Personen- en familierecht
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Personen- en familierecht
Parket bij de Hoge Raad, 12 april 2002
ECLI:NL:PHR:2002:AD9130 · Parket bij de Hoge Raad · 12 april 2002
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/ecli-nl-phr-2002-ad9130
Zaakgegevens
Op 12 april 2002 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 april 2002
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C00/267HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2002:AD9130
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 12 april 2002
ECLI:NL:HR:2002:AD9130Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 april 2002deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2002:AD9130
Conclusie
Rolnr. C00/267HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 25 jan. 2002
conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep berust op een uit drie onderdelen opgebouwd middel.
2. Onderdeel 1 van het middel, dat erover klaagt dat het Hof geen aandacht heeft geschonken aan het in het kader van grief 3 ontwikkelde betoog van de man dat de door de vrouw gevraagde en door de President van de Rechtbank toegewezen voorziening een onaanvaardbare beknotting van de grondrechten van de man (met name art. 8 EVRM) met zich meebrengt, faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft in r.o. 5.5 t/m 5.7 aan dat betoog aandacht besteed en, op de daar genoemde gronden, verworpen.
3. Onderdeel 2, dat hetHof verwijt het bedoelde betoog van de man niet afzonderlijk te hebben behandeld, doch gezamenlijk met grief 2, faalt wegens gebrek aan belang. Het onderdeel geeft niet aan in welk opzicht de man door de door het Hof gekozen aanpak van de behandeling van de grieven is benadeeld. Voor zover het onderdeel wil betogen dat het Hof door de gewraakte handelwijze het bedoelde betoog van de man onbehandeld heeft gelaten, mist het zelfstandige betekenis naast onderdeel 1.
4. Ook onderdeel 3 is tevergeefs voorgesteld. De klacht dat het Hof heeft miskend dat er mogelijk sprake is van misbruik door de vrouw van de mogelijkheid om de onderhavige ordemaatregel te vragen, mist feitelijke grondslag. Uit hetgeen het Hof heeft overwogen in r.o. 5.6 en 5.7 met betrekking tot de psychisch-sociale omstandigheden van de kinderen van partijen volgt dat naar 's Hofs oordeel het belang van de kinderen de gevraagde voorziening vergt. Daarin ligt besloten dat naar 's Hofs oordeel van misbruik door de vrouw geen sprake is.
Aangezien naar mijn oordeel de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,