Personen- en familierecht
Wvggz. Zorgmachtiging. Overbruggingsmachtiging bij deelbeschikking. Betrokkene niet gehoord door ontbreken…
Parket bij de Hoge Raad, 9 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:976 · Parket bij de Hoge Raad · 9 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/ecli-nl-phr-2026-976
Zaakgegevens
Op 9 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2026
- Datum publicatie
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- 26/02348
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Advocaat
- mr. M.E. Bruning
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:976
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wvggz. Zorgmachtiging. Overbruggingsmachtiging bij deelbeschikking. Betrokkene niet gehoord door ontbreken tolk (art. 6:1 lid 1 Wvggz). Beslistermijn van art. 6:6 lid 2 Wvggz. Eindbeschikking niet aangevochten.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/02348
Zitting 9 oktober 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
tegen
De Officier van Justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland,
verweerder,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1 Inleiding en samenvatting
Deze Wvggz-zaak betreft een beroep tegen het verlenen van een ‘overbruggingsmachtiging’ zonder dat betrokkene was gehoord. De reden waarom betrokkene niet was gehoord was dat hij op de zitting een tolk nodig bleek te hebben. De rechtbank heeft de behandeling twee weken aangehouden, maar voor die korte periode wel een zorgmachtiging verleend. Het beroep daartegen slaagt: ook een kortlopende zorgmachtiging mag niet worden verleend zonder dat betrokkene is gehoord en niet is gebleken dat hij niet kon of wilde worden gehoord. Bij eindbeschikking heeft de rechtbank een aansluitende zorgmachtiging voor twaalf maanden verleend. Betrokkene heeft de eindbeschikking niet aangevochten.
2 Feiten en procesverloop
Bij verzoekschrift, door de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) ontvangen op 26 februari 2026, heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor verschillende vormen van verplichte zorg voor de duur van 24 maanden (hierna: het verzoek). De op dat moment lopende zorgmachtiging was verleend voor twaalf maanden, tot en met 2 april 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek vond plaats op 19 maart 2026 op de locatie waar betrokkene verbleef. Aanwezig waren betrokkene, zijn advocaat, een behandelend arts en een verpleegkundige. Tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek kwam het echter niet omdat al snel bleek dat een tolk Engels of Hebreeuws nodig was om betrokkene in staat te stellen de behandeling te volgen. In het proces-verbaal van de zitting staat:
“Bij aanvang van de mondelinge behandeling bleek dat er een tolk Engels dan wel Hebreeuws nodig was. Er is geprobeerd om een telefonische tolk aan te laten sluiten. Echter, betrokkene bleek slechthorend te zijn. Hierop heeft de rechter besloten dat een fysieke tolk Engels dan wel Hebreeuws noodzakelijk was.
Het is van belang dat betrokkene de inhoudelijke behandeling van het verzoek goed begrijpt. De rechtbank houdt de behandeling van het verzoek aan voor de duur twee weken. (…).”
Bij deelbeschikking van die zelfde dag, schriftelijk uitgewerkt op 23 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking), heeft de rechtbank de behandeling aangehouden tot 1 april 2026.
De rechtbank overweegt daarin ook dat uit de processtukken blijkt dat betrokkene zorg nodig heeft en dat hij lijdt aan een psychische stoornis (rov. 3.2) die ernstig nadeel veroorzaakt (rov. 3.3). Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis (rov. 3.5). De gevraagde vormen van verplichte zorg zijn evenredig en naar verwachting effectief (rov. 3.7).
Op deze gronden heeft de rechtbank het verzoek toegewezen voor de duur van twee weken (tot en met 2 april 2026) en haar beslissing voor het overige aangehouden.
Op 1 april 2026 is het verzoek inhoudelijk behandeld in aanwezigheid van betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk Hebreeuws.
Bij eindbeschikking van die datum, schriftelijk vastgelegd op 16 april 2026, heeft de rechtbank het verzoek voor alle zorgvormen toegewezen, zij het niet voor de verzochte termijn van twee jaar maar slechts voor één jaar. De rechtbank overweegt daartoe:
“Desondanks ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van gevraagde termijn van vierentwintig maanden en zal de machtiging verlenen tot en met 19 maart 2027. Dat is een jaar gerekend vanaf de ingangsdatum van de op 19 maart 2026 verleende zorgmachtiging. De rechtbank ziet hier aanleiding toe vanwege veranderingen waar betrokkene de komende tijd mee te maken krijgt. Dat betreft het opbouwen van een band met de nieuwe behandelaar en de beoogde verhuizing naar een andere afdeling. Dit maakt dat de situatie van betrokkene eerder moet kunnen worden geëvalueerd dan over twee jaar. (…).”
Namens betrokkene is op 19 juni 2026 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de deelbeschikking van 19 maart 2026. De officier van justitie is niet verschenen. Betrokkene heeft geen cassatieberoep ingesteld tegen de eindbeschikking van 1 april 2026. Deze zaak gaat daarom uitsluitend over de rechtsgeldigheid van de deelbeschikking.
3 Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel klaagt dat de rechtbank, door een overbruggingsmachtiging van twee weken te verlenen, de hoorplicht van art. 6:1 lid 1 Wvggz en het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden (onderdeel 1.1). De rechtbank heeft ook het recht op kosteloze bijstand van een tolk geschonden, voor zover de uitvoering van de verplichte zorg leidt tot vrijheidsbeneming nu de zorgmachtiging is verleend zonder bijstand van een tolk af te wachten (onderdeel 1.2). De rechtbank heeft bovendien het vertrouwensbeginsel resp. het rechtszekerheidsbeginsel geschonden, althans een innerlijk tegenstrijdig oordeel gegeven, door enerzijds te beslissen dat de zaak later moest worden behandeld in aanwezigheid van een tolk, maar anderzijds een zorgmachtiging te verlenen voor twee weken (onderdeel 1.3).
De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Ik stel daarbij het volgende voorop.
Een nieuwe zorgmachtiging kan worden toegewezen voor een periode van maximaal twaalf maanden indien zij direct aansluit op de lopende zorgmachtiging. Zit er een ‘gat’ tussen de datum waarop de lopende zorgmachtiging vervalt en de datum waarop een nieuwe zorgmachtiging ingaat, dan is van een aansluitende zorgmachtiging geen sprake. In dat geval is de maximale geldigheidsduur van de nieuwe zorgmachtiging (niet twaalf, maar) zes maanden. Bovendien ontbreekt gedurende het ‘gat’ de noodzakelijke wettelijke grondslag voor het verlenen van verplichte zorg.
De rechter kan in dat kader voor een praktisch dilemma worden gesteld in gevallen waarin verplichte zorg noodzakelijk is omdat er een (groot) risico bestaat op ernstig nadeel voor de patiënt of zijn omgeving, maar de procedure om te beslissen op het verzoek voor een nieuwe zorgmachtiging is vertraagd, bijvoorbeeld omdat de betrokkene ter zitting niet is verschenen of omdat een medische verklaring ontbreekt. De rechter zal dan mogelijk willen voorkomen dat de patiënt (tijdelijk) niet kan worden behandeld, maar even goed dat de verplichte zorg wederrechtelijk wordt verleend. Ik kan er begrip voor opbrengen dat de rechter dan bij wijze van noodverband beslist om een zorgmachtiging voor een korte duur te verlenen. Dit strookt echter niet met de eisen van de wet, aangezien ook voor het verlenen van een kortlopende zorgmachtiging betrokkene de gelegenheid moet krijgen om te worden gehoord (art. 6:1 Wvggz). De wet maakt daarvoor geen uitzondering.
Aan de bron van deze onbevredigende situatie ligt de termijnbepaling in art. 6:6 lid 2 Wvggz:
“Indien de officier van justitie (…) uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur, bedoeld in artikel 6:5, onderdelen b en c, is verstreken, een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend, vervalt de eerdere zorgmachtiging (…) als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de termijn [van drie weken], bedoeld artikel 6:2, eerste lid, onderdeel e. (…).”
Indien de officier van justitie meer dan vier weken voor de vervaldatum van de lopende zorgmachtiging een aansluitende zorgmachtiging vraagt en indien de rechter de behandeling van verzoek heeft moeten aanhouden (bijvoorbeeld omdat de betrokkene niet op de zitting is verschenen zonder dat vaststaat dat hij niet in staat of bereid is zich te doen horen), dan vervalt de lopende zorgmachtiging van rechtswege drie weken na het indienen van het verzoek om een nieuwe zorgmachtiging (art. 6:2 lid 1, onder e, Wvggz). Dat is dus vóór het einde van de duur waarvoor de lopende zorgmachtiging is verleend.
De onderhavige zaak illustreert het voorgaande:
- de lopende zorgmachtiging had een looptijd tot en met donderdag 2 april 2026
- op donderdag 26 februari 2026, vijf weken daarvoor, is het verzoek ingediend
- donderdag 19 maart 2026, drie weken daarna, was de zitting en verliep de beslistermijn
- op die dag (24.00 uur) verviel de lopende machtiging, twee weken vóór de einddatum
De aanhouding tot aan de einddatum van 2 april 2026 was hier dus al ‘fataal’, omdat de beslistermijn van drie weken verstreek op 19 maart 2026. Ik vind dat onwenselijk, temeer omdat de beslistermijnen in de Wvggz niet kunnen worden verlengd.
In gevallen waarin de rechtbank redelijkerwijs niet binnen drie weken op een verzoek om een aansluitingsmachtiging kan beslissen, zou een langere beslistermijn dan drie weken mijns inziens wenselijk zijn. De wet zou kunnen bepalen dat de lopende zorgmachtiging vervalt op de dag waarop volledig is beslist op het verzoek voor een aansluitende zorgmachtiging (hier: op 1 april 2026) en, als dat niet is ten laatste op de einddatum van de lopende zorgmachtiging (hier: op 2 april 2026), dan op die datum.
In het geval waarin de lopende zorgmachtiging is verleend voor zes maanden (art. 6:5, onder a, Wvggz) en een aansluitende zorgmachtiging van twaalf maanden wordt verzocht, speelt de zojuist genoemde problematiek niet. De officier van justitie hoeft dan namelijk niet al ten minste vier weken voor de einddatum van de bestaande zorgmachtiging een verzoek voor een nieuwe zorgmachtiging in te dienen. Het volstaat dat het verzoek is ingediend voordat de geldigheidsduur (van zes maanden) verstrijkt (art. 6:6 lid 2, eerste zinsdeel, Wvggz). Wordt zo’n verzoek bijvoorbeeld een week voor de einddatum van de lopende zorgmachtiging ingediend, dan heeft de rechtbank vanaf die dag drie weken om op dat verzoek te beslissen, hoewel dat na de einddatum van de lopende zorgmachtiging is.
In deze zaak echter heeft de rechtbank betrokkene niet kunnen horen. Ook een bij deelbeschikking verleende kortlopende zorgmachtiging mag niet worden verleend indien de betrokkene daarover door de rechter niet is gehoord (en niet is komen vast te staan dat de betrokkene niet in staat of bereid was zich te doen horen). De verplichting de betrokkene de gelegenheid te geven te worden gehoord geldt onverkort als een nieuwe zorgmachtiging voor een korte periode wordt verleend die dient als overbrugging tussen de aflopende zorgmachtiging en de nieuwe zorgmachtiging. De klacht slaagt.
Vernietiging van de deelbeschikking tast niet de rechtsgeldigheid aan van de op 1 april 2026 gegeven eindbeschikking. Dat betekent echter niet dat betrokkene bij zijn beroep tegen de deelbeschikking geen belang zou hebben. Vernietiging van de deelbeschikking impliceert namelijk dat aan betrokkene van 20 maart t/m 1 april 2026 verplichte zorg is verleend zonder een geldige grondslag. Eventueel kan daarover een klacht worden ingediend.
Ik heb mij tot slot afgevraagd wat in dit geval een juiste wijze van afdoening is. Zelf afdoen is onder meer mogelijk indien de Hoge Raad kan bepalen dat de maximale duur van de nieuwe machtiging niet twaalf maar zes maanden bedraagt. Daar zijn nogal wat precedenten van. Naar mijn mening kan de Hoge Raad hier de zaak niet op die manier zelf afdoen, simpelweg omdat er niets te beslissen valt.
Het alternatief is terugwijzen naar de rechtbank. Ook daarvan staat het nut mijns inziens niet vast. Immers, op het moment dat de te vernietigen deelbeschikking werd gegeven (19 maart 2026), was betrokkene niet naar behoren gehoord. Dat laat zich niet herstellen, temeer omdat die beschikking is ingehaald door de eindbeschikking. Van de twee opties afdoen of terugwijzen ligt de laatste nog het meest voor de hand.
4 Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van 19 maart 2026 van de rechtbank Midden-Nederland en tot terugwijzing naar die rechtbank.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G