Insolventierecht

WSNP. Verzoek tot toelating. Verwachting dat saniet uit schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen…

Zaakgegevens

Op 25 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 september 2026
Datum publicatie
24 september 2026
Zaaknummer
26/02267
Advocaat
T.E. Booms.
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:913
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

WSNP. Verzoek tot toelating. Verwachting dat saniet uit schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen ex art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw. Hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw. Motiveringsklachten.

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/02267

Zitting 25 september 2026

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

[verzoeker] ,

verzoeker tot cassatie,

advocaat: T.E. Booms.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

Deze zaak gaat over een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank en het hof hebben dit verzoek afgewezen. Het hof heeft onder meer geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, zodat niet is voldaan aan de toelatingsvoorwaarde van art. 288 lid 1 aanhef en sub c Fw, en dat het beroep van [verzoeker] op de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw niet kan slagen. In cassatie komt [verzoeker] m.i. met succes tegen beide oordelen op.

2 Feiten

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.2

Op 12 oktober 2023 heeft [verzoeker] , samen met zijn toenmalige echtgenote, een nieuwbouwhuis gekocht. Het huis moest nog worden gebouwd. De Rabobank heeft een hypotheek verstrekt voor de aankoop van de grond en € 391.348,20 verstrekt als bouwbudget ter financiering van de nog te bouwen woning. Het bouwbudget is gestort op een bouwrekening en [verzoeker] kon daarmee de facturen van het bouwbedrijf betalen.

2.3

Op 16 oktober 2023 is [verzoeker] via Linkedln benaderd door een zogenaamde costumer service en vervolgens overgehaald om $ 100,- te sturen en in opdracht producten te reviewen. Hij kon hiermee winst maken. In eerste instantie gebruikte hij eigen geld om te investeren. Dit leverde een positief rendement op en de winst kwam in zijn crypto-wallet terecht. Vervolgens werd gevraagd om steeds opnieuw de eigen inleg in te zetten. [verzoeker] bleef geld storten, met de belofte dat er meer geld verdiend kon worden. Op een gegeven moment was zijn eigen geld op, behalve het geld dat op de bouwrekening stond. [verzoeker] heeft toen het geld van de bouwrekening gebruikt om te investeren. Dit vanwege angst om de eerdere investeringen te verliezen. [verzoeker] is hierdoor in de betalingsproblemen geraakt.

2.4

Vanwege de ontstane betalingsproblemen is de woning op 1 november 2024 verkocht. Daaruit is een restschuld aan de Rabobank van € 412.358,31 ontstaan. [verzoeker] heeft daarnaast een preferente belastingschuld van € 33.239,-, omdat hij belastingaanslagen over de jaren 2023, 2024 en 2025 onbetaald heeft gelaten. De totale schuldenlast komt neer op € 445.597,31.

2.5

[verzoeker] heeft in de jaren 2023 en 2024 gewerkt als zelfstandige via een eenmanszaak. Sinds 1 september 2024 werkt hij als IT-consultant in loondienst bij zijn huidige werkgever.

2.6

[verzoeker] is op 18 juni 2025 gescheiden. Hij woont momenteel bij zijn ouders in.

2.7

Sinds 18 juni 2025 volgt [verzoeker] een minnelijk schuldsaneringstraject. Een buitengerechtelijke schuldregeling is niet bereikt wegens het uitblijven van een reactie van de Rabobank, het weigeren van medewerking door de belastingdienst, het feit dat er een regresrecht rust op de vordering van de Rabobank en het feit dat [verzoeker] moet meebetalen aan een DUO-schuld op naam van zijn toenmalige echtgenote, die niet mee kan in het minnelijke traject omdat deze schuld persoonsgebonden is.

3 Procesverloop

3.1

[verzoeker] heeft bij verzoekschrift van 20 november 2025 de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, met vaststelling van een eerdere ingangsdatum, namelijk 18 juni 2025, op grond van art. 284 lid 1 Fw, in verbinding met art. 349 lid 1 Fw.

3.2

De rechtbank heeft het verzoek bij vonnis van 7 april 2026 afgewezen.

3.3

[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, en verzocht dat het verzoek alsnog wordt toegewezen.

3.4

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bij arrest van 4 juni 2026 bekrachtigd.

3.5

Het hof oordeelt dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest, in de zin van art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw (rov. 3.6.2-3.6.4). Voor zover in cassatie van belang, overweegt het hof dat [verzoeker] het geld op de bouwrekening heeft aangewend om schulden te voldoen die waren ontstaan door zijn, uit eigen initiatief, volslagen speculatief handelen op de cryptomarkt, dat [verzoeker] wist, dan wel redelijkerwijs had moeten onderkennen, dat dit handelen de nodige financiële risico’s met zich kon brengen, en dat de conclusie gerechtvaardigd is dat [verzoeker] louter uit winstbejag heeft gehandeld. De hieruit voortgevloeide financiële problematiek dient dan ook geheel voor rekening en risico van [verzoeker] te komen (rov. 3.6.3). Verder overweegt het hof dat in het geheel ook niet is gebleken dat [verzoeker] in verband met de cryptoschulden op enige wijze door de betreffende schuldeisers zou zijn bedreigd of afgeperst. In het proces-verbaal van 15 januari 2024 waarin [verzoeker] aangifte doet van crypto-oplichting in de periode van oktober t/m december 2023 rept hij daar met geen woord over en spreekt hij uitsluitend over fraude, misleiding en bedrog. Dat [verzoeker] op enig moment geen financiële uitweg meer zag en overmand door angst en paniek gelden vanuit het bouwdepot heeft aangewend om zijn cryptoschulden te voldoen, rechtvaardigt die handelswijze niet, aldus het hof (rov. 3.6.4).

3.6

Vervolgens oordeelt het hof dat onvoldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal gaan nakomen en zich zal gaan inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, zodat ook niet is voldaan aan de toelatingsvoorwaarde van art. 288 lid 1 aanhef en sub c Fw. Daartoe overweegt het hof dat [verzoeker] op dit moment bij zijn ouders inwoont en daarvoor een kostgeld betaalt van nagenoeg € 1.850,-, dat hij door het afdragen van een dergelijk buitensporig hoog bedrag aan kostgeld zijn schuldeisers benadeelt, en dat hij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk te kennen heeft gegeven voornemens te zijn de afdrachten in de huidige vorm en omvang te continueren. Het hof concludeert dat het een en ander onvoldoende blijk geeft van een saneringsgezinde grondhouding (rov. 3.6.5).

3.7

Tot slot oordeelt het hof dat het beroep van [verzoeker] op de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw niet kan slagen, omdat hij niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarde van art. 288 lid 1 aanhef en sub c Fw. De toepassing van de hardheidclausule kan uitsluitend betrekking hebben op omstandigheden als bedoeld in art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw, dan wel art. 288 lid 2 aanhef en sub c Fw, zo overweegt het hof. Een beoordeling van de door [verzoeker] in het kader van zijn beroep op de hardheidsclausule aangedragen omstandigheden ten aanzien van art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw kan daardoor naar het oordeel van het hof in beginsel achterwege blijven (rov. 3.6.6, eerste alinea).

3.8

Ten overvloede overweegt het hof dat de in het kader van het beroep op de hardheidsclausule aangevoerde omstandigheden ook ontoereikend zijn voor een welslagen van dit beroep. Er is niet zozeer sprake van bepaalde omstandigheden welke aan het ontstaan van de (deels) niet te goeder trouw ontstane schuldenlast hebben gelegen, maar (mogelijk ondoordachte) gedragingen en bijzonder riskante keuzes waarvan de nadelige financiële gevolgen geheel en al voor rekening en risico van [verzoeker] dienen te komen. Daarbij komt dat zelfs als sprake zou zijn van de door [verzoeker] geschetste panieksituatie waarin deze keuze gemaakt zou zijn, deze panieksituatie voortkomt uit het eerdere weloverwogen besluit van [verzoeker] tot het aangaan van een risicovol “crypto-avontuur”, aldus het hof (rov. 3.6.6, tweede alinea).

3.9

[verzoeker] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Ten tijde van het instellen van het cassatieberoep was het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep nog niet door [verzoeker] ontvangen. In de procesinleiding in cassatie (op p. 14) heeft [verzoeker] zich daarom het recht voorbehouden om het cassatiemiddel aan te vullen na ontvangst van het proces-verbaal. De griffie van de Hoge Raad heeft het proces-verbaal bij het hof opgevraagd. Na ontvangst van het proces-verbaal is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. [verzoeker] heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt door een aangepaste procesinleiding in het portaal van de Hoge Raad in te dienen.

4 Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

Het middel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.6.5 dat onvoldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, zodat niet is voldaan aan de toelatingsvoorwaarde van art. 288 lid 1 aanhef en sub c Fw:

“Voorts is het hof van oordeel dat het onvoldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal gaan nakomen en zich zal gaan inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. [verzoeker] woont op dit moment bij zijn ouders in en betaalt hiervoor maandelijks een kostgeld van nagenoeg € 1.850,-. Deze afdracht is uitzonderlijk hoog en komt er in de praktijk op neer dat [verzoeker] niet alleen in de kosten van zijn levensonderhoud bijdraagt, maar daarnaast in feite zijn ouders financieel ondersteunt bij het aflossen van hun hypotheekschuld, een aflossing die zijn ouders voorafgaand aan de inwoning van [verzoeker] klaarblijkelijk op eigen kracht konden verrichten. Zonder daarbij te verwijzen naar enig schriftelijk bewijs heeft [verzoeker] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat de hoogte van dit kostgeld op advies, dan wel met goedkeuring van de gemeentelijke schuldhulpverlener zou zijn vastgesteld. [verzoeker] heeft voorts aangevoerd dat het kostgeld conform Nibud-normen is. Wat hier ook van zij, het hof is van oordeel dat [verzoeker] door het afdragen van een dergelijk buitensporig hoog bedrag aan kostgeld zijn schuldeisers benadeelt, daargelaten nog dat [verzoeker] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk te kennen heeft gegeven voornemens te zijn de afdrachten in de huidige vorm en omvang te continueren. Het hof is van oordeel dat een en ander onvoldoende blijk geeft van een saneringsgezinde grondhouding.”

4.2

Bij de bespreking van dit onderdeel stel ik het volgende voorop. In art. 288 lid 1 Fw zijn de cumulatieve toelatingsvoorwaarden voor de schuldsaneringsregeling neergelegd. Een verzoek tot toelating kan slechts worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar: (a) niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; (b) ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest; en (c) de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het is aan de schuldenaar om voldoende aannemelijk te maken dat aan deze voorwaarden is voldaan.

4.3

Bij de laatstgenoemde voorwaarde van art. 288 lid 1 aanhef en sub c Fw gaat het in wezen om de vraag of de schuldenaar de schuldsaneringsregeling te goeder trouw zal naleven. Bij de beoordeling van die vraag zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Zo kan onder meer het (betalings)gedrag dat de schuldenaar vóór de indiening van het verzoek tot toelating heeft getoond jegens zijn schuldeisers, een rol spelen. De verwachting dat de schuldenaar tekort zal schieten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen als gevolg van omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend, vormt echter onvoldoende grond voor het afwijzen van het verzoek. Het gaat erom of (uit de relevante omstandigheden van het geval blijkt dat) de schuldenaar naar verwachting toerekenbaar tekort zal schieten in de nakoming van die verplichtingen.

4.4

Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen, die zich lenen voor een gezamenlijke bespreking. Voordat ik daartoe overga, merk ik op dat in het middel geen klachten zijn gericht tegen het hiervoor in 3.5 weergegeven oordeel van het hof dat niet aan de toelatingsvoorwaarde van art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw is voldaan, zodat in cassatie als vaststaand moet worden aangenomen dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest. Het ontbreekt [verzoeker] daarom in beginsel aan belang bij het eerste onderdeel, aangezien de toelatingsvoorwaarden van art. 288 lid 1 Fw, zoals gezegd, cumulatief gelden. Dat is alleen anders in het geval dat het hierna te bespreken tweede onderdeel dat zich richt tegen de verwerping door het hof van het beroep van [verzoeker] op de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw (ook) slaagt.

4.5

Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof uitgaat van een te strenge rechtsopvatting over de vraag wanneer iemand saneringsgezind in de zin van art. 288 lid 1 aanhef en sub c Fw is, nu het oordeelt dat [verzoeker] niet aan de toelatingsvoorwaarde voldoet terwijl hij zich heeft gehouden aan alle regels van en afspraken met zijn schuldhulpverleners. Subsidiair klaagt het subonderdeel dat het hof onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd waarom [verzoeker] desalniettemin niet aan de toelatingsvoorwaarde voldoet, mede in het licht van de volgende, door hem ingenomen essentiële stellingen:

- het kostgeld wordt volledig betaald uit het vrij te laten bedrag (vtlb) en niet uit het inkomen dat gereserveerd wordt voor de schuldeisers, zodat zij niet worden benadeeld;

- het vtlb is voor [verzoeker] berekend door zijn schuldhulpverlener;

- de originele kostgeldberekening van EUR 1850,- is – op instructie en met goedkeuring van de gemeentelijke schuldhulpverlener – gemaakt op basis van de daarvoor beschikbare Nibud-richtlijnen;

- inmiddels heeft de schuldhulpverlener een nieuwe berekening voor het vtlb gemaakt, waarbij het vtlb naar beneden is bijgesteld;

- [verzoeker] heeft daarop, na onderhandeling met zijn ouders, nog dezelfde maand ook het door hem betaalde kostgeld verlaagd van EUR 1850,- naar EUR 1300,- per maand, zodat hij binnen het vtlb blijft;

- [verzoeker] stelt zich vanaf de start van het minnelijk traject op 18 juni 2025 saneringsgezind op, houdt zich aan de gemaakte afspraken en leeft feitelijk reeds geruime tijd conform de verplichtingen die binnen de Wsnp gelden (waaronder het maandelijks reserveren van al zijn inkomsten boven het vtlb voor de schuldeisers); en

- dit alles wordt door zijn beide schuldhulpverleners bevestigd, waarvan [verzoeker] ook een productie heeft overgelegd.

4.6

Subonderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het hof op vier (overige) punten (ook) is voorbijgegaan aan de hiervoor genoemde essentiële stellingen van [verzoeker] , althans onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd waarom deze stellingen niet tot een andere uitkomst leiden.

4.7

De rechtsklacht van subonderdeel 1.1 gaat m.i. niet op. Het oordeel van het hof in rov. 3.6.5 geeft er geen blijk van dat het een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van de vraag of aan de toelatingsvoorwaarde van art. 288 lid 1 aanhef en sub c Fw is voldaan. In algemene zin kan niet als regel worden aanvaard, zoals in de toelichting op het subonderdeel lijkt te worden bepleit, dat een schuldenaar die zich volledig gedraagt in lijn met de door zijn schuldhulpverleners gestelde kaders (in beginsel) niet kan worden geweigerd op de grond dat hij toerekenbaar tekort zal schieten in de nakoming van zijn verplichtingen onder de schuldsaneringsregeling. Bij die beoordeling zijn immers alle omstandigheden van het geval van belang.

4.8

De motiveringsklachten van de subonderdelen 1.1 en 1.2 zijn op de volgende punten wel terecht voorgesteld. Ten eerste betrekt het hof ten onrechte niet bij zijn oordeel de gegevens uit de door [verzoeker] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde akte van 19 mei 2026. Uit bijlage 3 van die akte blijkt dat het vtlb per maart 2026 is verlaagd en dat [verzoeker] sindsdien een bedrag van € 1.300,- per maand aan kostgeld aan zijn ouders betaalt. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoeker] ook verklaard dat het vtlb in maart 2026 is aangepast zodat hij ook het kostgeld moest aanpassen. Het bedrag van € 1.300,- is significant lager dan het bedrag van € 1.850,- aan kostgeld waarvan het hof uitgaat en op de hoogte waarvan zijn oordeel uitsluitend, althans hoofdzakelijk, is gebaseerd. In het verlengde hiervan is ook onbegrijpelijk dat het hof aan [verzoeker] tegenwerpt – mogelijk ten overvloede gelet op de bewoordingen “nog daargelaten” – dat hij tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij voornemens is om de afdrachten in huidige vorm en omvang te continueren. In het licht van de genoemde bijlage en stellingen van [verzoeker] kan die verklaring, voor zover daadwerkelijk afgelegd, niet anders dan betrekking hebben op het toen reeds verlaagde bedrag aan kostgeld.

4.9

Verder laat het hof ten onrechte niet bij zijn oordeel meewegen (“wat hiervan ook zij”), of de hoogte van het kostgeld op advies, dan wel met goedkeuring van de gemeentelijke schuldhulpverlener is vastgesteld, en of het kostgeld conform de Nibud-normen is. Als de juistheid van de stellingen van [verzoeker] in dit verband komt vast te staan, valt zonder nadere toelichting namelijk niet in te zien dat, en op welke grond, het aan [verzoeker] te wijten is dat hij naar het oordeel van het hof een te hoog bedrag aan kostgeld aan zijn ouders heeft betaald. Daarmee raken die stellingen aan de vraag of de verwachting bestaat dat [verzoeker] toerekenbaar tekort zal schieten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [verzoeker] wijst er in cassatie ook terecht op dat hij zijn stellingen in dit verband heeft onderbouwd met onder meer een verklaring van zijn gemeentelijk schuldhulpverlener, zodat voorts onbegrijpelijk is dat het hof overweegt dat [verzoeker] niet heeft verwezen naar enig schriftelijk bewijs in dit verband.

4.10

Onderdeel 2 is gericht tegen het ten overvloede gegeven oordeel van het hof in rov. 3.6.6, tweede alinea, dat het beroep van [verzoeker] op de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw niet kan slagen, omdat niet zozeer sprake is van bepaalde omstandigheden welke aan het ontstaan van de (deels) niet te goeder trouw ontstane schuldenlast hebben gelegen, maar (mogelijk ondoordachte) gedragingen en bijzonder riskante keuzes waarvan de nadelige financiële gevolgen geheel en al voor rekening en risico van [verzoeker] dienen te komen.

4.11

Bij de bespreking van dit onderdeel is het volgende van belang. Op grond van art. 288 lid 3 Fw kan een schuldenaar die niet te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, en dus niet aan de toelatingsvoorwaarde van art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw voldoet, toch wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, als voldoende aannemelijk is dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Het betreft, gelet op het woordje ‘kan’, een discretionaire bevoegdheid van de rechter die over de feiten oordeelt. De verwerping van een beroep op de hardheidsclausule moet echter duidelijk worden gemotiveerd.

4.12

De ratio van art. 288 lid 3 Fw is dat niemand bij voorbaat uitgesloten dient te zijn van toelating tot de schuldsaneringsregeling. De bepaling is aanvankelijk voorgesteld bij een amendement dat ertoe strekte toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk te maken voor mensen met verslavings- of psychosociale problemen, die zodanige hulpverlening ontvangen dat de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is gewaarborgd. In het gewijzigde wetsontwerp en de uiteindelijke wettekst, zoals hiervoor weergegeven, is de uitzonderingsgrond echter algemener geformuleerd, en uitdrukkelijk niet beperkt tot gevallen waarin de oorzaak van de schulden is gelegen in psychosociale of verslavingsproblematiek. In de rechtspraak van de Hoge Raad is toepassing van de hardheidsclausule dan ook aanvaard in andere gevallen waarin de schuldenaar de oorzaak van zijn schulden onder controle heeft gekregen. In de literatuur wordt (daarom) ook aangenomen dat art. 288 lid 3 Fw op dit punt ruim moet worden uitgelegd.

4.13

Bij de toepassing van de hardheidsclausule moet de rechter rekening houden met alle relevante omstandigheden van het geval. In de toelichting op de wijziging van het wetsontwerp is opgemerkt:

“(…) Dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar die omstandigheden onder controle heeft gekregen, zal moeten blijken uit de door de schuldenaar getroffen maatregelen. De stabiele leefsituatie die noodzakelijk is voor het welslagen van de schuldsaneringsregeling, dient door die maatregelen gegarandeerd te zijn. Een drugs-, alcohol- of gokverslaving dient al enige tijd onder controle te zijn. Het moet gaan om objectiveerbare maatregelen: de schuldenaar dient zich onder deskundige begeleiding van bijvoorbeeld verslavingszorg of budgetbegeleiding gesteld te hebben, die ook tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling gehandhaafd zal blijven, zo lang dat nodig is. (…)”

Ten overstaan van de Eerste Kamer heeft de minister de bepaling verder aldus toegelicht dat “die vooral ziet op de echte gedragsaspecten”.

4.14

Voor de volledigheid merk ik nog op dat de minister tijdens de parlementaire behandeling van de wet Wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, waarbij de periode waarin de schuldenaar voorafgaand aan het verzoek tot toelating te goeder trouw dient te zijn geweest, is verkort van vijf naar drie jaar, de verwachting heeft uitgesproken dat “de hardheidsclausule ook alleen in duidelijke uitzonderingsgevallen [zal] worden toegepast”. Die opmerking kan erdoor worden verklaard dat de schuldenaar thans minder tijd tot zijn beschikking heeft – namelijk nog maar drie jaar – om de oorzaak van zijn schulden onder controle te krijgen. De minister heeft tevens bevestigd dat een beroep op de hardheidsclausule mogelijk blijft, kennelijk onder de voorwaarden waaronder dat onder het oude recht ook reeds mogelijk was.

4.15

Hiermee kom ik toe aan de bespreking van het onderdeel. Het onderdeel is, zoals gezegd, gericht tegen een ten overvloede gegeven oordeel van het hof, zodat het in beginsel afstuit op een gebrek aan belang. Het slagen van onderdeel 1 brengt echter mee dat het hiervoor in 3.7 weergegeven oordeel van het hof dat een beoordeling van het beroep op de hardheidsclausule achterwege kan blijven, omdat [verzoeker] niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarde van art. 288 lid 1 aanhef en sub c Fw, niet in stand kan blijven. De verwerping door het hof van het beroep van [verzoeker] op de hardheidsclausule wordt daarom slechts gedragen door zijn oordeel in rov. 3.6.6, tweede alinea. Bij de daartegen gerichte klachten bestaat aldus belang.

4.16

Het onderdeel valt in drie subonderdelen uiteen. Subonderdeel 2.1 klaagt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het een te nauw begrip hanteert van de voor de toepassing van de hardheidsclausule vereiste omstandigheden.

4.17

Deze klacht slaagt m.i. Het oordeel van het hof komt erop neer dat de door [verzoeker] ter ondersteuning van zijn beroep op de hardheidsclausule aangevoerde omstandigheden ontoereikend zijn, en kennelijk geen bespreking behoeven, omdat geen sprake is van bepaalde omstandigheden welke aan het ontstaan van de schulden hebben gelegen, maar van gedragingen en keuzes waarvan de gevolgen voor rekening en risico van [verzoeker] dienen te komen. De hiervoor besproken parlementaire geschiedenis en rechtspraak bieden echter geen steun aan de opvatting dat een oorzaak waarvan de gevolgen voor rekening en risico van de schuldenaar dienen te komen, categorisch in de weg staat aan toepassing van de hardheidsclausule. Dat ligt ook niet voor de hand, nu de hardheidsclausule er juist toe dient om een gebrek aan goede trouw, waarbij veelal en ook in deze zaak – vgl. het hiervoor in 3.5 weergegeven oordeel van het hof – een rol speelt de mate waarin het ontstaan of het onbetaald laten van de schulden aan de schuldenaar te wijten valt, te ‘repareren’ in die gevallen waarin sindsdien een wending ten goede heeft plaatsgevonden. Overigens valt m.i. niet goed in te zien waarom het geval dat in deze zaak aan de orde is, waarin de schuldenaar kennelijk het slachtoffer is geworden van fraude, misleiding en bedrog, en uit angst en paniek verkeerde beslissingen heeft genomen die tot het ontstaan van zijn schulden hebben geleid (vgl. het hiervoor in 3.5 weergegeven rov. 3.6.4), bij voorbaat zou zijn uitgesloten van toepassing van de hardheidsclausule op de door het hof genoemde grond.

4.18

Subonderdeel 2.2 klaagt dat het oordeel van het hof verder blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof de verwerping van het beroep op de hardheidsclausule baseert op het niet te goeder trouw (laten) ontstaan van de schulden, hetgeen juist is wat met een beroep op de hardheidsclausule kan worden geheeld. Subsidiair klaagt het subonderdeel dat het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het hof niet uiteenzet welke andere redenen ertoe leiden dat het beroep op de hardheidsclausule wordt afgewezen.

4.19

Dit subonderdeel slaagt in het verlengde van subonderdeel 2.1, en om de daar reeds genoemde reden: het hof heeft het beroep van [verzoeker] op de hardheidsclausule verworpen op dezelfde grond als dat het heeft geoordeeld dat [verzoeker] niet te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden, namelijk dat de betalingsproblemen van [verzoeker] geheel voor zijn eigen rekening en risico dienen te komen (zie het hiervoor in 3.5 weergegeven rov. 3.6.3). Het hof heeft daarmee de strekking van art. 288 lid 3 Fw miskend.

4.20

Subonderdeel 2.3 klaagt tot slot dat het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het hof niet heeft gerespondeerd op de volgende stellingen van [verzoeker] :

- de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan van de schulden zijn gelegen in een problematisch huwelijk en de gevolgen van cybercriminaliteit;

- het huwelijk is inmiddels beëindigd via een echtscheiding;

- [verzoeker] maakt geen nieuwe schulden;

- [verzoeker] heeft zijn financiële situatie verder gestabiliseerd, door zijn onderneming in te ruilen voor een goede vaste fulltime baan, bij zijn ouders in te wonen, zich strikt te houden aan de geldende financiële afspraken en feitelijk al te leven conform de verplichtingen die gelden binnen de Wsnp, onder meer door te leven van het vtlb en al het meerdere structureel te reserveren voor zijn schuldeisers; en

- deze structurele gedragsverandering wordt bevestigd door de betrokken schuldhulpverleners.

4.21

Ook dit onderdeel is terecht voorgesteld. Het hof had, gelet op de hiervoor omschreven strekking van de hardheidsclausule en de daarbij behorende motiveringsplicht, de stellingen van [verzoeker] met betrekking tot zijn persoonlijke ontwikkeling sinds het ontstaan van zijn schulden en de maatregelen die hij in dat verband heeft getroffen, uitdrukkelijk bij zijn oordeel moeten betrekken. De overweging van het hof dat de in het kader van het beroep op de hardheidsclausule aangevoerde omstandigheden ontoereikend zijn voor een welslagen van dit beroep, is een onvoldoende motivering in dit verband.

4.22

De slotsom is dat het merendeel van de klachten slaagt, zodat het arrest van het hof niet in stand kan blijven.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van 4 juni 2026 en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Het hof heeft in zijn arrest de feiten niet afzonderlijk vastgesteld. De hierna vermelde feiten kunnen worden afgeleid uit rov. 3.1 van het arrest van het hof en rov. 3.5-3.8 van het vonnis van de rechtbank, waarin wordt verwezen naar het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en de daarbij gevoegde stukken. De hierna vermelde feiten zijn als zodanig niet in twijfel getrokken door het hof en de rechtbank bij de beoordeling van het verzoek. Zowel in het arrest van het hof (rov. 3.6.2) als in het vonnis van de rechtbank (rov. 3.5) is vermeld dat “de belastingaanslagen over de jaren 2023, 2024 en 2023” (mijn onderstreping) niet zijn betaald. Dit betreft een kennelijke verschrijving, gelet op het overzicht van de vordering van de belastingdienst in bijlage 10 bij het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Ten aanzien van deze laatste omstandigheid heeft de schuldhulpverlener van [verzoeker] , [schuldhulpverlener] , tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg verklaard dat de rechter onlangs heeft beslist dat de voormalig echtgenote van [verzoeker] de DUO-schuld zelf moet betalen. Zie p. 4 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 18 maart 2026. Het verzoekschrift is op 26 november 2025 bij de rechtbank ingekomen (zie rov. 1.1 eerste streepje van het vonnis van de rechtbank). Rb. Oost-Brabant 7 april 2026, 421238 FT RK 25.684 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Hof ’s-Hertogenbosch 4 juni 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1484. De procesinleiding is op 12 juni 2026 ingediend in het portaal van de Hoge Raad, dus op de laatste dag van de cassatietermijn van acht dagen (zie voor die termijn: art. 292 lid 5 Fw). De naar aanleiding van het proces-verbaal aangebrachte wijzigingen zijn in de aangepaste procesinleiding onderstreept. Zie voetnoot 4 van de aangepaste procesinleiding van 13 juli 2026. Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 (MvT), p. 19. Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3 (MvT), p. 13. Aanvankelijk, bij de inwerkingtreding van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) in 1998, was de voorwaarde van art. 288 lid 1 aanhef en sub c Fw geformuleerd als imperatieve weigeringsgrond. In het destijds geldende art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw was bepaald dat de rechter het verzoek van de schuldenaar moet afwijzen indien er gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. De wijziging naar een imperatieve toelatingsvoorwaarde en de daarmee gepaard gaande redactionele wijzigingen doen m.i. niet af aan de destijds door de minister omschreven essentie van de bepaling. Zie o.m. GS Faillissementswet, art. 288 Fw, aant. 7.4.2 (B.J. Engberts, actueel t/m 23-12-2025); en Wessels Insolventierecht IX 2021/9067a. Vgl. ook Kamerstukken II 2004/05, 29942, nr. 3 (MvT), p. 19: “De schuldenaar zal bovendien zelf voldoende aannemelijk moeten maken dat hij aan die voorwaarden voldoet. De bedoeling hiervan is dat de schuldenaar meer nog dan thans het geval is zich ervan bewust zal zijn aan welke verplichtingen hij zich onderwerpt. Hij dient aannemelijk te maken dat hij bereid en in staat is om zich in te spannen om een schone lei te verwerven. Of dit aannemelijk is, kan worden afgeleid uit alle omstandigheden van het geval.” Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3 (MvT), p. 13. Dit volgt uit het onder het oude recht gewezen arrest HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8174, NJ 2007/372, m.nt. P. van Schilfgaarde, rov. 3.4. In de literatuur wordt aangenomen dat dit arrest onder het nieuwe recht zijn gelding heeft behouden. Zie T&C Insolventierecht, commentaar op art. 288 Fw (B.J. Engberts, actueel t/m 01-04-2026), aant. 5b; en Van Bommel/Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei, Nijmegen: Ars Aequi 2015, par. 3.1.3. Vgl. ook Wessels Insolventierecht IX 2021/9067f. Evenzo: concl. A-G van Peursem, ECLI:NL:PHR:2020:894, onder 2.9, vóór HR 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:35, NJ 2021/27. Vgl. ook p. 2 van de aangepaste procesinleiding. Zie p. 6 van de aangepaste procesinleiding. Uit rov. 2.3, tweede streepje, van het arrest blijkt dat het hof van deze akte heeft kennisgenomen en deze kennelijk tot het procesdossier rekent. Zie p. 6 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 27 mei 2026. Een verklaring van die strekking valt niet te lezen in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 27 mei 2026. Die enkele omstandigheid leidt op zichzelf niet tot onbegrijpelijkheid. De inhoud van het arrest prevaleert dan immers. Zie hierover nader: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/75. Zie de in voetnoot 6 van de aangepaste procesinleiding genoemde vindplaatsen, alsmede prod. 4 bij het beroepschrift, waarin de volgende verklaring van de gemeentelijk schuldhulpverlener is opgenomen: “Wij hebben met [verzoeker] gesproken over zijn persoonlijke woon situatie en hem daarin advies gegeven volgens de richtlijnen van het Nibud”. Deze verklaring wordt aangehaald in voetnoot 10 van de aangepaste procesinleiding. Zie o.m. T&C Insolventierecht, commentaar op art. 288 Fw (B.J. Engberts, actueel t/m 01-04-2026), aant. 9; en Wessels Insolventierecht IX 2021/9067o. Vgl. HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4931, RvdW 2011/179, rov. 3.5. Kamerstukken II 2006/07, 29942, nr. 23 (Tweede Kamer-brief), p. 1-2. Kamerstukken II 2006/07, 29942, nr. 13 (Amendement Noorman-Den Uyl en Huizinga-Heringa). Kamerstukken II 2006/07, 29942, nr. 24 (Tweede NvW), p. 3. Zie bijv. HR 22 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4673, NJ 2011/186 (schulden doordat de schuldenaar niet in staat was de administratie van haar onderneming in orde te krijgen en te houden); en HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3338, NJ 2015/483 (schulden ten gevolge van het drijven van een onderneming). Zie GS Faillissementswet, art. 288 Fw (B.J. Engberts, actueel t/m 23-12-2025), aant. 11.1; en Wessels Insolventierecht IX 2021/9067o. Vgl. ook: concl. A-G van Peursem, ECLI:NL:PHR:2016:614, onder 2.18, vóór HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1476, RvdW 2016/870 (art. 81 RO): “(…) Dat ziet niet alleen op verslavingsproblematiek en dergelijke, maar ook op het mijden van verder risicovol gedrag.” Zie o.m. Wessels Insolventierecht IX 2021/9067o; en concl. A-G Timmerman, ECLI:NL:PHR:2016:314, onder 4, vóór HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:770, RvdW 2016/593 (art. 81 RO). Kamerstukken II 2006/07, 29942, nr. 24 (Tweede NvW), p. 3. Handelingen I 2006/07, nr. 30, p. 958. Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2023, 87). Zie voor e.e.a. Kamerstukken II 2021/22, 35915, nr. 3 (MvT), p. 7-9; en Kamerstukken II 2021/22, 35915, nr. 6 (Nota n.a.v. verslag), p. 20-21. Het hof heeft onder meer overwogen dat sprake was van “speculatief handelen op de cryptomarkt” (rov. 3.6.3) en een “crypto-avontuur” (rov. 3.6.6). Die terminologie lijkt niet zonder meer te stroken met de hiervoor in 2.3 omschreven gang van zaken, welke is afgeleid uit rov. 3.7 van het vonnis van de rechtbank en het daar aangehaalde proces-verbaal van aangifte van [verzoeker] . Hierover wordt in cassatie echter niet geklaagd. Vgl. p. 2-3 van de aangepaste procesinleiding.