Personen- en familierecht

Wvggz. Wijziging zorgmachtiging. Aan een aanvullende medische verklaring te stellen eisen (art. 5:9 lid 1 Wvggz).

Parket bij de Hoge Raad, 2 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 2 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Datum publicatie
30 september 2026
Zaaknummer
26/01844
Advocaat
mr. J.A.J. Leeman
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:936
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wvggz. Wijziging zorgmachtiging. Aan een aanvullende medische verklaring te stellen eisen (art. 5:9 lid 1 Wvggz).

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/01844

Zitting 2 oktober 2026

CONCLUSIE

B.J. Drijber

In de zaak van

[betrokkene] ,

verzoeker tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: mr. J.A.J. Leeman,

tegen

Officier van Justitie in het arrondissementsparket Rotterdam,

verweerder in cassatie,

hierna: de officier van justitie,

niet verschenen.

1 Inleiding en samenvatting

In deze Wvggz-zaak gaat het om de uitbreiding van een bestaande zorgmachtiging met enkele nieuwe vormen van verplichte zorg. De belangrijkste vraag is of de met het oog op de uitbreiding van de zorgmachtiging opgestelde aanvullende medische verklaring voldoet aan de wettelijke vereisten (art. 5:9 lid 1 Wvggz). Volgens het middel is aan die vereisten niet voldaan. Ik ga daar niet in mee en concludeer tot verwerping.

2. Feiten en voorgeschiedenis

2.1

Bij beschikking van 31 januari 2025 heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 31 januari 2026.

2.2

De officier van justitie heeft op 8 december 2025 een verzoek ingediend voor een aansluitende zorgmachtiging van twaalf maanden. Daarbij is onder meer overgelegd een medische verklaring van 4 december 2025 (hierna: de oorspronkelijke medische verklaring). De onafhankelijk psychiater heeft betrokkene niet persoonlijk onderzocht. Onder 4.b van de verklaring staat:

“Er is tweemaal gepoogd betrokkene te spreken voor onderzoek, echter is dit niet gelukt. Uit dossieronderzoek blijkt dat er sprake van een 35-jarige man bekend met schizofrenie, echter geen sprake van ziektebesef. Bekend met medicatieontrouw in het verleden waardoor hij meermaals psychotisch is gedecompenseerd waarna een opname volgde. Behandelaar kan de afgelopen tijd geen contact met betrokkene maken en hij heeft daardoor ook geen depot antipsychotica toegediend kunnen krijgen. In oktober heeft betrokkene zelf de crisisdienst ingeschakeld waarbij een paranoid beeld werd gevonden, betrokkene had de overtuiging dat zij echtgenote de kinderen iets aan wilde gaan doen. Echter betrokkene wilde toch niet opgenomén worden of verder in gesprek. Ook is betrokkene recent impulsief naar Marokko gegaan alwaar hij volgens anderen ook psychische klachten liet zien. Familie geeft aan dat betrokkene de afgelopen maanden weer meer psychotisch is.”

2.3

Betrokkene is niet verschenen op de mondelinge behandeling van 22 december 2025, waarvoor hij was opgeroepen. De behandeling is toen aangehouden tot 30 december 2025. Op die datum heeft de behandeling plaatsgevonden bij betrokkene thuis.

2.4

Bij beschikking van 30 december 2025, die schriftelijk is uitgewerkt op 14 januari 2026, heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met 30 juni 2026. In die beschikking overweegt de rechtbank onder meer het volgende:

“2.7 (…) Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:

- het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles;

- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken.

2.8

De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg, te weten ‘het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wél vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening’, ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie' worden door de rechtbank niet toegewezen, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet kon worden gemotiveerd nu er geen behandelaar van betrokkene aanwezig was bij de mondelinge behandeling.”

2.5

Op 3 februari 2026 heeft de zorgverantwoordelijke op de voet van art. 8:11 Wvggz besloten tot het verlenen van verplichte zorg ter afwending van een noodsituatie, gelet op ernstig nadeel en de veiligheid binnen de accommodatie Bij brieven van 4 februari 2026 heeft de zorgverantwoordelijke zowel de geneesheer-directeur als betrokkene daarvan in kennis gesteld. De tijdelijke verplichte zorg is verleend voor de maximale duur van drie dagen (art. 8:12 lid 1, eerste volzin, Wvggz). Betrokkene is drie dagen ingesloten geweest.

2.6

Op 5 februari 2026 is door een (andere) onafhankelijk psychiater een medische verklaring opgesteld (hierna: de aanvullende medische verklaring). Onder ‘2. Herbeoordeling psychiatrisch onderzoek’ staat in de verklaring onder meer vermeld:

“Op verzoek van bovengenoemde zorgverantwoordelijke heb ik betrokkene gesproken op 05-02-2026 om 14.45 en na kennisneming van de oorspronkelijke medische verklaring d.d. 04-12-2025 en ben ik tot de volgende conclusie gekomen.”

Deze verklaring is dus opgesteld na een onderzoek in aanwezigheid van betrokkene.

3 Procesverloop

3.1

De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 9 februari 2026 bij de rechtbank, verzocht de lopende zorgmachtiging te wijzigen door de volgende vormen van verplichte zorg daaraan toe te voegen:

- opnemen in accommodatie

- beperken van bewegingsvrijheid

- insluiten

- uitoefenen van toezicht op de betrokkene.

Bij het verzoek is als derde bijlage de aanvullende medische verklaring overgelegd.

3.2

De mondelinge behandeling heeft op 12 februari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren betrokkene met zijn advocaat en een behandelend psychiater. De advocaat heeft afwijzing van het verzoek bepleit. Met betrekking tot de oorspronkelijke medische verklaring heeft de advocaat aangevoerd dat die is opgesteld zonder persoonlijk onderzoek. Met betrekking tot de aanvullende medische verklaring voerde de advocaat aan:

“Op 5 februari is betrokkene gesproken. Vervolgens is in de hele medische verklaring niks te vinden over die eisen wat er met betrokkene is gesproken. Helemaal niks. Er wordt alleen verwezen naar informatie van de behandelaar en familie. Ik kan niet opmaken wat in het gesprek is besproken en of de onafhankelijke arts daar zijn visie voldoende op baseert. Het formele standpunt is dan ook dat geen wijziging zorgmachtiging op de medische verklaring gebaseerd mag worden. Daarom vraag ik afwijzing.”

En ook:

“Het klopt dat de eerste medische verklaring al wankel is en het klemt meer, omdat [betrokkene] toen ook niet is gezien. Maar mijn punt is dat los daarvan de aanvulling niet aan de eisen van de wet voldoet. Het enige bij de toelichting is informatie van derden. Er moet uit de medische verklaring blijken wat is besproken.”

3.3

Bij mondeling gegeven beschikking van dezelfde dag, schriftelijk uitgewerkt op 26 februari 2026, heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie toegewezen, de zorgmachtiging van 30 december 2025 gewijzigd, en bepaald dat ten aanzien van betrokkene – naast de in de bestaande zorgmachtiging opgenomen vormen van verplichte zorg – bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:

- het beperken van de bewegingsvrijheid;

- het insluiten;

- het uitoefenen van toezicht op betrokkene;

- het opnemen in een accommodatie.

Voorts heeft de rechtbank bepaald dat deze wijziging geldt voor de resterende duur van de bestaande zorgmachtiging, derhalve tot en met 30 juni 2026.

3.4

Naar aanleiding van het hiervoor in 3.2 weergegeven verweer van betrokkene heeft de rechtbank onder meer overwogen:

“2.4.2 (…) Uit de overgelegde stukken blijkt dat betrokkene is beoordeeld door een onafhankelijk psychiater en op basis daarvan is opgenomen en tijdelijk ingesloten is geweest. Er is een geldende zorgmachtiging waarop nu een wijziging/aanvulling wordt gevraagd. Dat in de aanvullende medische verklaring niet staat wat tussen de onafhankelijk psychiater en betrokkene is besproken, moet volgens de rechtbank dan ook niet tot gevolg hebben dat het verzoek tot een wijziging van de zorgmachtiging afgewezen moet worden. De psychiater heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat een langere opname nog nodig is en dat de insluitingszorgvormen nog voorzienbaar zijn. Betrokkene is immers afgelopen zondag nog ingesloten geweest. De rechtbank ziet geen reden om aan de verklaring van de psychiater te twijfelen en acht het wenselijk dat de opname- en insluitingszorgvormen in de zorgmachtiging worden opgenomen.”

3.5

Bij verzoekschrift van 12 mei 2026 heeft betrokkene – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.

4 Bespreking van het cassatiemiddel

Onderdeel 1

4.1

De in onderdeel 1 aangevoerde klacht vormt een uitwerking van het bij de mondelinge behandeling namens betrokkene ingenomen standpunt dat in de aanvullende medische verklaring niet wordt vermeld wat tussen de onafhankelijk psychiater en de betrokkene is besproken en dat de verklaring daarmee geen inzicht verschaft in de (actuele) situatie van betrokkene, althans dat hiermee niet duidelijk is hoe de onafhankelijk psychiater tot zijn diagnose is gekomen. De rechtbank zou hebben miskend dat de medische verklaring ingevolge art. 5:9 lid 1 Wvggz de bevindingen van de onafhankelijk psychiater moet vermelden. Voorts zouden niet alle in art. 8:12 lid 3 Wvggz vermelde stukken bij het verzoek zijn gevoegd. Het middel verwijst naar een beschikking van de Hoge Raad van 24 september 2021.

4.2

Ik lees in dit betoog twee klachten: (1) de (formele) klacht dat het door de officier van justitie bij de rechtbank ingediende dossier niet compleet was en (2) de (materiële) klacht dat de aanvullende medische verklaring inhoudelijk niet voldoet aan alle wettelijke vereisten.

Ad (1): Was het door de officier van justitie op 9 februari 2026 ingediende dossier compleet?

4.3

In de zaak die heeft geleid tot de in het middel genoemde beschikking van 24 september 2021 voerde de verzoeker aan dat bij een verzoek tot wijziging van een zorgmachtiging de stukken die aan de te wijzigen zorgmachtiging ten grondslag lagen, als bijlagen moeten worden overgelegd, en dat met betrekking tot het wijzigingsverzoek opnieuw een oordeel van een onafhankelijke psychiater moest worden ingewonnen.

4.4

Wat het eerste punt betreft ontleen ik aan de conclusie van A-G Snijders in die zaak dat daar was aangevoerd dat de stukken bij de oorspronkelijk aanvraag van de zorgmachtiging niet in het geding waren gebracht en dat bovendien een aanvulling van die stukken ontbrak.

4.5

In zijn beschikking overweegt de Hoge Raad dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat, indien een wijziging van een zorgmachtiging nodig is, de voorbereidingsprocedure van hoofdstuk 5 van de Wvggz dient te worden gevolgd. De procedure kan wel sneller worden doorlopen. Zo zijn het zorgplan en de zorgkaart al aanwezig en kan een wijziging daarvan snel worden voorbereid (rov. 3.2). Vervolgens overweegt de Hoge Raad:

“3.3 Het voorgaande brengt mee dat bij een verzoekschrift tot wijziging van een zorgmachtiging — naast de in art. 8:12 lid 3 Wvggz vermelde stukken — de bestaande zorgmachtiging en de stukken die daaraan ten grondslag hebben gelegen dienen te worden overgelegd, voorzien van een actualisering daarvan met het oog op de vormen van verplichte zorg waarop het wijzigingsverzoek ziet. Dit betekent dat ook een aanvullende medische verklaring nodig is van een psychiater die voldoet aan de in art. 5.7 Wvggz genoemde voorwaarden, tenzij de oorspronkelijke medische verklaring nog actueel is en mede betrekking heeft op de aanvullende vormen van zorg waarop het wijzigingsverzoek ziet. Aldus is gewaarborgd dat de rechter ten aanzien van de aanvullend verzochte vormen van verplichte zorg kan beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid (…).

(…)

3.4

Nu de stukken die ten grondslag lagen aan de bestaande zorgmachtiging, noch de bestaande zorgmachtiging zelf bij het verzoek tot wijziging van die zorgmachtiging zijn gevoegd en de rechtbank ook geen melding maakt van die stukken, moet ervan worden uitgegaan dat deze niet zijn overgelegd. Ook ontbreekt een aanvulling op die stukken als hiervoor in 3.3 bedoeld. De rechtbank beschikte daarmee niet over de gegevens die op grond van de wet — en voor zover het gaat om opname in een accommodatie: tevens op grond van art. 5 EVRM — noodzakelijk zijn om de toewijsbaarheid van het verzoek te kunnen beoordelen.”

4.6

De vraag is nu of in de onderhavige zaak wél is voldaan aan de in rov. 3.3 geformuleerde eisen. In rov. 1.1 van de bestreden beschikking overweegt de rechtbank:

“Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- de medische verklaring van 5 februari 2026;

- het zorgplan van 4 februari 2026;

- de aanvraag van de zorgverantwoordelijke van 4 februari 2026;

- het advies van de geneesheer-directeur van 6 februari 2026;

- de bestaande zorgmachtiging met de stukken die daaraan ten grondslag hebben gelegen.”

4.7

Uit rov. 1.1 van de beschikking waarbij de bestaande zorgmachtiging is verleend, blijkt dat bij het verzoekschrift van de officier van justitie van 8 december 2025 “

“de volgende bijlagen zijn gevoegd”:

- de medische verklaring (…) van 4 december 2025;

- de niet-ingevulde zorgkaart;

- de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;

- de relevante politiegegevens van betrokkene;

- het bericht dat er geen relevante strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn.”

Dat zijn de stukken die ten grondslag lagen aan de zorgmachtiging van 30 december 2025.

4.8

Het middel stelt niet dat de vaststelling van de rechtbank zoals weergegeven hiervoor in 4.6 onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. De vraag of het dossier compleet was is bij de mondelinge behandeling niet aan de orde geweest. Uit het proces-verbaal van de behandeling van 12 februari 2026 blijkt bovendien expliciet dat de rechter de oorspronkelijke medische verklaring kende. Voor zover het middel klaagt dat de bestaande zorgmachtiging en de daaraan ten grondslag liggende stukken niet waren overgelegd en het dossier in zoverre niet voldeed aan de door de Hoge Raad in zijn beschikking van 24 september 2021 gestelde vereisten, treft het daarom geen doel.

Ad (2): Voldoet de aanvullende medische verklaring aan de inhoudelijke vereisten?

4.9

Het middel klaagt dat de aanvullende medische verklaring niet de bevindingen van de onafhankelijk psychiater betreft. In de toelichting onder 5 wordt aan de hand van art. 5:9 lid 1 Wvggz betoogd dat ‘dit’ (bedoeld is: ‘de bevindingen’) de symptomen betreft die de betrokkene vertoont en de diagnose van de stoornis. Daarnaast dient te worden vermeld of er ernstig nadeel is en ook welk nadeel, alsook het verband tussen het gedrag dat uit de stoornis voortvloeit en het nadeel. Ten slotte moet aandacht worden gegeven aan de zorg die noodzakelijk is om het ernstig nadeel weg te nemen. Het middel erkent wel dat in de wet noch in de wetgeschiedenis nadere eisen worden gesteld aan de motivering van de bevindingen van de onafhankelijk psychiater, zodat het dus ter beoordeling van de rechter staat of “de medische verklaring voldoende met redenen is omkleed.”

4.10

De procesinleiding verwijst in nr. 11 naar de conclusie van A-G Coenraad in een recente Wzd-zaak. Zij merkt daarin onder meer het volgende op (citaat zonder voetnoten):

“3.11 Voor zowel de Wvggz als de Wzd zijn modellen ontwikkeld voor de medische verklaring, waarmee in de praktijk gewerkt wordt. Deze modellen bevatten vragen aan de onafhankelijke arts, aan de hand waarvan deze de rechter informatie verschaft over de wettelijke eisen voor het verlenen van een machtiging. Daarbij wordt de onafhankelijke arts gevraagd concrete voorbeelden te noemen en aan te geven door wie bepaalde gedragingen zijn waargenomen of op grond waarvan hij tot zijn oordeel over diagnose of ernstig nadeel komt. In de praktijk komen zowel uitvoerig als summier gemotiveerde medische verklaringen voor.

3.12

Uit de wet of wetsgeschiedenis blijkt niet van concrete nadere (minimum)eisen die zouden gelden voor de verslaglegging door de onafhankelijke arts van de bevindingen van dossieronderzoek dat hij heeft gedaan of van het overleg dat hij met de behandelend arts of dagelijkse zorgverleners heeft gehad.

3.13

Ook in de literatuur is hier niet veel over te vinden. Dijkers heeft het volgende betoogd over de presentatie van de bevindingen van de onafhankelijke arts in de medische verklaring (met weglating van de voetnoten):

‘(...) de presentatie

De voorlichting moet zodanig worden gepresenteerd dat het een grondslag voor het te nemen besluit kan vormen. De verklaring moet leesbaar zijn, niet nader toegelicht psychiatrisch jargon is slechts in beperkte mate aanvaardbaar en de motivering moet draagkrachtig zijn (toegesneden op het concrete geval, niet in te algemene bewoordingen gesteld). Informatie die de arts van derden heeft ontvangen behoeft hij niet in schrift aan de verklaring te hechten, hoewel onder omstandigheden (bijvoorbeeld als het advies zwaar leunt op specifieke informatie van een derde) denkbaar is dat zonder aanhechting de verklaring niet deugdelijk onderbouwd moet worden geacht.’”

4.11

Ook voor de Wvggz geldt dat de oordelen van de onafhankelijk psychiater duidelijk moeten zijn en moeten kunnen worden gerelateerd aan de beschikbare informatie over het actuele toestandsbeeld van de betrokkene. Aan een medische verklaring kunnen m.i. echter niet dezelfde motiveringseisen worden gesteld als aan een rechterlijke beslissing.

4.12

Een aanvullende medische verklaring bevat een herbeoordeling van het psychiatrisch onderzoek. Van de beoordeling in de oorspronkelijke medische verklaring wordt een actualisering gegeven. Vervolgens stelt de psychiater een diagnose, die in dit geval luidt: ‘structuurdiagnose/psychische stoornis’. Daarna geeft de psychiater zijn mening ten aanzien van de voorgestelde extra zorgvormen en of die noodzakelijk zijn. In dit geval ziet het eerste aangekruiste vakje op blz. 2 van de aanvullende medische verklaring op de zorgvorm ‘opname in een accommodatie’. Het tweede aangekruiste vakje ziet op de drie overige aanvullende zorgvormen: ‘beperken van bewegingsvrijheid’, ‘insluiten’ en ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene om ernstig nadeel af te kunnen wenden’.

4.13

Er bestaat geen grond om aan te nemen dat nader had moeten worden toegelicht waarom de aanvullende vormen van verplichte zorg noodzakelijk waren. Ook als deze zorgvormen voor betrokkene bijzonder ingrijpend zijn (zie procesinleiding, nr.10) vormt dat geen reden om een uitgebreidere motivering te vereisen. Verplichte zorg kan in beginsel altijd als ingrijpend worden ervaren. In dit geval was de aanleiding voor het verzoek tot wijziging van de bestaande zorgmachtiging dat de daarin opgenomen vormen van verplichte zorg niet meer voldeden en daardoor een noodsituatie dreigde als bedoeld in art. 8:11 Wvggz. De bij wijze van tijdelijke maatregel genomen maatregelen dienden ook na de driedagentermijn van art. 8:12 lid 1 Wvggz te worden voortgezet. Dat sprake was van een dreigende noodsituatie wordt in de procesinleiding niet bestreden.

4.14

Ik merk nog op dat de zorgvormen ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie’ ook in eerste instantie waren verzocht, maar door de rechtbank toen niet zijn toegewezen omdat er geen behandelaar bij de zitting van 30 december 2025 aanwezig was geweest die de noodzaak van die maatregelen kon toelichten (zie hiervoor 2.4). Impliciet betekent dit overigens dat het beoordelen of een bepaalde vorm van verplichte zorg noodzakelijk is, niet uitsluitend hoeft te worden gebaseerd op eigen waarnemingen van de onafhankelijk psychiater. Informatie die behandelaars (of de huisarts) hebben verstrekt over de actuele toestand van een betrokkene en die zich in het aan de onafhankelijk psychiater ter hand gestelde dossier bevinden kan voor de oordeelsvorming ook relevant zijn.

4.15

Dat de oorspronkelijke medische verklaring zonder voorafgaand fysiek onderzoek is opgesteld maakt niet dat die verklaring alsnog niet in overeenstemming zou zijn met de wettelijke eisen. De rechtbank had haar beschikking van 30 december 2025 op onder meer die verklaring gebaseerd. Die beschikking is niet aangevochten. Bij het beoordelen van het verzoek om een wijziging (want uitbreiding) van de toen verleende zorgmachtiging mocht de rechtbank daarom ervan uitgaan dat de oorspronkelijke medische verklaring deugdelijk was. De in die verklaring gegeven beoordeling, zoals op onderdelen geactualiseerd in de aanvullende medische verklaring, heeft daarom haar belang behouden.

4.16

Indien de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van verplichte zorg, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren. Zo’n bezwaar kan ertoe leiden dat de rechter de noodzakelijk geoordeelde zorg binnen een categorie van zorg zoals genoemd in art. 3:2 lid 2 Wvggz, nader specificeert of beperkt. Dat is in eerste instantie ook gebeurd. Bij de mondelinge behandeling van het verzoek om wijziging van de bestaande zorgmachtiging op 12 februari 2026 is blijkens het proces-verbaal niet specifiek bezwaar gemaakt tegen een of meer van de verzochte vormen van verplichte zorg. Op dat punt hoefde de rechtbank haar oordeel daarom niet (nader) te motiveren.

4.17

Hetgeen verder in de toelichting wordt aangevoerd leidt niet tot een andere beoordeling.

4.18

Het voorgaande betekent dat onderdeel 1 faalt.

Onderdeel 2

4.19

Onderdeel 2 is een voorbouwklacht die faalt in het voetspoor van klachtonderdeel 1.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Alle stukken waarnaar wordt gewezen bevinden zich in het (ongenummerde) aanvullend dossier. Abusievelijk staat boven die beschikking nog de datum van 22 december 2025. Zie ook de toelichting bij het middel, punt 7. Aangezien niet was beslist binnen de beslistermijn van drie weken genoemd in art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e), Wvggz was de maximale geldigheidsduur van de nieuwe zorgmachtiging niet twaalf maar zes maanden. Proces-verbaal van de zitting van 12 februari 2026, p. 4, eerste volle alinea. Proces-verbaal van de zitting van 12 februari 2026, p. 4, onder het midden. Binnen de beslistermijn van drie dagen na ontvangst verzoekschrift (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder d, Wvggz). Bedoeld is de behandelend psychiater. ECLI:NL:2021:1357, NJ 2021/162, m.nt. J. Legemaate. ECLI:NL:PHR:2021:692, nr. 3.9. Zie Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25, blz. 182. ECLI:NL:PHR:2026:117, nr. 3.24, voor HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:578. W.J.A.M. Dijkers, Doen en laten in de BOPZ-machtigingsprocedure (diss. RuG), Reeks gezondheidsrecht nr. 21, Den Haag: Vermande 2003, p. 200-201. Vgl. L.F.M. van Boxtel, W.J.A.M. Dijkers & R.P. de Roode, Teksten gedwongen zorg. Editie 2025, Sdu B.V. Den Haag, 2025, p. 239. Art. 27 lid 2 Wzd bepaalt dat de medische verklaring inzicht verschaft in de actuele situatie van de cliënt “en met redenen wordt omkleed”. Hoofdstuk 5, paragraaf 3 Wvggz bevat niet een zelfde expliciete motiveringseis.