Personen- en familierecht

Personen- en familierecht. Verzoek eenhoofdig gezag (art. 1:251a BW) en wijziging zorgregeling (art. 1:377e…

Parket bij de Hoge Raad, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
9 oktober 2026
Zaaknummer
26/00095
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:988
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Personen- en familierecht. Verzoek eenhoofdig gezag (art. 1:251a BW) en wijziging zorgregeling (art. 1:377e BW). Verhouding tot Indiase uitspraak. Misbruik van recht; schending van art. 21 Rv; beginsel van comity of courts.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/00095

Zitting 16 oktober 2026

CONCLUSIE

F. Ibili

In de zaak

[de vader] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: de vader

tegen

[de moeder] ,
verweerster in cassatie,
hierna: de moeder

1 Inleiding

1.1

Aanleiding voor deze zaak is dat de vader de minderjarige ongeoorloofd heeft achtergehouden in India en niet heeft meegewerkt aan een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin de teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland is bevolen. De vader is door de politie in India opgespoord en aangehouden, waarna de minderjarige aan de moeder is toevertrouwd. De Indiase rechter heeft de moeder toestemming verleend om de minderjarige terug te brengen naar Nederland. Ook is bepaald dat de vader in staat moet worden gesteld om contact te hebben met de minderjarige.

1.2

Eenmaal in Nederland heeft de moeder bij de Nederlandse rechter verzocht om het gezamenlijk gezag van partijen te wijzigen in eenhoofdig gezag voor de moeder en om het recht van de vader op omgang met de minderjarige te ontzeggen althans te schorsen.

1.3

Het hof heeft de moeder ontvankelijk verklaard in haar verzoek, omdat sprake is van gewijzigde omstandigheden. De moeder is alleen met het gezag over de minderjarige belast. De vader is het recht op fysieke omgang met de minderjarige ontzegd. Wel is een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader via videobellen begeleid contact kan hebben met de minderjarige.

1.4

In cassatie bestrijdt de vader het ontvankelijkheidsoordeel van het hof. In het cassatiemiddel wordt, kort gezegd, aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de moeder geen misbruik van recht heeft gemaakt, dat zij de waarheidsplicht van art. 21 Rv niet heeft geschonden en dat zij niet in strijd heeft gehandeld met het beginsel van comity of courts.

2 Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.2

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 5 juli 2013 te Utrecht. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [plaats] (hierna: de minderjarige).

2.3

De moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Indiase nationaliteit.

2.4

Bij beschikking van 28 april 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder bepaald. Verder is een zorgregeling vastgesteld voor (fysiek) contact tussen de vader en de minderjarige.

2.5

Bij vonnis in kort geding van 11 juli 2023 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant vervangende toestemming verleend aan de vader om van 5 augustus 2023 tot en met 19 augustus 2023 met de minderjarige naar Mumbai, India, te kunnen reizen.

2.6

Op of omstreeks 7 augustus 2023 is de vader met de minderjarige naar India vertrokken voor een vakantie. Zij dienden uiterlijk 19 augustus 2023 terug in Nederland te zijn. De vader is met de minderjarige niet teruggekeerd naar Nederland.

2.7

Bij beschikking van 9 november 2023 heeft de rechtbank Den Haag de terugkeer van de minderjarige naar Nederland gelast uiterlijk op 28 november 2023. De vader heeft aan deze beschikking geen uitvoering gegeven.

2.8

Bij uitspraak van 8 januari 2024 van de Bombay High Court in India is aan de vader de verplichting opgelegd om de minderjarige voorlopig aan de zorg van de moeder toe te vertrouwen.

2.9

De vader heeft de minderjarige tijdens de procedure in India ontvoerd naar een andere deelstaat in India.

2.10

Op 9 januari 2024 heeft de Bombay High Court een arrestatiebevel tegen de vader uitgevaardigd vanwege het niet-opvolgen van voornoemde verplichting. De vader is met de minderjarige door de politie in India opgespoord en aangehouden, waarna de minderjarige krachtens rechterlijk bevel van de Bombay High Court van 11 januari 2024 aan de moeder is overgedragen.

2.11

Bij uitspraak van 7 februari 2024 heeft de Bombay High Court de moeder toestemming verleend om met de minderjarige naar Nederland af te reizen (‘i) Custody of [de minderjarige] is already handed over to the Petitioner [de moeder, A-G] by Order dated 11th January 2024. Hence, the Petitioner is permitted to take [de minderjarige] with her to the Netherlands.’). Verder heeft de Bombay High Court als volgt geoordeeld met betrekking tot het recht van de vader (‘the Respondent No. 2’) op omgang en contact met de minderjarige:

‘(…)
iv) The Respondent No. 2 is entitled to talk/meet to [de minderjarige] as may be mutually decided between the parties.

v) The Respondent No. 2 is entitled to contact with [de minderjarige] , her care and upbringing as permitted in the aforesaid Order dated 28th April, 2023, passed by the Dutch Court which is in force.

vi) Whenever the Respondent No. 2 wanted to avail the right of contact, care and upbringing given under the said Order dated 28th April, 2023 of the Dutch Court, he can do so by giving notice of at least two weeks in advance intimating in writing to the Petitioner and if such request is received, the Petitioner to positively respond in writing to allow the Respondent No. 2 to contact/meet [de minderjarige] .

vii) If the above Order is terminated, the Petitioner shall seek an appropriate order/direction from the Dutch Court/s to revive/restore the same, so that, [de minderjarige] is not deprived of the support of the father.

viii) Until such revival/restoration of the Order, if the Respondent No. 2 visits at the Netherlands, the Petitioner shall allow him to contact/meet [de minderjarige] for two hours per day, thrice a week, at the time and venue prefixed by the parties. The Respondent No. 2 shall not be entitled to and will not make any attempt to take [de minderjarige] away from the said venue.

ix) Petitioner will permit the Respondent No. 2 to interact with [de minderjarige] on telephone/mobile or video conferencing on every Friday, Saturday and Sunday, between 5:00 p.m. to 6.00 p.m. IST or as may be agreed between the parties.

(...)’.

De beslissing onder vii) heeft de Bombay High Court als volgt gemotiveerd:

‘40) Now about the interest of the Respondent No. 2. (…) There, while coming to the conclusion that, in the best interest and welfare of [de minderjarige] should be with her mother-the Petitioner, this Court was qui vive of the fact that, Respodent No. 2 has certain contact rights over [de minderjarige] by virtue of the Dutch Court Orders. (…) Therefore, we do not think it appropriate to interfere with the rights/custody determined under the Orders of Dutch Courts and let the parties get the said issues finally adjudicated before the Court of competent jurisdiction. (…)
40.1) Therefore (…), it is in the interest of the justice that, the Petitioner seeks an appropriate order/direction in this regard from tne competent Court so that, [de minderjarige] is not deprived of the support of the father as it is very essential for her overall development considering her present condition. (…)’.

2.12

Op 8 februari 2024 is de moeder met de minderjarige teruggekeerd naar Nederland. De vader is in India achtergebleven.

2.13

In Nederland heeft de moeder de rechtbank verzocht om de zorgregeling vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2023 voorlopig te schorsen in afwachting van een beslissing in de bodemprocedure met betrekking tot het gezag en de omgang.

2.14

Bij uitspraak van 15 april 2024 heeft de India Supreme Court, voor zover van belang, het volgende overwogen:

‘13 (…) the first respondent [de moeder, A-G] has in fact moved the Dutch court on her own accord for cancellation of the terms imposed in the order dated 28 April 2023 including inter alia access that has been granted to the petitioner as the father of the child.

14 (…) Having secured the benefit of an order for handing over custody of the child to her, the first respondent is duty bound to comply with the terms on which custody was handed over to her. If the first respondent fails to comply with the terms which were imposed by the High Court, it would be open to the petitioner to move appropriate proceedings before the High Court. (…)

15 Having taken the benefit of the order of the Bombay High Court, secured custody of the child and been permitted to return to her home country, the first respondent must take all steps to cooperate in the due implementation of the conditions which have been imposed by the High Court. As stated above, the actions of the first respondent are not consistent with the express directions of the High Court (…) and the spirit of the judgement which emphasizes the significance of visitation rights and equal support for the child from both parents. The impugned judgement of the High Court is a balanced judgement that protects the ‘best interest of the child’. In this background, it is unconscionable for the first respondent to increase the hostility between the parties by preventing the petitioner from contacting the child. The actions of the first respondent not only violate the conditions in the impugned judgement but also run the risk of adversely impacting the child.

16 (…) The first respondent shall specifically issue a "No Objection" to the Dutch authorities should the petitioner seek to have a permit to enter the Netherlands to gain access to the child in terms of the order of the High Court dated 7 February 2024 expressing that she consents to the grant of a permit to the petitioner. If the first respondent fails to abide by the conditions which are contained in this order, we grant liberty to the petitioner to move the Bombay High Court for appropriate directions including for recalling the judgment dated 7 February 2024.

(…)

18 A copy of this order shall be placed on the record of the court in the Netherlands by the first respondent.’

2.15

Bij vonnis in kort geding van 30 april 2024 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant de bij beschikking van de rechtbank van 28 april 2023 vastgestelde zorgregeling tussen de vader en de minderjarige geschorst totdat de rechtbank heeft beslist op het verzoek om voorlopige voorzieningen in de door de moeder aanhangig gemaakte bodemprocedure. Verder is de moeder veroordeeld om de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 na te komen door de vader de mogelijkheid te bieden om begeleid telefonisch of via beeldbellen contact te hebben met de minderjarige, drie keer per week voor een half uur.

2.16

Bij beschikking van 20 juni 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank van 28 april 2023 en van de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024, voor zover het de zorgregeling betreft, dat de vader gerechtigd is om drie keer per week een half uur begeleid contact te hebben met de minderjarige via videobellen. Deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd bij beschikking van 17 oktober 2024.

2.17

In de onderhavige procedure, ingeleid op 22 februari 2024, heeft de moeder verzocht te bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan haar toekomt. Ook heeft de moeder verzocht om de vader het recht op omgang met de minderjarige te ontzeggen althans te schorsen.

2.18

De vader heeft hiertegen verweer gevoerd en op zijn beurt zelfstandige verzoeken gedaan, onder andere om de zorgregeling zodanig te wijzigen dat hij en de minderjarige onbegeleid contact en omgang kunnen hebben.

2.19

Bij beschikking van 18 november 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant het gezamenlijk gezag over de minderjarige beëindigd en bepaald dat het gezag voortaan aan de moeder alleen toekomt. Voorts heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 28 april 2023 en voor zover nodig van de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024, als voorlopige omgangsregeling vastgesteld dat de vader gerechtigd is om een keer per week begeleide fysieke omgang met de minderjarige te hebben en, zolang de vader niet in Nederland is, om twee keer per week een uur begeleide omgang via videobellen te hebben. Iedere verdere beslissing over de omgang is aangehouden.

2.20

Bij beschikking van 9 oktober 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 november 2024 vernietigd, voor zover het de voorlopige omgangsregeling betreft, en in zoverre opnieuw rechtdoende, met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 28 april 2023 en voor zover nodig van de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024, de vader voorlopig de fysieke omgang met de minderjarige ontzegd en bepaald dat de vader, zolang hij niet in Nederland is, voorlopig gerechtigd is om een keer per twee weken een half uur begeleide omgang te hebben met de minderjarige via videobellen. Voor het overige heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 18 november 2024 bekrachtigd.

2.21

De vader is (tijdig) in cassatie gekomen van de beschikking van het hof (hierna: de bestreden beschikking). De moeder heeft verweer gevoerd.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel van de vader bestaat uit drie onderdelen. De onderdelen 1 en 2 bestrijden het oordeel van het hof met betrekking tot het ontvankelijkheidsverweer van de vader. Hiervoor is het volgende van belang.

3.2

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de vader zich op het standpunt gesteld dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek. Hiervoor heeft de vader de volgende argumenten aangevoerd. (i) De moeder maakt zich schuldig aan misbruik van recht, omdat zij in strijd handelt met toezeggingen die zij aan de Bombay High Court heeft gedaan om het contact tussen de vader en de minderjarige via beeldbellen te faciliteren. Het verzoek van de moeder is ook in strijd met verplichtingen die voor haar voortvloeien uit de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024. (ii) Voor de ontvankelijkheid van de moeder geldt een verzwaarde maatstaf. De Indiase rechter heeft al beslist met betrekking tot de zorgverdeling en het contact tussen de vader en de minderjarige. Het beginsel van comity of courts belet dat hierover opnieuw wordt geprocedeerd bij de Nederlandse rechter. (iii) De moeder handelt in strijd met art. 21 Rv, omdat zij heeft nagelaten de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 in het geding te brengen, zoals haar in die uitspraak is opgedragen. Hiermee heeft zij de Nederlandse rechter bewust misleid.

3.3

De rechtbank heeft het ontvankelijkheidsverweer van de vader verworpen. De motivering is als volgt:

‘1) Misbruik van recht

(…)

4.6.

De rechtbank volgt de vader niet in zijn standpunt dat de moeder misbruik van recht maakt door een verzoek met betrekking tot de zorgregeling en het gezag bij de Nederlandse rechtbank in te dienen. Mocht het verzoek van de moeder al in strijd zijn met toezeggingen die zij voor de High Court van Bombay heeft gedaan, of niet overeenstemmen met de verplichtingen die voortvloeien uit de uitspraak van de Supreme Court van India – hetgeen de rechtbank niet is gebleken – dan betekent dat niet dat zij deze procedure niet mag voeren. De moeder stelt in deze procedure immers dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Het staat de moeder vrij om een dergelijk verzoek bij de rechtbank in te dienen. Het voorgaande kan daarom niet tot de conclusie leiden dat sprake is van misbruik van recht en/of dat de moeder niet ontvankelijk is in haar verzoeken.

2) Het beginsel van ‘Comity of Court’


(…)

4.8.

De rechtbank volgt het standpunt van de vader niet. Zoals reeds onder rechtsoverweging 4.6 is overwogen, staat het de moeder vrij om een wijzigingsverzoek bij de Nederlandse rechtbank in te dienen indien zij van mening is dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Daarmee handelt zij niet in strijd met de ‘Comity of Courts’.

3) Onjuiste voorlichting op grond van artikel 21 Rv

(…)

4.10.

De rechtbank gaat aan dit standpunt van de vader voorbij. Vaststaat dat de vader de genoemde beschikking van de Supreme Court van India van 15 april 2024 aan de rechtbank heeft overgelegd, zodat de rechtbank van dit stuk kennis heeft kunnen nemen en de vader niet in zijn belangen is geschaad. Bovendien kan de rechtbank niet vaststellen of de moeder, zoals de vader lijkt aan te voeren, welbewust dit stuk niet aan de rechtbank heeft overgelegd. Mocht de moeder al in strijd met artikel 21 Rv hebben gehandeld – hetgeen de rechtbank aldus niet kan vaststellen – dan acht de rechtbank het in dit geval niet redelijk om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat de moeder niet kan worden ontvangen in haar verzoeken.’

3.4

Ook in hoger beroep is het ontvankelijkheidsverweer van de vader verworpen. Het hof heeft dit als volgt gemotiveerd:

‘5.5.1 Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de moeder ontvankelijk was in haar verzoeken in eerste aanleg.

Er is geen sprake van misbruik van recht door de moeder. Het stond haar vrij om de verzoeken in eerste aanleg te doen. Mochten haar verzoeken al in strijd zijn met toezeggingen die zij voor het hooggerechtshof van Bombay en het hooggerechtshof van India zou hebben gedaan - hetgeen het hof niet kan vaststellen - dan is dat geen reden waarom zij de procedure in eerste aanleg niet kon voeren. De moeder heeft immers gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Deze gestelde gewijzigde omstandigheden maken dat sprake is van voldoende belang bij haar verzoeken.

Omdat het de moeder vrij stond om een (wijzigings)verzoek in te dienen bij de Nederlandse rechtbank handelde zij niet in strijd met de “Comity of Courts”. De vader heeft zelf in eerste aanleg de beschikking van de Indiase rechter van 15 april 2024 overgelegd als productie 5, zodat deze onderdeel uitmaakt van de procedure bij de rechtbank Oost-Brabant. Reeds om die reden faalt het beroep van de vader op artikel 21 Rv. Er is dan ook geen sprake van een bewuste misleiding van de rechtbank door de moeder. De vader heeft nagelaten deze productie 5 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg over te leggen en handelt daarmee zelf in strijd met artikel 21 Rv.’

3.5

Onderdeel 1 klaagt over het oordeel van het hof in rov. 5.5.1 dat de moeder niet in strijd heeft gehandeld met art. 21 Rv en de vader wel. Deze klacht wordt als volgt toegelicht. Op de moeder rust de verplichting om de Nederlandse rechter volledig en naar waarheid te informeren over de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024, temeer omdat zij daartoe is bevolen door de Indiase rechter (zie onder 18 van voormelde uitspraak: ‘A copy of this order shall be placed on the record of the court in the Netherlands by the first respondent’, aangehaald in 2.14 van mijn conclusie). De moeder heeft nagelaten om de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 over te leggen in deze procedure, waardoor zij in strijd heeft gehandeld met art. 21 Rv. De vader, daarentegen, heeft deze uitspraak wel in het geding gebracht, als productie 5 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg. Niet valt in te zien op welke grond de vader art. 21 Rv zou hebben geschonden. Op grond van het voorgaande heeft het hof in strijd gehandeld met art. 6 EVRM (eerlijk proces en equality of arms).

3.6

Ik stel het volgende voorop. Op grond van art. 21 Rv zijn partijen gehouden om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Indien deze verplichting niet wordt nageleefd, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Dit betekent, in elk geval, dat partijen geen feiten mogen stellen waarvan zij weten dat die onjuist (kunnen) zijn, geen feiten mogen ontkennen waarvan zij weten dat die juist zijn, en evenmin feiten mogen achterhouden waardoor de rechter en de wederpartij op het verkeerde been worden gezet. Met art. 21 Rv is beoogd dat de rechter in staat wordt gesteld om een beslissing te geven die zoveel mogelijk recht doet aan de materiële werkelijkheid. Of partijen aan hun verplichting op grond van art. 21 Rv hebben voldaan, berust op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken en op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht. Bij een schending van art. 21 Rv mag de rechter daaraan (ambtshalve) de gevolgen verbinden die hij (in overeenstemming met de aard en ernst van de schending) geraden acht. De rechter is niet verplicht om gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van art. 21 Rv; hij kan besluiten om aan een schending van de waarheidsplicht geen gevolgtrekking te verbinden. De beslissing van de rechter om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van art. 21 Rv, kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

3.7

Nu de feitenrechter een grote mate van vrijheid heeft bij de toepassing van art. 21 Rv en het rechterlijke oordeel hieromtrent goeddeels is onttrokken aan toetsing in cassatie, zal de klacht van het middel met betrekking tot art. 21 Rv niet kunnen slagen. Hiervoor is het volgende van belang. In eerste aanleg heeft de vader de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 in het geding gebracht, als productie 5 bij zijn verweerschrift. De rechtbank heeft van deze uitspraak kennis genomen. Zie rov. 4.10 van de beschikking van 18 november 2024: ‘Vaststaat dat de vader de genoemde beschikking van de Supreme Court van India van 15 april 2024 aan de rechtbank heeft overgelegd, zodat de rechtbank van dit stuk kennis heeft kunnen nemen en de vader niet in zijn belangen is geschaad.’ Niet valt in te zien waarom art. 21 Rv zou meebrengen dat ook van de moeder verlangd moet worden om dezelfde uitspraak van de Indiase rechter in het geding te brengen. Ik zie hierin geen toegevoegde waarde. De materiële werkelijkheid wordt geen geweld aangedaan, omdat de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 onderdeel uitmaakt van de gedingstukken in eerste aanleg. Voor zover die uitspraak geen onderdeel uitmaakt van de gedingstukken in hoger beroep, is dit aan de vader te wijten (zie 3.9 en 3.10 van mijn conclusie).

3.8

Terzijde merk ik nog op dat, voor zover het de vader erom zou gaan (hoewel ik dit niet met zoveel woorden teruglees in het middel) dat met het oog op een eventuele (vervolg)procedure in India, in rechte wordt vastgesteld dat de moeder in het kader van de onderhavige procedure een verplichting heeft geschonden die haar in de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 is opgelegd (zie onder 18 van voormelde uitspraak: ‘A copy of this order shall be placed on the record of the court in the Netherlands by the first respondent’, aangehaald in 2.14 van mijn conclusie), geldt dat art. 21 Rv hiervoor niet is bedoeld. Art. 21 Rv geldt namelijk ten behoeve van een procedure bij de Nederlandse rechter.

3.9

Voor zover het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de vader zelf in strijd handelt met art. 21 Rv, omdat hij heeft nagelaten om de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 in hoger beroep over te leggen, geldt het volgende. In rov. 2.3.2 overweegt het hof als volgt:

‘2.3.2. De vader heeft in hoger beroep niet alle stukken uit de eerste aanleg overgelegd. Het hof heeft de advocaat van de vader tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden niet te beschikken over de bijlagen 1-22 van het verweerschrift van de vader, en de bijlagen (de producties 9 tot en met 12) van het F9-formulier van 26 juli 2024 van de advocaat van de moeder. Namens de vader is hier tijdens de mondelinge behandeling niet op gereageerd. Nu het hof geen kennis heeft kunnen nemen van deze stukken, kan en zal het hof deze niet betrekken bij de beoordeling.’

De redenering van het hof is kennelijk dat, als met de vader wordt aangenomen dat de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 relevant is voor de onderhavige procedure, het op de weg van de vader had gelegen om deze uitspraak, zoals hij in eerste aanleg heeft gedaan, ook in hoger beroep in het geding te brengen. Door dit achterwege te laten heeft de vader art. 21 Rv geschonden. Deze redenering is niet onbegrijpelijk. Lag het immers niet voor de hand dat de vader de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024, als onderdeel van het procesdossier in eerste aanleg, ook in hoger beroep in het geding zou brengen? Als de vader hierover wordt bevraagd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, geeft hij hiervoor geen verklaring. Ook bevreemdt het mij dat de vader in zijn cassatiemiddel verwijst naar en citeert uit de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024, maar (wederom) nalaat om deze uitspraak in het geding te brengen. Wat hier verder ook van zij, uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het hof aan de schending van art. 21 Rv door de vader een voor hem nadelige gevolgtrekking heeft verbonden. Deze schending heeft niet bijgedragen aan de afwijzing van het verzoek van de vader om fysiek contact met de minderjarige mogelijk te maken. Die afwijzing wordt zelfstandig gedragen door rov. 5.17, waarin het hof – onbestreden in cassatie – contra-indicaties heeft vastgesteld voor fysiek contact tussen de vader en de minderjarige.

3.10

Op grond van het voorgaande kan de klacht met betrekking tot een schending van art. 6 EVRM evenmin slagen. Onderdeel 1 faalt derhalve.

3.11

Onderdeel 2 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 5.5.1 dat de moeder geen misbruik van recht maakt, dat de moeder voldoende belang heeft bij haar verzoek omdat zij gewijzigde omstandigheden heeft gesteld en dat de moeder met haar verzoek niet in strijd handelt met het beginsel van comity of courts.

3.12

Het middel klaagt dat het hof art. 24 lid 1 Rv heeft geschonden, omdat het niet heeft gereageerd op de stelling van de vader dat de moeder met haar verzoek in strijd handelt met veroordelingen door en toezeggingen aan de Indiase rechter. Het middel doelt hiermee op de verplichting van de moeder om haar medewerking te verlenen aan het mogelijk maken van contact tussen de vader en de minderjarige, zoals vastgesteld in de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 en herhaald in de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024.

3.13

In deze procedure heeft de moeder verzocht om het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan haar toe te kennen en de vader het recht op omgang met de minderjarige te ontzeggen althans te schorsen. Zij heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Hiervan uitgaande mocht het hof het verzoek van de moeder beoordelen, ook indien de moeder met haar verzoek in strijd zou hebben gehandeld met veroordelingen door en toezeggingen aan de Indiase rechter. Een leidend beginsel van Nederlands familierecht is immers dat een gezagsverhouding en een omgangsregeling naar hun aard veranderlijk zijn. Wanneer een relevante wijziging van omstandigheden zich voordoet, kan de rechter worden verzocht om de gezagsverhouding en/of de omgangsregeling te wijzigen. De minderjarige noch de ouders zijn gebaat bij het in stand houden van een gezagsverhouding en/of omgangsregeling die door gewijzigde omstandigheden is achterhaald. Het oordeel van het hof in rov. 5.5.1, tweede alinea, sluit hierbij aan: ‘Mochten haar verzoeken al in strijd zijn met toezeggingen die zij voor het hooggerechtshof van Bombay en het hooggerechtshof van India zou hebben gedaan – hetgeen het hof niet kan vaststellen – dan is dat geen reden waarom zij de procedure in eerste aanleg niet kon voeren. De moeder heeft immers gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden.’ Tegen deze achtergrond mocht het hof de juistheid van de stelling van de vader dat de moeder met haar verzoek in strijd handelt met veroordelingen door en toezeggingen aan de Indiase rechter, in het midden laten, zonder dat het hof hiermee zijn verplichting op grond van art. 24 lid 1 Rv schendt om de zaak te onderzoeken en beslissen op de grondslag van hetgeen partijen aan hun verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd. Het hof mocht de juistheid van de stelling van de vader in het midden laten, omdat ook als die stelling juist zou blijken te zijn, zulks niet eraan in de weg staat dat in verband met de door de moeder gestelde gewijzigde omstandigheden een rechterlijke herbeoordeling plaatsvindt van het gezag en de omgang.

3.14

Voorts klaagt het middel dat het hof heeft nagelaten om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van gewijzigde omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 en van de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024.

3.15

Bij de behandeling van deze klacht dient onderscheid te worden gemaakt tussen het verzoek van de moeder tot wijziging van de gezagsverhouding en het verzoek van de moeder tot wijziging van de omgangsregeling. Heeft het hof ten aanzien van deze verzoeken een wijziging van omstandigheden kunnen aannemen die een rechtelijke herbeoordeling van het gezag en de omgang rechtvaardigen?

3.16

Met betrekking tot het verzoek van de moeder tot wijziging van de gezagsverhouding geldt het volgende. Het verzoek van de moeder is gebaseerd op art. 1:251a lid 1 BW. Op grond van dit artikel kan de rechter het gezamenlijk gezag wijzigen in eenhoofdig gezag, indien is voldaan een van de gronden in sub (a) en (b). Om de moeder te kunnen ontvangen in haar verzoek vereist art. 1:253n lid 1 BW dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gaat in dit geval om de eerste wijzigingsgrond, omdat het gezag niet eerder onderwerp is geweest van een rechterlijke beslissing (in Nederland of in India). Het verzoek van de moeder ziet op de wijziging van het gezamenlijk gezag dat voortvloeit uit art. 1:251 lid 2 BW (‘Na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen’). Buiten kijf staat dat de omstandigheden die van belang zijn voor het gezag na de ontbinding van het huwelijk zijn gewijzigd. Zie rov. 5.9 van de bestreden beschikking: ‘Het hof is van oordeel dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden na de datum van de ontbinding van het huwelijk. Vaststaat immers dat de vader [de minderjarige] langdurig heeft onttrokken aan het gezag van de moeder en dat de moeder diverse procedures heeft moeten voeren voordat zij [de minderjarige] vanuit India mee kon nemen naar Nederland. De vader verblijft bovendien nog in India.’ Het andersluidende betoog in het middel faalt, omdat wordt miskend dat in de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 en de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 uitsluitend is geoordeeld over de omgang en geen beslissingen zijn genomen over het gezag. Dit betekent dat het hof voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoek om eenhoofdig gezag niet behoefde na te gaan of de omstandigheden ten opzichte van deze Indiase uitspraken zijn gewijzigd. Het hof heeft kunnen volstaan met de beoordeling of de omstandigheden die van belang zijn voor het gezag, na de ontbinding van het huwelijk zijn gewijzigd.

3.17

Met betrekking tot het verzoek van de moeder tot wijziging van de omgangsregeling geldt het volgende. Het verzoek van de moeder is gebaseerd op art. 1:377e lid 1 BW. Op grond van deze bepaling kan de rechter een beslissing inzake de omgang wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het gaat in dit geval om de eerste wijzigingsgrond, omdat de moeder op grond van gewijzigde omstandigheden om een rechterlijke herbeoordeling van de omgangsregeling heeft verzocht. Het verzoek van de moeder strekt tot wijziging van de vigerende omgangsregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2023 en aangevuld in de uitspraak van de High Court van Bombay van 7 februari 2024. Althans zo hebben de rechtbank en (kennelijk ook) het hof het verzoek van de moeder opgevat; dit wordt in cassatie niet bestreden. In de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2023 is een omgangsregeling vastgesteld voor fysiek contact tussen de vader en de minderjarige. Hierbij is uitgegaan van de situatie dat de vader – net als de moeder en de minderjarige – in Nederland woont. In de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 is deze omgangsregeling in stand gelaten (‘v) The Respondent No. 2 is entitled to contact with [de minderjarige] , her care and upbringing as permitted in the aforesaid Order dated 28th April, 2023, passed by the Dutch Court which is in force’ en ‘vi) Whenever the Respondent No. 2 wanted to avail the right of contact, care and upbringing given under the said Order dated 28th April, 2023 of the Dutch Court, he can do so by …’). Voor het geval de bij beschikking van 28 april 2023 vastgestelde omgangsregeling ‘is terminated’, houdt de uitspraak van de Bombay High Court in dat de moeder ‘vii) (…) shall seek an appropriate order/direction from the Dutch Court/s to revive/restore the same, so that, [de minderjarige] is not deprived of the support of the father’, en dat tot die tijd geldt ‘viii) (…) if the Respondent No. 2 visits at the Netherlands, the Petitioner shall allow him to contact/meet [de minderjarige] for two hours per day, thrice a week, at the time and venue prefixed by the parties.’ In aanvulling hierop heeft de Bombay High Court een omgangsregeling vastgesteld voor contact op afstand tussen de vader en de minderjarige: ‘ix) Petitioner will permit the Respondent No. 2 to interact with [de minderjarige] on telephone/mobile or video conferencing on every Friday, Saturday and Sunday, between 5:00 p.m. to 6.00 p.m. IST or as may be agreed between the parties.’ Partijen hebben uitvoering gegeven aan deze omgangsregeling voor contact op afstand, nadat de moeder en de minderjarige naar Nederland zijn gekomen.

3.18

In de beschikking van 18 november 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die rechtvaardigen dat het verzoek van de moeder tot wijziging van de vigerende omgangsregeling inhoudelijk wordt beoordeeld:

‘Wijzigen omgangsregeling


(…)

4.24.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Vast staat dat de vader sinds de zomer van 2023 tot op heden in India verblijft en dat er sinds februari 2024 sprake is van videocontact tussen [de minderjarige] en de vader. Daarnaast is er geen sprake meer van enige communicatie tussen de ouders onderling. De rechtbank komt daarom toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de moeder.’

3.19

In de bestreden beschikking is het hof tot dezelfde conclusie gekomen:

‘Wijziging omgangsregeling

(…)

5.14.

Niet in geschil is dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat de vader sinds de zomer van 2023 in India verblijft en dat er sinds februari 2024 sprake is van video-contact tussen [de minderjarige] en haar vader en dat er geen communicatie is tussen de ouders.’

3.20

Uit rov. 5.14 van de bestreden beschikking volgt dat het hof een wijziging van omstandigheden heeft aangenomen ten aanzien van zowel (a) de omgangsregeling voor fysiek contact vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2023, als (b) de omgangsregeling voor contact op afstand vastgesteld bij uitspraak van 7 februari 2024 van de Bombay High Court. Het middel bestrijdt dit oordeel tevergeefs. Ik licht dit als volgt toe.

3.21

De wijziging onder (a) bestaat hierin dat de omgangsregeling voor fysiek contact vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2023 veronderstelt dat de vader evenals de minderjarige en de moeder in Nederland wonen, terwijl de vader sinds de zomer van 2023 in India verblijft en de moeder met de minderjarige, na een tijdelijk verblijf in India, sinds 8 februari 2024 weer in Nederland woont. Bovendien bestaat tussen de ouders geen communicatie. Dit maakt, in de redenering van het hof, een herbeoordeling van de omgangsregeling voor fysiek contact noodzakelijk. Dit oordeel is juist en begrijpelijk. Omdat de vader sinds de zomer van 2023 in India verblijft, terwijl de minderjarige inmiddels weer in Nederland woont, kan geen uitvoering worden gegeven aan de omgangsregeling voor fysiek contact vastgesteld bij beschikking van 28 april 2023. Dit rechtvaardigt zonder meer een rechterlijke herbeoordeling van die omgangsregeling.

3.22

De wijziging onder (b) bestaat hierin dat partijen sinds februari 2024 uitvoering geven aan de omgangsregeling voor contact op afstand vastgesteld bij uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 en dat tussen de ouders geen communicatie bestaat. Kennelijk heeft het hof hiermee bedoeld dat de moeder om wijziging van de omgangsregeling heeft verzocht, omdat die regeling in de praktijk niet goed blijkt te werken en de belangen van de minderjarige en de moeder hierdoor worden geschaad. Dit sluit aan bij de toelichting van de moeder van haar verzoek. Zie inleidend verzoekschrift, nr. 13 (‘In de beslissing van de High Court d.d. 7 februari 2024 is opgenomen dat de moeder videocontact tussen [de minderjarige] en de vader moet faciliteren. Dat heeft de moeder tot op heden verzorgd. Deze video contacten verlopen echter dramatisch. (…)’) en nr. 14 (‘De video contacten tussen de vader en [de minderjarige] zijn zeer verwarrend. (…) Dit alles leidt tot een zeer onrustige situatie bij de moeder. (…).’). Zie ook verweerschrift in hoger beroep, nr. 6: ‘(…) In de procedure bij de rechtbank Oost-Brabant heeft de moeder zeer uitvoerig toegelicht op grond waarvan sprake is van gewijzigde omstandigheden (…)’. Blijkens rov. 5.5.1 heeft het hof dit standpunt van de moeder betrokken bij zijn oordeelsvorming: ‘(…) De moeder heeft immers gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Deze gestelde gewijzigde omstandigheden maken dat sprake is van voldoende belang bij haar verzoeken.’ Tegen deze achtergrond heeft het hof kunnen oordelen dat de door de moeder gestelde gewijzigde omstandigheden rechtvaardigen dat de omgangsregeling voor contact op afstand vastgesteld bij uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 opnieuw wordt beoordeeld.

3.23

Voor zover de klacht inhoudt dat voor de ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoek tot wijziging van de vigerende omgangsregeling, niet alleen ten aanzien van de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 maar ook van de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 sprake dient te zijn van gewijzigde omstandigheden, geldt het volgende. Zoals het hof in rov. 2.3.2 heeft vastgesteld, heeft de vader nagelaten om de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 (productie 3 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg) in het geding te brengen, waardoor deze uitspraak geen onderdeel uitmaakt van de gedingstukken in hoger beroep. Dit betekent dat de vader het hof niet in de gelegenheid heeft gesteld om te beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van deze uitspraak. Afgezien hiervan blijkt uit de – op mijn verzoek alsnog overgelegde – uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 dat daarin geen (nieuwe) omgangsregeling is vastgesteld. In die uitspraak wordt benadrukt dat het van belang is dat de vigerende omgangsregeling, vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2023 en aangevuld bij uitspraak van de High Court van Bombay van 7 februari 2024, door partijen wordt nageleefd. Nu de Supreme Court geen wijziging heeft aangebracht in de vigerende omgangsregeling, is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de moeder uitsluitend van belang of de omstandigheden die relevant zijn voor de omgang zijn gewijzigd na de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2023 en van de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024.

3.24

Het onderdeel vervolgt met de klacht dat het hof heeft miskend dat de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 en de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 gezag en kracht van gewijsde hebben en dat het beginsel van comity of courts meebrengt dat de Nederlandse rechter zich in het kader van de onderhavige procedure dient te conformeren aan deze uitspraken. Uit de toelichting op deze klacht blijkt (uit de verwijzing naar HR 18 januari 2019 en HR 26 september 2014) dat hiermee wordt bedoeld dat de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 en de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024 rechtskracht hebben in Nederland, hetgeen zou betekenen dat de moeder bij de Nederlandse rechter geen verzoek meer mag doen met betrekking tot dezelfde onderwerpen als waarover de Indiase rechter reeds heeft beslist.

3.25

Voor zover het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat het beginsel van comity of courts onderdeel uitmaakt van het Nederlandse recht, is dit onjuist. Het beginsel van comity of courts, dat kort gezegd inhoudt dat een rechter in een lopend geschil tussen partijen dient acht te slaan op c.q. rekening te houden met een rechterlijke uitspraak uit een vreemde staat die tussen partijen is gegeven over hetzelfde of een vergelijkbaar onderwerp, komt voor in landen met een common law rechtstraditie. Het beginsel van comity of courts maakt als zodanig geen onderdeel uit van het Nederlandse recht. In Nederland komt aan rechterlijke uitspraken uit vreemde staten rechtskracht toe, indien een uitspraak op grond van een Europese verordening, een verdrag of het commune internationaal privaatrecht (art. 431 Rv) voor erkenning in aanmerking komt. In de bestreden beschikking is het hof (net als de rechtbank) ervan uitgegaan, zij het impliciet, dat de omgangsregeling vastgesteld bij uitspraak van 7 februari 2024 van de Bombay High Court op grond van art. 431 Rv voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Dit blijkt uit het dictum van de bestreden beschikking, waarin het hof ‘voor zover nodig’ heeft beslist tot wijziging van ‘de beslissing van de High Court van Bombay van 7 februari 2024, voor zover het de omgangsregeling betreft’. Dit veronderstelt dat het hof de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 heeft erkend.

3.26

Het middel miskent dat de erkenning in Nederland op grond van art. 431 Rv van de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024, op geen enkele manier belet dat de Nederlandse rechter de in die uitspraak vastgestelde omgangsregeling voor contact op afstand tussen de vader en de minderjarige kan wijzigen. Nog daargelaten dat in het commune internationaal privaatrecht aan een rechterlijke beslissing uit een vreemde staat geen gezag van gewijsde toekomt, geldt dat een in een buitenlandse beslissing vastgestelde omgangsregeling die in Nederland wordt erkend, naar haar aard steeds vatbaar is voor wijziging wanneer de omstandigheden nadien zijn gewijzigd (art. 1:377e lid 1 BW).

3.27

Voor zover het middel er van uitgaat dat in de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 en de uitspraak van de India Supreme Court van 15 april 2024, behalve de omgang voor contact op afstand eveneens een beslissing is gegeven over het gezag, mist het feitelijke grondslag. De Indiase uitspraken beperken zich tot de omgangsregeling voor contact op afstand tussen de vader en de minderjarige. Dit betekent dat de Indiase uitspraken hoe dan ook niet in de weg kunnen staan aan een herbeoordeling van het gezag door de Nederlandse rechter.

3.28

De klacht die ziet op het oordeel van het hof dat geen sprake is van misbruik van recht door de moeder faalt eveneens. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het de moeder vrij staat om de Nederlandse rechter te adiëren, omdat gewijzigde omstandigheden rechtvaardigen dat de moeder bij de Nederlandse rechter om een herbeoordeling vraagt van de gezagsverhouding (art. 1:253n lid 1 BW) en van de omgangsregeling (art. 1:377e lid 1 BW).

3.29

Onderdeel 2 faalt.

3.30

Onderdeel 3 richt zich tegen het dictum van de bestreden beschikking, waarin het hof de beschikking van de rechtbank van 18 november 2024 heeft vernietigd en opnieuw rechtdoende heeft bepaald: ‘wijzigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2023, en voor zover nodig de beslissing van de High Court van Bombay van 7 februari 2024, voor zover het de omgangsregeling betreft, voorlopig als hierna te melden’. De klacht komt erop neer dat het hof met dit dictum heeft miskend dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om een rechterlijke beslissing uit een vreemde staat te wijzigen. Door de uitspraak van 7 februari 2024 van de Bombay High Court te wijzigen zou het hof het verbod van révision au fond hebben geschonden.

3.31

Op zichzelf genomen voert het middel terecht aan dat de Nederlandse rechter niet bij machte is om een rechterlijke uitspraak uit een vreemde staat als zodanig te wijzigen. Die bevoegdheid is voorbehouden aan de rechter van de staat waarin de beslissing is gegeven. Het hof lijkt dit (evenals de rechtbank) niet goed voor ogen te hebben gehad, door in het dictum van de bestreden beschikking te bepalen: ‘wijzigt (…) voor zover nodig de beslissing van de High Court van Bombay van 7 februari 2024’. Het ligt echter voor de hand om aan te nemen dat het hof met dit dictum heeft beoogd om de omgangsregeling vastgesteld bij uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 te wijzigen. Dat is wat het hof namelijk doet in het vervolg van het dictum: ‘bepaalt dat de man, zolang hij niet in Nederland is, voorlopig gerechtigd is om één keer per twee weken voor de duur van maximaal 30 minuten begeleide omgang te hebben met [de minderjarige] ’. Zelfs als het hof dit niet zou hebben beoogd, maar bedoeld zou hebben om de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 als zodanig te wijzigen, heeft het hof weliswaar blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, maar is de vader hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Immers, het hof heeft hoe dan ook de bevoegdheid om de omgangsregeling vastgesteld bij uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 te wijzigen, omdat de omstandigheden nadien zijn gewijzigd (art. 1:377e lid 1 BW).

3.32

Anders dan het middel betoogt, heeft het hof het verbod van révision au fond niet geschonden. Het verbod van révision au fond houdt in dat de rechter bij de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarden voor de erkenning van een rechterlijke beslissing uit een vreemde staat, in geen geval mag onderzoeken of de buitenlandse beslissing inhoudelijk juist is. Het verbod van révision au fond is in de onderhavige zaak niet aan de orde. Zoals gezegd, ligt aan de bestreden beschikking ten grondslag dat het hof ervan is uitgegaan, zij het impliciet, dat de uitspraak van de Bombay High Court van 7 februari 2024 op grond van art. 431 Rv voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Het hof heeft de omgangsregeling in de Indiase uitspraak erkend, zonder te onderzoeken of die beslissing inhoudelijk juist is. Vervolgens heeft het hof beoogd die omgangsregeling te wijzigen, omdat de omstandigheden zijn gewijzigd (art. 1:377e lid 1 BW). Het verbod van révision au fond staat hieraan niet in de weg.

3.33

Het middel bevat tot slot een (ongenummerde) voortbouwklacht, die geen zelfstandige bespreking behoeft.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Zie rov. 3.1 e.v. van de in cassatie bestreden beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 oktober 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2787, alsmede rov. 2.1 e.v. van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 november 2024. De echtscheidingsbeschikking is op 15 september 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De zorgregeling houdt in dat de vader gerechtigd is tot contact met de minderjarige: iedere week op donderdag na school tot vrijdagochtend naar school en een weekend per veertien dagen van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur; na de zomervakantie 2023: de ene week van donderdag uit school tot zaterdag 10:00 uur en de andere week donderdag uit school tot zondag 17:00 uur; gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg nader te bepalen. Zie p. 58 en 59 van de uitspraak, te vinden als productie 5 bij het inleidende verzoekschrift van de moeder. Deze uitspraak is niet overgelegd in hoger beroep, maar wel in eerste aanleg als productie 5 bij het verweerschrift van de vader. Deze productie ontbrak in het procesdossier in cassatie van beide partijen. Op mijn verzoek is deze productie alsnog overgelegd. Een opmerking van terminologische aard. De term zorgregeling wordt gebruikt voor de omgangsgerechtigde ouder die gezag heeft. Heeft de omgangsgerechtigde ouder geen gezag, dan wordt de term omgangsregeling gebruikt. Zie ook rov. 4.22 van de beschikking van de rechtbank. De procesinleiding was aanvankelijk niet, zoals art. 426a lid 1 Rv vereist, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim is alsnog hersteld. Zie verweerschrift in eerste aanleg, p. 11-13; rov. 4.4, 4.5, 4.7 en 4.9 van de beschikking van de rechtbank van 18 november 2024; appelschrift, p. 3-4; rov. 5.3 van de bestreden beschikking. Conclusie A-G De Bock, onder 3.11, voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144, NJ 2021/275. Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 152. HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09675, NJ 2012/627, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3; HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:154, NJ 2016/92, rov. 3.3.3. Conclusie A-G De Bock, onder 3.24, voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144, NJ 2021/275; conclusie A-G Timmerman, onder 4.30, voor HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706, RvdW 2011/1422. Conclusie A-G De Bock, onder 3.24, voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144, NJ 2021/275; T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 21, aant. 3. Vgl. conclusie A-G De Bock, onder 3.25, voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144, NJ 2021/275. Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 augustus 2025, p. 2. Zoals gezegd, is deze uitspraak op mijn verzoek alsnog in het geding gebracht; zie noot 5 van mijn conclusie. Zie met betrekking tot gezag mijn conclusie, onder 3.28 e.v., voor HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1775, NJ 2025/7, en met betrekking tot omgang S.F.M. Wortmann, GS Personen- en familierecht, art. 1:377e BW, aant. 1. Zie ook rov. 4.6 van de beschikking van de rechtbank van 18 november 2024. In dezelfde zin rov. 4.12 van de beschikking van de rechtbank van 18 november 2024. Zie rov. 4.21 van de beschikking van 18 november 2024: ‘De rechtbank begrijpt het verzoek van partijen aldus dat zij verzoeken om de beschikking van deze rechtbank van 28 april 2023 te wijzigen, net als, voor zover nodig, de uitspraak van de High Court van Bombay van 7 februari 2024 voor zover deze ziet op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.’ Zie het dictum van de bestreden beschikking: ‘en in zoverre opnieuw rechtdoende: wijzigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2023, en voor zover nodig de beslissing van de High Court van Bombay van 7 februari 2024, voor zover het de omgangsregeling betreft (…)’. Dit leid ik af uit de beschikking van de rechtbank van 18 november 2024, rov. 4.24 (‘(…) dat er sinds februari 2024 sprake is van videocontact tussen [de minderjarige] en de vader (…)’) en rov. 4.32 (‘(…) Nu de moeder onweersproken heeft aangevoerd dat de huidige frequentie van drie videocontactmomenten per week te veel van haar en haar netwerk vraagt, en de rechtbank het van belang acht dat de moeder – als verzorgende ouder – deze omgangsregeling kan blijven volhouden, ziet de rechtbank aanleiding om de frequentie terug te brengen naar twee keer per week.’). Omdat sprake is van gewijzigde omstandigheden met betrekking tot het verzoek van de moeder, ligt de vigerende omgangsregeling ter inhoudelijke beoordeling voor, zodat de rechtbank tevens kennis kan nemen van het verzoek van de vader. De vader heeft hiertegen als volgt verweer gevoerd: ‘De vader merkt op dat er geen sprake was van gewijzigde omstandigheden, nadat de moeder voornoemde toezeggingen aan het Hooggerechtshof van Bombay had gedaan en na de uitspraak van 7-2-2024 van het Hooggerechtshof van Bombay, die rechtvaardigen dat de moeder zonder meer een verzoek doet doen bij de Nederlandse rechter, om de zorgregeling tussen de vader en de minderjarige op te schorten’. (verweerschrift in eerste aanleg, nr. 10) De vader heeft hiertegen als verweer gevoerd: ‘(…) Anders dan de rechtbank stelt de vader zich op het standpunt dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Ook bij de Supreme Court of India is er immers rekening gehouden met het feit dat de minderjarige haar hoofdverblijf zou hebben bij de moeder in Nederland’. (appelschrift, nr. 6) Dit roept de vraag op hoe het hof in rov. 5.14 heeft kunnen oordelen dat niet in geschil is dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader heeft namelijk uitdrukkelijk betwist dat hiervan sprake is. Dit neemt echter niet weg dat het hof op grond van de stellingen van de moeder heeft kunnen oordelen dat de omstandigheden zijn gewijzigd. Zie noot 5 van mijn conclusie. Zie procesinleiding in cassatie, nr. 35: ‘Onder comity wordt verstaan het beginsel van wederzijdse hoffelijkheid en respect tussen staten, op grond waarvan rechterlijke instanties en andere bevoegde autoriteiten van een staat vrijwillig en uit terughoudendheid rekening houden met de wetten, rechterlijke beslissingen en procedures van een andere staat. Deze erkenning berust niet op een dwingende rechtsverplichting, maar op wederzijds respect, internationale samenwerking en de praktische noodzaak om een ordelijke en effectieve rechtsbedeling in grensoverschrijdende verhoudingen te waarborgen.’ HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54, NJ 2019/364, m.nt. Th.M. de Boer. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer. Zie procesinleiding in cassatie, nr. 36: ‘Hoewel de Hoge Raad deze terminologie niet gebruikt heeft, blijkt uit Yukos-arrest en het Gazprombank-arrest dat de Comity of Courts ook in Nederland geldt. (…)’. Zie ook nr. 70: ‘In Yukos-arrest heeft de Hoge Raad, met verwijzing naar Gazprombank-arrest [geoordeeld dat] bij gebrek van een internationale regeling op grond waarvan Nederland (…) tot erkenning van een vonnis uit een land gehouden is die erkenning beheerst wordt door het commune internationaal privaatrecht (lees: Comity of Courts). (…)’. Tussen Nederland en India bestaat geen verdrag waarin de erkenning van rechterlijke beslissingen op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt geregeld. Anders dan Nederland is India geen partij bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb. 1997, nr. 299). Dit betekent dat de erkenning van de Indiase uitspraak wordt geregeld door het commune internationaal privaatrecht (art. 431 Rv). De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter is in dit geval gebaseerd op de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland en volgt uit art. 7 lid 1 Verordening Brussel II-ter (Nr. 2019/1111). Zie rov. 5.1.1 van de bestreden beschikking. Op grond van art. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 wordt de verzochte wijziging van de omgangsregeling beoordeeld naar Nederlands recht. Zie rov. 5.2 van de bestreden beschikking. Strikwerda/Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 2026, nr. 259. Op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijk is dit verbod neergelegd in art. 27 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 en art. 71 Verordening Brussel II-ter. Zie voor het commune internationaal privaatrecht (art. 431 Rv) HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54, NJ 2019/364, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 4.1.4: ‘Bij de beoordeling of is voldaan aan de hiervoor in 4.1.2 onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden gaat het niet erom of de buitenlandse beslissing juist is (er is geen plaats voor een révision au fond). Dit brengt mee dat ook een rechterlijke beslissing die binnen de Nederlandse rechtsorde als onjuist wordt aangemerkt, kan worden erkend. (…)’.