij arrest van 1 december 2015 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verzoeker] niet ontvankelijk verklaard. Het hof heeft dit oordeel gegrond op art. 285 lid 1 sub f Fw.
2. Het eerste onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat onder omstandigheden kan worden afgezien van het overleggen van de verklaring ex art. 285 lid 1 sub f Fw en dat [verzoeker] uitgebreid heeft gemotiveerd en gedocumenteerd dat in zijn situatie zodanige omstandigheden aanwezig waren. De klacht kan reeds niet slagen omdat deze niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv voldoet. Niet is immers vermeld i) op welke omstandigheden [verzoeker] doelt en ii) waar de door [verzoeker] op dat punt ingenomen stellingen in de processtukken zijn terug te vinden. Voor zover het betoog op bladzijde 7 (vanaf de dikgedrukte kop “Immers:”) tot en met bladzijde 9 van het cassatieverzoekschrift als een toelichting op deze klacht is bedoeld is onbegrijpelijk wat hiermee – in dat kader – bedoeld wordt. Het betoog betreft immers een toelichting op (c.q. betwisting van) de afzonderlijke schuldenposten. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dit betoog tot de conclusie had moeten leiden dat er in het geval van [verzoeker] omstandigheden waren op grond waarvan van het overleggen van de verklaring ex art. 285 lid 1 sub f FW kon worden afgezien.
3. De onderdelen 2 tot en met 6 trekken alle ten strijde tegen overwegingen die ’s hofs beslissing niet dragen en kunnen aldus niet tot cassatie leiden.
4. De klachten kunnen in het licht van het bovenstaande klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G