Personen- en familierecht

Wvggz. Zorgmachtiging. Onderzoek naar bekendheid betrokkene met mondelinge behandeling en naar bereidheid…

Parket bij de Hoge Raad, 9 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
9 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
26/01285
Advocaat
mr. E.F.A. Linssen-Van Rossum
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:985
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wvggz. Zorgmachtiging. Onderzoek naar bekendheid betrokkene met mondelinge behandeling en naar bereidheid betrokkene zich te doen horen (art. 6:1 lid 1 Wvggz)? Aanhouding behandeling bij mogelijk verblijf betrokkene in buitenland (art. 6:1 lid 3 Wvggz)?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/01285

Zitting 9 oktober 2026

CONCLUSIE

L.M. Coenraad

In de zaak

[betrokkene] ,

hierna: betrokkene,

advocaat: mr. E.F.A. Linssen-Van Rossum,

tegen

de officier van justitie in het arrondissement Gelderland,

hierna: de officier van justitie.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend zonder dat betrokkene is gehoord. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, nadat hij ter zitting niet is verschenen.

1.2

In cassatie wordt tegen dit oordeel opgekomen. Geklaagd wordt dat de rechtbank, door de mondelinge behandeling voort te zetten zonder betrokkene zelf te horen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechter heeft onderzocht of betrokkene op de hoogte was van plaats en datum van de mondelinge behandeling en de rechter niet als gevolg van eigen onderzoek persoonlijk heeft vastgesteld dat betrokkene niet wil worden gehoord. Het middel koppelt daaraan (1) de rechtsklacht dat het oordeel van de rechtbank in strijd is met artikel 6:1 lid 1 en 3 Wvggz en (2) de motiveringsklacht dat de vaststelling in r.o. 1.3 dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen en kennelijk op de hoogte was van tijd en plaats van de zitting, maar desondanks niet is verschenen, niet aldaar en ook niet in r.o. 5.1 e.v. onder de beoordeling, is gemotiveerd. Mijns inziens slagen deze klachten.

1.3

Voor zover wordt geklaagd dat de rechtbank het verzoek had moeten aanhouden op grond van artikel 6:1 lid 3 Wvggz, totdat betrokkene in Nederland zou kunnen worden gehoord, behoeft deze klacht, gelet op het slagen van de hiervoor weergegeven klachten, geen bespreking.

2 Feiten en procesverloop

2.1

Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) ingekomen op 29 december 2025, heeft de officier van justitie verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden voor verschillende vormen van verplichte zorg.

2.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Bij deze mondelinge behandeling zijn verschenen: de advocaat van betrokkene, een psychiater en de behandelend psychiater. Betrokkene zelf is niet verschenen.

2.3

Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 januari 2026 blijkt onder meer het volgende:

“Betrokkene [psychiater 1; A-G]

Wij staan achter de medische verklaring (…) Hij is uit contact gegaan. (…)

Advocaat

Mijn cliënt was niet op de hoogte van de zitting. Hij is op dit moment in Frankrijk. Hij heeft mij zijn locatie gestuurd, dus vandaar dat hij niet aanwezig kan zijn. Hij is onderweg naar Spanje, daar gaat hij zijn leven opbouwen. Hij gaat niet meer terugkomen naar Nederland. Het standpunt is dat hij niet bekend was met de zitting. Het is dus ook niet mogelijk, hij had wel verweer willen voeren. Hij is het er niet mee eens. (…) Hij verzoekt afwijzing. Daarnaast is de vraag of een zorgmachtiging op dit moment doelmatig is.

Psychiater [psychiater 2; A-G]

Hij heeft van ons schriftelijk bericht gehad dat de zorgmachtiging plaats vindt. Ik heb hem ook gesproken dat het niet bij hem thuis zou zijn, maar hier. Een andere medewerker heeft he[m; A-G] ook gesproken. Ik snap dat hij naar het buitenland is gegaan. Ik weet natuurlijk niet of het ook echt zo is. (…) Als de zorgmachtiging niet wordt afgegeven dan komt hij gewoon terug. Hij heeft een ex hier in Nederland. Zij heeft een dochter waar hij goed contact mee heeft. Hij heeft toegezegd dat hij hier zou komen, maar hij is niet verschenen. Hij heeft een auto. Hij kan in Frankrijk zijn, hoeft niet, maar zou kunnen.”

2.4

Bij beschikking van 15 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de verzochte zorgmachtiging verleend en bepaald dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 15 januari 2027. Daartoe heeft zij, voor zover in cassatie van belang, overwogen:

“1.3. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Betrokkene was niet aanwezig tijdens de zitting. De toegevoegde advocaat heeft verklaard dat betrokkene niet op de hoogte was van de zitting en dat betrokkene in het buitenland (Frankrijk) is. Betrokkene is volgens de advocaat niet voornemens om terug te keren naar Nederland. De zorgverleners hebben toegelicht dat betrokkene wel op de hoogte was van de zitting. Betrokkene is per brief over de zitting geïnformeerd en telefonisch over de zitting is gesproken. Desondanks is betrokkene niet verschenen.

2.1 (…)

Betrokkene is uit contact gegaan met de zorgverleners. Het is niet duidelijk waar betrokkene op dit moment verblijft. Het vermoeden bestaat dat betrokkene in Frankrijk verblijft. Betrokkene heeft echter wel een BRP-adres in [plaats]. (…)

De rechtbank is, anders dan de advocaat van betrokkene, van oordeel dat het verlenen van de zorgmachtiging doelmatig is. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:4 lid b Wvggz verplichte zorg moet worden ingezet om het ernstig nadeel af te wenden, waarbij het van belang is dat betrokkene medicatie krijgt en behandeld wordt als betrokkene weer in Nederland is. Daarbij is de doelmatigheid ook gelegen in het beschermen van betrokkene en derden tegen het ernstig nadeel.”

2.5

Betrokkene heeft bij procesinleiding van 9 april 2026 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het middel is, naar ik begrijp, gericht tegen r.o. 1.3 van de bestreden beschikking. Geklaagd wordt dat de rechtbank, door de mondelinge behandeling voort te zetten zonder betrokkene zelf te horen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechter heeft onderzocht of betrokkene op de hoogte was van plaats en datum van de zitting en de rechter niet als gevolg van eigen onderzoek persoonlijk heeft vastgesteld dat betrokkene niet wil worden gehoord. Het middel koppelt daaraan (1) de rechtsklacht dat het oordeel van de rechtbank in strijd is met artikel 6:1 lid 1 en 3 Wvggz en (2) de motiveringsklacht dat de vaststelling in r.o. 1.3 dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen en kennelijk op de hoogte was van tijd en plaats van de zitting, maar desondanks niet is verschenen, niet aldaar en ook niet in r.o. 5.1 e.v. onder de beoordeling, is gemotiveerd.

3.2

Ter toelichting op deze klachten betoogt het middel allereerst dat uit de bestreden beschikking niet blijkt van een actief door de rechter zelf verricht onderzoek of betrokkene daadwerkelijk op de hoogte was van de zitting. Weliswaar wordt aan het slot van r.o. 1.3 verwezen naar een brief en een telefonisch gesprek, maar niet duidelijk is of het gaat om een brief van de rechtbank of de brief en het telefoongesprek van de zorginstelling. Op basis daarvan kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld of betrokkene niet in staat of niet bereid was om te worden gehoord, aldus het middel.

3.3

In de tweede plaats wijst het middel erop dat de rechtbank in de vaststelling van haar bevoegdheid meeneemt dat het vermoeden bestaat dat betrokkene in Frankrijk verblijft. Daarom was de rechtbank ook op grond van artikel 6:1 lid 3 Wvggz gehouden de behandeling van het verzoek aan te houden totdat betrokkene in Nederland zou kunnen worden gehoord.

3.4

In de derde plaats wordt ter toelichting op de klachten erop gewezen dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt dat door psychiater 1 ter zitting is verklaard “Hij is uit contact gegaan”, waaruit kan worden afgeleid dat er geen contact is met betrokkene. Verder blijkt uit dat proces-verbaal dat de advocaat ter zitting heeft verklaard dat betrokkene niet op de hoogte was van de zitting, dat hij in het buitenland is en dat hij wel verweer had willen voeren.

3.5

Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop.

3.6

Artikel 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.
Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op grond van artikel 6:1 lid 2 Wvggz, dan wel telefonisch vanaf de zitting.
De vaststelling dat de niet op de mondelinge behandeling verschenen betrokkene niet bereid is zich te doen horen als bedoeld in artikel 6:1 lid 1 Wvggz, veronderstelt in de eerste plaats dat de betrokkene bekend is met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Uitgangspunt is dat de betrokkene voor die mondelinge behandeling behoorlijk wordt opgeroepen door de griffier overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:1 lid 10 Wvggz in verbinding met de artikelen 272 e.v. Rv. Niet uitgesloten is echter dat de betrokkene langs andere weg op de hoogte is gesteld van of bekend is geraakt met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling.

3.7

In artikel 6:1 lid 3, tweede volzin, Wvggz is bepaald dat indien de betrokkene niet in Nederland verblijft, de behandeling van het verzoek door de rechtbank wordt aangehouden totdat de betrokkene in Nederland kan worden gehoord. Gelet op dit doel van de bepaling – faciliteren dat de betrokkene op een later moment alsnog in Nederland kan worden gehoord – is aanhouding van de behandeling van het verzoek op grond van artikel 6:1 lid 3, tweede volzin, Wvggz mijns inziens niet zinvol en dus ook niet aan de orde als de rechter kan vaststellen dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen.

3.8

Ik keer terug naar de bespreking van de klachten.

3.9

In de bestreden beschikking r.o. 1.3, heeft de rechtbank uit gedragingen van de betrokkene (het niet verschijnen ter zitting) afgeleid dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Om die gevolgtrekking te kunnen maken, is in de eerste plaats nodig dat betrokkene op de hoogte is met (plaats en tijdstip van) de mondelinge behandeling. De verklaringen ter zitting van de toegevoegde advocaat van betrokkene enerzijds en van de zorgverleners (de psychiaters) anderzijds die de rechtbank aan haar oordeel over de bereidheid van betrokkene om gehoord te worden ten grondslag legt, zijn tegenstrijdig ten aanzien van de vraag of betrokkene op de hoogte was van de mondelinge behandeling. Volgens de advocaat was betrokkene niet op de hoogte van de mondelinge behandeling en volgens de zorgverleners was hij daarvan wel op de hoogte.

3.10

Bij deze stand van zaken had de rechtbank kenbaar nader onderzoek moeten doen naar de bekendheid van betrokkene met (de plaats en het tijdstip van) de mondelinge behandeling. Van een dergelijk onderzoek blijkt niet uit het proces-verbaal. Dit is opgemaakt in een vorm waarin van de vragen van de rechtbank niet blijkt. Ook uit de bestreden beschikking blijkt niet van een dergelijk onderzoek. R.o. 1.3 moet mijns inziens zo gelezen worden dat deze op het punt van de bekendheid van betrokkene met de mondelinge behandeling welbeschouwd slechts een weergave bevat van de tegenstrijdige verklaringen van de advocaat en van de zorgverleners, zonder dat de rechtbank zich dienaangaande zelf kenbaar een oordeel heeft gevormd. Ook overigens in de bestreden beschikking blijkt niet van een dergelijk onderzoek.

3.11

Van kenbaar onderzoek naar de bereidheid van betrokkene gehoord te worden, blijkt evenmin uit het verhandelde ter zitting of uit de bestreden beschikking. Niet alleen de voormelde tegenstrijdige verklaringen hadden aanleiding moeten geven tot nader onderzoek, maar ook de niet door de rechtbank vermelde verklaring van de advocaat dat betrokkene wel verweer had willen voeren en de verklaring van psychiater 2 dat betrokkene heeft toegezegd naar de mondelinge behandeling te komen, maar niet verschenen is.

3.12

Zo had het in de rede had gelegen dat de rechtbank psychiater 2 om een nadere toelichting had gevraagd over hetgeen schriftelijk en telefonisch door de behandelaars aan betrokkene is medegedeeld met betrekking tot de mondelinge behandeling, en in het bijzonder of daarbij uitdrukkelijk de plaats en het tijdstip daarvan aan de orde zijn gekomen. Ook had de rechtbank kunnen vragen hoe de desbetreffende mededelingen zich verhouden tot de verklaring van psychiater 1 dat betrokkene uit contact is gegaan. Verder had het mijns inziens voor de hand gelegen om ter zitting in ieder geval een poging te doen om betrokkene alsnog telefonisch te bereiken. Uit zowel de bestreden beschikking als het proces-verbaal van de mondelinge behandeling kan ik niet afleiden dat de rechtbank een dergelijke poging heeft ondernomen.

3.13

Gelet op het voorgaande klaagt het middel dus terecht dat de bestreden beschikking hetzij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door het ontbreken van onderzoek door de rechtbank naar de bekendheid van betrokkene met de mondelinge behandeling en naar zijn bereidheid zich te doen horen, hetzij onvoldoende is gemotiveerd.

3.14

Voor zover wordt geklaagd dat de rechtbank het verzoek had moeten aanhouden op grond van artikel 6:1 lid 3 Wvggz, totdat betrokkene in Nederland zou kunnen worden gehoord, behoeft deze klacht, gelet op het slagen van de hiervoor besproken klachten, geen bespreking (vgl. ook hiervoor onder 3.7).

3.15

De slotsom is dus dat het middel terecht is voorgesteld en dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Aangezien betrokkene niet ter zitting is verschenen, betreft deze aanduiding een kennelijke verschrijving. Ik ga ervan uit dat hier een van de twee ter zitting gehoorde psychiaters is bedoeld. ECLI:NL:RBGEL:2026:4557. Vgl. recent o.m. HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:840, JGz 2026/44, m.nt. red., r.o. 3.2. Vgl. HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:59, NJ 2022/40 en JGz 2022/8, m.nt. R.B.M. Keurentjes, r.o. 3.3. Vgl. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2026:119, onder 3.14) voor HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:583, JGz 2026/41, m.nt. I.H. Ploos van Amstel. Vgl. HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1797, NJB 2025/2760, r.o. 3.3, met verwijzing naar HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1890, r.o. 3.3.