Verbintenissenrecht
Contractenrecht. Weens Koopverdrag. Tekortkoming, schadevergoeding en -begroting.
Parket bij de Hoge Raad, 16 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:994 · Parket bij de Hoge Raad · 16 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/verbintenissenrecht/ecli-nl-phr-2026-994
Zaakgegevens
Op 16 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/04028
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:994
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Contractenrecht. Weens Koopverdrag. Tekortkoming, schadevergoeding en -begroting.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04028
Zitting 16 oktober 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
Marstede B.V. (hierna: Marstede),
tegen
Stormont Holdings LLC (hierna: Stormont).
Inleiding
Deze zaak gaat over een in februari 2022 door Marstede aan Stormont verkochte auto (een Porsche Carrera GT uit 2005), waarbij de vraag centraal staat of sprake is van wanprestatie en, daarmee, schadevergoedingsplicht zijdens Marstede. De rechtbank wees Stormonts vorderingen af, het hof wees deze toe. Hiertegen komt Marstede in cassatie op, m.i. zonder succes. Ik leg uit waarom.
1 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 4.1-4.12 van het bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het arrest respectievelijk het hof).
Stormont is een bedrijf dat handelt in bijzondere auto's en zich met name bezighoudt met het repatriëren en exporteren van bijzondere voertuigen. Het bedrijf is gespecialiseerd in het verplaatsen van dergelijke auto’s van regio’s waar de auto minder populair is, naar locaties waar er meer vraag naar is. [betrokkene 1] is directeur en aandeelhouder van Stormont.
Marstede exploiteert een onderneming in de handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. [betrokkene 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van Marstede. [betrokkene 2] is een verzamelaar van zeldzame en waardevolle auto’s. Die auto’s staan in zijn garage onder zijn woning.
Marstede heeft op 24 april 2020 een Porsche Carrera GT uit 2005 (hierna: de Porsche of de auto) gekocht van [autohandelaar] in [plaats] voor € 290.000. Het gaat om een bijzondere auto die in zeer beperkte oplage is gebouwd (tussen 2004-2006 zijn er 1.270 exemplaren verkocht waarvan 644 aan kopers in de Verenigde Staten). De Porsche was eerder betrokken bij een schade-ongeval.
Voorafgaand aan de aankoop hebben (op verzoek van [betrokkene 2] ) [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op dezelfde dag de Porsche in [plaats] geïnspecteerd. [betrokkene 3] is specialist in gebruikte Porsche- onderdelen en schade-Porsches en is tevens familie van [betrokkene 2] . [betrokkene 4] is 15 jaar als monteur werkzaam geweest bij erkende Porsche dealers en heeft door Porsche verzorgde opleidingen gevolgd, waaronder een specialisatieopleiding voor de Porsche Carrera GT.
Aansluitend op het onderzoek door [betrokkene 4] en de inventarisatie van de onderdelen met schade die vervangen dan wel gerepareerd moeten worden, heeft [betrokkene 3] ter plekke met [autohandelaar] over de vraagprijs van € 295.000 onderhandeld. Na deze onderhandelingen nam [betrokkene 3] contact op met [betrokkene 2] , waarna de koopovereenkomst van de Porsche voor € 290.000 werd gesloten. Er is geen schriftelijke koopovereenkomst opgesteld. Op de factuur staat onder meer vermeld: “- Unfallfahrzeug, Totalschaden, nicht fahrbereit!!”.
[betrokkene 3] en [betrokkene 2] hebben de auto op 8 mei 2020 in [plaats] opgehaald. De auto is vervolgens voor verder onderzoek en demontage van de beschadigde delen in de garage van [betrokkene 2] gezet. De beschadigde carbononderdelen zijn naar een daarin gespecialiseerd bedrijf (Vianen) gebracht en na herstel door [betrokkene 4] in de Porsche teruggeplaatst. Hierna heeft Marstede op 2 oktober 2020 een taxatie van de Porsche laten uitvoeren door [taxateur] . In het rapport van 5 november 2020 wordt de Porsche getaxeerd op € 650.000.
Op 13 oktober 2021 heeft Marstede de Porsche te koop aangeboden door het plaatsen van een advertentie op internet. [betrokkene 1] reageerde op deze advertentie via de berichtenservice met onder meer de vraag: “Any accidents?” In antwoord hierop berichtte [betrokkene 3] :
“The car had a very light accident in January 2020, there was replacement from frontbonnet, headlamp, and 2 Magnesium wheels. So there was some new paintwork, but its done in high standard. Every check by a porsche dealer is alowed.”
Op 23 november 2021 heeft Porsche Centrum Gelderland een volledige (technische) aankoopkeuring voor de Porsche uitgevoerd (een zogenaamde ‘111 point check’). Het keuringsrapport, met daarin opgesomd alle technische mankementen aan de Porsche, heeft [betrokkene 2] op verzoek van [betrokkene 1] aan hem toegestuurd. Ook ontving [betrokkene 1] foto’s van de Porsche waarop de schade te zien is en een video van de gerepareerde auto.
Tussen partijen is vervolgens een koopovereenkomst gesloten. Marstede heeft de Porsche aan Stormont verkocht voor € 760.000. De koopovereenkomst is op 10 respectievelijk 12 februari 2022 door partijen ondertekend. Op 11 februari 2022 hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 1] telefonisch met elkaar gesproken. In dat gesprek (zo hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op de zitting bij het hof toegelicht) heeft [betrokkene 2] op de vraag van [betrokkene 1] of de Porsche bij een ongeval betrokken is geweest, geantwoord dat de auto door een servicemonteur tegen de vangrail is gereden en dat de voorste bumper, de voorkoplamp, het wiel en de remschijven beschadigd waren.
De Porsche is op 11 maart 2022 aan Stormont geleverd en op 14 maart 2022 naar de Verenigde Staten vervoerd.
[betrokkene 1] had in de zomer van 2022 een potentiële koper in de Verenigde Staten voor de Porsche die vragen stelde over de auto. Daarom vroeg hij [betrokkene 2] en [betrokkene 3] om de volledige factuur van de reparatie die aan de auto was uitgevoerd na het ongeval in [plaats] en aanvullende informatie over de punten die vermeld stonden in het 111-punten keuringsrapport van Porsche Centrum Gelderland. Aangezien [betrokkene 1] niet tevreden was over de antwoorden die [betrokkene 2] hem vervolgens gaf en deze [betrokkene 1] zelfs zorgen baarden, heeft hij contact opgenomen met de eerste eigenaar van de Porsche ( [betrokkene 5] ) en bij hem nadere informatie over de Porsche opgevraagd. [betrokkene 5] heeft hem toen een door [A] opgesteld schaderapport van 18 maart 2020 toegezonden (hierna: het -rapport). In dit rapport is onder meer het schadeveroorzakend ongeval met de Porsche beschreven (p. 45) en het schadebeeld (p. 46 e.v.). De reparatiekosten zijn begroot op een totaalbedrag van € 757.760,77 (p. 161). Daarbij is het volgende vermeld:
“lm Hinblick auf den über dem Wiederbeschaffungswert liegenden Reparaturkosten handelt es sich um einen Totalschaden.”
Stormont heeft in september 2022 de Porsche laten controleren bij [B] (hierna: [B]), een Porsche Carrera GT specialist in de Verenigde Staten. [B] heeft in een e-mailbericht van 8 september 2022 onder meer het volgende aan [betrokkene 1] geschreven:
“After lifting the vehicle to inspect the vehicle’s chassis we have stopped the inspection as this vehicle is unsafe to be driven and further inspection will be unnecessary until major repairs have been completed. It is clear that this vehicle has absorbed a significant amount of energy to the driver side of the vehicle during an impact of some kind. Many suspension components have clearly be replaced due to the impact.”
Stormont heeft op 6 december 2022 de Porsche aan [C] LLC (hierna: [C]) doorverkocht voor US$ 800.000. In juni 2023 heeft het bedrijf [D] GmbH & Co op verzoek van Stormont ultrasonisch onderzoek gedaan naar het carbon fibre (koolstofvezel) van de Porsche. Ten aanzien van positie 4 van de auto “Vehicle overview, Pos. 4, Engine carrier bottom side” (onderste deel van de motordrager) staat bij Result: “Delamination, depth 0.5 mm and deeper. Cracks”.
2 Procesverloop (op hoofdlijnen)
In eerste aanleg
Bij dagvaarding van 8 februari 2023 heeft Stormont Marstede en [betrokkene 2] (gezamenlijk hierna: Marstede c.s.) in rechte betrokken in een procedure voor de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank). Stormont vorderde, samengevat, dat de rechtbank Marstede c.s. bij vonnis, hoofdelijk en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt:
- tot betaling aan Stormont van primair US$ 300.000 en subsidiair € 279.969, te vermeerderen met wettelijke handelsrente;
- tot betaling aan Stormont van de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.227,32, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- in de kosten van de procedure, waaronder begrepen de nakosten en de beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Stormont heeft kort na dagvaarding tevens conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen van Marstede, diverse onroerende zaken van [betrokkene 2] en de door hem in een vennootschap gehouden aandelen.
Op 5 april 2023 heeft Marstede c.s. een conclusie van antwoord ingediend.
Stormont heeft bij akte van 31 augustus 2023 haar eis inzake de buitengerechtelijke incassokosten gewijzigd en daarmee betaling gevorderd van € 16.167,46.
Op 12 september 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
Op 4 oktober 2023 heeft de rechtbank vonnis gewezen (hierna: het vonnis). Daarin heeft zij, samengevat, de vorderingen van Stormont afgewezen en Stormont veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Marstede c.s.
In hoger beroep
Stormont is in hoger beroep gekomen van het vonnis bij appeldagvaarding van 20 december 2023.
Op 25 april 2024 heeft een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden bij het hof. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v I).
Op 9 juli 2024 heeft Stormont een memorie van grieven ingediend. Hierin vordert zij, in een notendop, dat het hof het vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende bij arrest en uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van Stormont in eerste aanleg alsnog toewijst, met veroordeling van Marstede c.s. in de kosten van de procedure in beide instanties, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.
Op 17 september 2024 heeft Marstede c.s. een memorie van antwoord ingediend.
Bij akte van 24 april 2025 heeft Stormont haar eis (opnieuw) gewijzigd. Zij vermeerdert deze door toevoeging van, samengevat, de meer subsidiaire vordering dat het hof voor recht verklaart dat Marstede c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de door Stormont geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en te vermeerderen met wettelijke rente.
Marstede c.s. heeft bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering bij akte van 25 april 2025.
Op 29 april 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v II).
In het arrest heeft het hof, samengevat:
- het vonnis vernietigd en opnieuw recht doende:
- Marstede veroordeeld tot betaling van US$ 300.000 aan Stormont, te vermeerderen met wettelijke rente;
- Marstede veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Stormont;
- Marstede veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Stormont in beide instanties;
- Marstede veroordeeld tot betaling van de beslagkosten van Stormont;
- Stormont veroordeeld in de proceskosten van [betrokkene 2] in beide instanties, begroot op nihil;
- bepaald dat al deze proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na de datum van het arrest en als tijdige betaling uitblijft, die kosten worden verhoogd met wettelijke rente;
- het arrest wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
Hetgeen het hof hiertoe heeft geoordeeld, komt hierna voor zover relevant aan de orde.
In cassatie
Bij procesinleiding van 5 november 2025 heeft Marstede (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest.
Stormont heeft bij verweerschrift van 6 februari 2026 geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
Partijen hebben daarna ieder hun stellingen schriftelijk toegelicht. Marstede heeft nog gerepliceerd, Stormont heeft afgezien van dupliek.
3 Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel van Marstede bevat drie onderdelen.
Onderdeel 1 (“Wat niet deugt aan het arrest”)
Het onderdeel bevat, wat het noemt, de volgende “kernklachten”.
- Het hof is ontoelaatbaar te kort door de bocht gegaan met zijn beslissing in rov. 5.16 van het arrest “dat de door Stormont gevorderde schade van 300.000 US Dollar (die voor het overige onvoldoende gemotiveerd is weersproken) zal worden toegewezen”, reeds omdat deze beslissing mede berust op ’s hofs oordeel in rov. 5.10 (en 3.4) dat “het niet melden dat de auto bij aankoop total loss was verklaard een wezenlijke tekortkoming” zou zijn “in de nakoming van de overeenkomst, gelet op het feit dat Stormont de Porsche als beleggingsobject had gekocht”, welk oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
- Ten onrechte ontwijkt het hof in het arrest (gemakzuchtig) de beantwoording van de vraag waar het in deze zaak op aankomt, namelijk of de auto door technische mankementen non-conform was respectievelijk niet beantwoordde aan de overeenkomst.
- Weliswaar komt het hof tot het oordeel dat sprake zou zijn van een ‘wezenlijke tekortkoming’ (rov. 5.10). Maar dit oordeel grondt het hof slechts op het achterwege blijven van een mededeling zijdens Marstede aan Stormont van een - door het hof slechts veronderstelde - ‘total loss -verklaring' van de auto, die tot uiting gebracht zou zijn op een factuur die Marstede ontving toen zij de auto in Duitsland op 24 april 2020 gekocht had.
Het onderdeel stelt daarbij dat deze kernklachten “in de navolgende onderdelen [worden] aangevuld, uitgewerkt en toegelicht”.
Behandeling
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
Hierna zet ik mij aan de bespreking van die navolgende onderdelen. Zoals blijkt uit die bespreking, falen die navolgende onderdelen. Daarmee ontvalt ook reeds de bodem aan het onderhavige onderdeel, dat daarom geen verdere bespreking behoeft.
Onderdeel 2 (“Was de auto bij de aankoop door Marstede total loss verklaard en was het niet melden daarvan aan Stormont een wezenlijke tekortkoming? (rov. 5.10 t/m 5.12)”)
Het onderdeel bevat vier subonderdelen.
Subonderdeel 2.1 bestaat weer uit twee nadere subonderdelen.
Subonderdeel 2.1.1 is gericht tegen rov. 5.11, eerste zin van het arrest. Ik vat het subonderdeel samen. ’s Hofs oordeel dat “Marstede Stormont op de hoogte had moeten brengen dat de auto total loss was verklaard omdat Marstede immers wist dat Stormont de Porsche als beleggingsobject wilde kopen”, is ontoereikend gemotiveerd. Dit oordeel komt erop neer dat de auto total loss verklaard zou zijn toen deze door Marstede in Duitsland gekocht werd. Dat deze auto toen total loss verklaard zou zijn, is echter een aanname van het hof die niet kan standhouden. Het hof heeft namelijk niet (voldoende) gerespondeerd op de essentiële stellingen van Marstede weergegeven (met vindplaatsen) onder (i) t/m (vi) in het subonderdeel. Deze stellingen zijn essentieel, omdat zij, indien juist, tot een ander oordeel kunnen leiden. Want als uit het verplichte registratiesysteem van Porsche blijkt dat er na het ongeval op 24 februari 2020 slechts sprake is van ‘Karrosserieschaden’, en niet van ‘Totalschaden’, moet reeds daarom aan het bestaan van een (juridische relevante) ‘total loss -verklaring’ getwijfeld worden. Zonder daadwerkelijke total loss -verklaring kan ’s hofs oordeel dat Marstede Stormont op de hoogte zou hebben moeten brengen “dat de auto total loss was verklaard”, niet stand houden.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
In rov. 5.10, eerste zin overweegt het hof onder meer dat “het niet melden dat de auto bij aankoop total loss was verklaard een wezenlijke tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst” is. En in rov. 5.11, eerste zin dat Marstede Stormont “op de hoogte had moeten brengen dat de auto total loss was verklaard omdat Marstede immers wist dat Stormont de Porsche als beleggingsobject wilde kopen”.
Uit rov. 5.10-5.11 blijkt dat het hof met “total loss was verklaard”, gelijk “total loss verklaring” (later) in rov. 5.10, 5.11 en 5.12, telkens doelt op de total loss -verklaring op de factuur van verkoper [autohandelaar] , autohandelaar in [plaats] , bij aanschaf van de Porsche door Marstede op 24 april 2020. In rov. 5.12, eerste zin spreekt het hof, daarop aansluitend, over Marstedes plicht om “dit feit”, zijnde “de total loss verklaring op de factuur”, aan Stormont mede te delen.
Daarnaast oordeelt het hof in rov. 5.11 onder meer:
“Op de zitting heeft [betrokkene 2] op de vraag van het hof waarom hij de total loss verklaring niet aan Stormont heeft gemeld, geantwoord dat hij de bewoordingen op de factuur van de Porsche had zien staan. Hij heeft toen ook aan de verkoper [autohandelaar] gevraagd waarom dat er stond.”
Blijkens het p-v II ging het hierbij duidelijk om voornoemde factuur, met daarop de woorden: “- Unfallfahrzeug, Totalschaden, nicht fahrbereit!!” Op die factuur en woorden wijst het hof ook al in rov. 4.4 en nogmaals in rov. 5.12, laatste zin.
Uit rov. 5.12 blijkt (wederom) waarom het hof relevant acht dat op voornoemde factuur die total loss -verklaring staat: het gaat daarbij erom dat volgens die factuur de Porsche total loss is geweest en dat “een total loss verklaring”, die er dus is (want zie die factuur), invloed heeft op de waarde van de auto als beleggingsobject (en wel in neerwaartse zin).
Dit moet ook worden gelezen in het licht van de volgende passage in rov. 5.10:
“Naderhand bleek echter dat de auto bij een zwaar ongeluk met total loss verklaring was betrokken. Daardoor was de Porsche aanzienlijk minder waard en beantwoordde het verkochte niet aan de door Marstede beloofde [(algemene en bijzondere) eigenschappen]. Marstede heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voor haar verweer heeft zij verwezen naar ‘deel A’ van haar memorie van antwoord (randnummer 78). Daarin is zij echter niet ingegaan op de stelling van Stormont dat door de total loss verklaring de auto sterk in waarde is gedaald, maar heeft zij zich beperkt tot het verweer dat met de auto niets aan de hand was, dat de schade door de aanrijding vakkundig is hersteld en dat de kooprijs reëel was. Marstede heeft dit evenmin gedaan in haar processtukken van de eerste aanleg (waar het hof gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep acht op heeft geslagen).”
Overigens is het niet onbegrijpelijk dat het hof die woorden op voornoemde factuur (“- Unfallfahrzeug, Totalschaden, nicht fahrbereit!!”) kortweg aanduidt als een total loss -verklaring. Dát is immers, vertaald naar het Engels (total loss ) en Nederlands (verklaring), waar die woorden (ten minste mede) op neerkomen. Zijdens Marstede c.s. is ook met zoveel woorden gezegd dat “op de factuur [staat] dat de auto total loss is”.
Aan dit een en ander gaat het subonderdeel ten onrechte voorbij. De daarin aangevoerde stellingen onder (i) t/m (vi) noemen voornoemde factuur zelfs niet. Bovendien lees ik in de memorie van antwoord, nr. 13 niet wat het subonderdeel daaruit haalt. Daarmee valt het doek voor het subonderdeel: wat daarin wordt aangevoerd, maakt niet dat het bestreden oordeel ontoereikend is gemotiveerd.
Subonderdeel 2.1.2 is gericht tegen rov. 5.12, vierde zin van het arrest. Het subonderdeel voert vooreerst aan dat het oordeel dat de auto volgens de door Marstede van [autohandelaar] ontvangen factuur total loss geweest zou zijn, een aanname is van het hof die, gezien subonderdeel 2.1.1, niet kan standhouden. Het subonderdeel voegt daaraan toe dat indien en voor zover het hof zijn oordeel dat de auto total loss verklaard zou zijn, baseert op hetgeen op deze factuur vermeld wordt, ’s hofs uitleg van deze factuur onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is in het licht van de in subonderdeel 2.1.1 vermelde essentiële stellingen van Marstede en het hof de positieve devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend.
Behandeling
Het subonderdeel strandt in het voetspoor van subonderdeel 2.1.1. Ik verwijs kortheidshalve naar 3.9-3.16 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Subonderdeel 2.2 bestaat weer uit drie nadere subonderdelen.
Subonderdeel 2.2.1 is gericht tegen rov. 5.12, eerste zin van het arrest. Ik vat het subonderdeel samen. Het bestreden oordeel kan niet anders worden verstaan dan dat Marstede verplicht geweest zou zijn om de korte vermelding op de door haar van [autohandelaar] ontvangen factuur “- Unfallfahrzeug, Totalschaden, nicht fahrbereit!!” als total loss -verklaring aan Stormont mede te delen. Dit oordeel is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, gezien de omstandigheden weergegeven (met vindplaatsen) onder a t/m c in het subonderdeel.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Eerst de omstandigheid onder a, in het subonderdeel ook aangeduid als de stelling van Marstede “dat het Porcheregistratiesysteem geen melding maakte van Totalschaden”.
Daarmee wordt voortgebouwd op subonderdeel 2.1, dat dus faalt. Het beroep op voornoemde omstandigheid deelt dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Dan de omstandigheid onder b, in het subonderdeel ook aangeduid als de stelling van Marstede “dat de factuurvermelding door Marstedes verkoper uitgelegd werd als gebruikelijke exoneratie bij schadevoertuigen”.
Deze omstandigheid komt erop neer dat Marstede ( [betrokkene 2] ) voornoemde vermelding op de factuur op basis van mededelingen van [autohandelaar] heeft opgevat als een in Duitsland bij schadevoertuigen gebruikelijke exoneratie voor de verkoper.
Hieraan ziet het hof niet voorbij. Het hof benoemt nota bene in rov. 5.11:
“Op de zitting heeft [betrokkene 2] op de vraag van het hof waarom hij de total loss verklaring niet aan Stormont heeft gemeld, geantwoord dat hij de bewoordingen op de factuur van de Porsche had zien staan. Hij heeft toen ook aan de verkoper [autohandelaar] gevraagd waarom dat er stond. Daarop was het antwoord volgens [betrokkene 2] dat dit heel vaak gebeurt bij schadevoertuigen omdat men niet wil dat er achteraf nog gereclameerd kan worden.”
Deze omstandigheid maakt het bestreden oordeel niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Het gaat het hof erom (zie met name rov. 5.11-5.12) dat Marstede voornoemde vermelding (“de total loss verklaring”) op de factuur had moeten mededelen aan Stormont, omdat deze verplichting erop ziet dat de Porsche als beleggingsobject is gekocht door Stormont, wat Marstede wist, terwijl een total loss verklaring - waarvan hier sprake is, gezien die vermelding op de factuur - een sterk waardedrukkend effect heeft op zo’n auto, wat Marstede als verzamelaar van zeldzame en kostbare auto’s ook wist althans had behoren te weten (zij verkocht immers ook weleens auto’s als zich de gelegenheid voordeed, zoals hier het geval was). Het hof acht hierbij van belang dat Marstede gelet op de lage koopprijs van € 290.000 voor een dergelijk zeldzaam voertuig er niet zonder meer van had mogen uitgaan dat hetgeen op de factuur stond (dus: “- Unfallfahrzeug, Totalschaden, nicht fahrbereit!!”) geen betekenis had.
Daarbij breng ik 3.14 hiervoor (over rov. 5.10) in herinnering.
Bij deze stand van zaken gaf voornoemde omstandigheid het hof geen reden het bestreden oordeel nog weer nader te motiveren.
Tot slot de omstandigheid onder c, in het subonderdeel ook aangeduid als de stelling van Marstede “dat de verkoper die de factuurvermelding had opgenomen, zelf te kennen geeft dat van een werkelijke total loss geen sprake was”.
Deze omstandigheid (die het hof ook niet uit het oog verliest) baat Marstede evenmin, gelet op het voorgaande bij de omstandigheden a en b.
Daarbij zij bedacht dat het hof dus benadrukt (zie rov. 5.12) dat het feit dat Marstede zélf van mening was dat de Porsche feitelijk niet total loss was, haar niet ontslaat van voornoemde verplichting, die immers “niet zozeer ziet op de technische mankementen als wel op het feit dat de auto als beleggingsobject is verkocht”. En:
“Of de auto op het moment van verkoop aan Stormont door de reparaties nog steeds total loss was (wat Stormont stelt en Marstede betwist) is in dit verband niet doorslaggevend. Het gaat er immers om dat de Porsche dit volgens de factuur wél is geweest en dat een total loss verklaring invloed heeft op de waarde van de auto als beleggingsobject.”
Het hof acht hierbij als gezegd van belang dat Marstede gelet op de lage koopprijs van € 290.000 voor een dergelijk zeldzaam voertuig er niet zonder meer van had mogen uitgaan dat hetgeen op de factuur stond geen betekenis had.
Bij deze stand van zaken gaf ook voornoemde omstandigheid het hof geen reden het bestreden oordeel nog weer nader te motiveren.
Subonderdeel 2.2.2 bevat, samengevat, de volgende klachten.
a. Voor zover het hof met zijn oordeel in rov. 5.12, eerste zin van het arrest bedoeld heeft dat als algemene stelregel zou gelden dat iedere ‘total loss -verklaring’, ongeacht de bron ervan respectievelijk de persoon wiens verklaring het betreft, een waardedrukkend effect zou hebben op een auto als de onderhavige, is dit oordeel onbegrijpelijk. Immers, een total loss -verklaring van bijvoorbeeld ‘de bakker op de hoek’ is irrelevant bij de waardebepaling van een auto, of deze nu een beleggingsobject is of niet.
b. Gezien klacht a kan evenmin standhouden ’s hofs oordeel in rov. 5.11, tweede zin dat Marstede als verzamelaar van zeldzame en kostbare auto’s zou hebben geweten, althans had behoren te weten, dat een total loss -verklaring een sterk waardedrukkend effect op een dergelijke auto had.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Eerst klacht a.
Zij mist feitelijke grondslag in het arrest. Het hof redeneert daarin vanuit de total loss -verklaring op de factuur van verkoper [autohandelaar] , autohandelaar in [plaats] , bij aanschaf van de Porsche door Marstede op 24 april 2020. Zie mede onder 3.11 hiervoor. Het hof gaat derhalve niet uit van een algehele stelregel als bedoeld in de klacht.
Tot slot klacht b.
Zij bouwt voort op klacht a, die dus faalt, en deelt derhalve dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Subonderdeel 2.2.3 bestrijdt als onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd ’s hofs oordeel in rov. 5.12, laatste zin van het arrest. Daartoe wijst het subonderdeel (met vindplaatsen) op stellingen van Marstede (in de persoon van [betrokkene 2] ) weergegeven onder (i) t/m (iv) en a t/m b in het subonderdeel. De kennelijke premisse van het subonderdeel is dat volgens het hof in het bestreden oordeel Marstede zonder meer ervan is uitgegaan dat die total loss -verklaring zonder betekenis was, ook voor [autohandelaar] en Marstede. Dat zou dan onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn vanwege die stellingen, nu Marstede een auto kocht die eerder betrokken was bij een schadeongeval (rov. 4.3), zodat die total loss -verklaring in dat verband “voor Marstedes Duitse verkoper” (lees: [autohandelaar] ) een gebruikelijke exoneratie inhield (rov. 5.11), maar “voor Marstede” niet van zwaarwegend belang was voor de aan- of verkoop van de Porsche, mede omdat Marstede de auto had laten inspecteren (rov. 4.4) zodat zij op de hoogte was van de werkelijke omvang van de schade en de te verwachten reparatiekosten.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Het is al einde oefening bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest. Dat zit zo.
Het bestreden oordeel slaat terug op rov. 5.11, in het bijzonder:
“Op de zitting heeft [betrokkene 2] op de vraag van het hof waarom hij de total loss verklaring niet aan Stormont heeft gemeld, geantwoord dat hij de bewoordingen op de factuur van de Porsche had zien staan. Hij heeft toen ook aan de verkoper [autohandelaar] gevraagd waarom dat er stond. Daarop was het antwoord volgens [betrokkene 2] dat dit heel vaak gebeurt bij schadevoertuigen omdat men niet wil dat er achteraf nog gereclameerd kan worden. [betrokkene 2] betwist ook dat de auto total loss is geweest; dat was hij niet en is hij niet. In het verlengde daarvan heeft [betrokkene 2] op de zitting de conclusies uit de rapporten van [A] , [B] en [D] betwist.”
Het gaat het hof in het bestreden oordeel, met “de betekenis” van “hetgeen op de factuur stond (‘- Unfallfahrzeug, Totalschaden, nicht fahrbereit!!’)”, dus specifiek om die betekenis voor Stormont, en wel in het kader van de verkoop van de Porsche door Marstede aan haar. Dit oordeel moet uiteraard worden bezien in het licht van wat het hof direct daaraan voorafgaand uiteenzet in rov. 5.12.
Hieraan gaat het subonderdeel ten onrechte voorbij. Dit is al fataal. Ik kan daarlaten dat bij deze stand van zaken de stellingen van Marstede waarop het subonderdeel een beroep doet, waarbij het dus draait om de betekenis van voornoemde total loss -verklaring voor [autohandelaar] en Marstede, het hof geen reden gaven het bestreden oordeel, dat dus is toegesneden op die betekenis voor Stormont, nog weer nader te motiveren.
Subonderdeel 2.3 bestaat weer uit vijf nadere subonderdelen.
Subonderdeel 2.3.1 bestrijdt ’s hofs oordelen in rov. 5.12, eerste en tweede zin van het arrest als “onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd”, voor zover het hof daarmee bedoeld heeft dat een vermelding op een inkoopfactuur inhoudende “Unfallfahrzeug, Totalschaden, nicht fahrbereit!!” als total loss -verklaring een waardedrukkend effect heeft op de desbetreffende auto als beleggingsobject en daarom bij doorverkoop van deze auto van die vermelding mededeling gedaan moet worden aan degene die deze auto koopt, zelfs indien die vermelding onjuist is. Immers: zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom zo’n onjuiste vermelding de waarde van deze auto als beleggingsobject bij doorverkoop aan een derde zou doen dalen en deze vermelding door de doorverkoper medegedeeld zou moeten worden aan zijn koper.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Het subonderdeel, dat rov. 5.12, eerste en tweede zin slechts in isolement beschouwt, abstraheert ten onrechte van rov. 5.10-5.11. Daarin zet het hof onder meer uiteen hetgeen ik citeerde onder 3.14 hiervoor (rov. 5.10). En dat “gezien het voorgaande” (rov. 5.11, eerste zin), in rov. 5.10, het hof van oordeel is dat Marstede Stormont op de hoogte had moeten brengen dat de auto total loss was verklaard, omdat Marstede wist dat Stormont de Porsche als beleggingsobject wilde kopen (rov. 5.11). En verder (nog steeds in rov. 5.11):
“Marstede wist als verzamelaar van zeldzame en kostbare auto’s ook, althans had dit behoren te weten, dat een total loss verklaring een sterk waardedrukkend effect op een dergelijke auto had. Zij verkocht immers ook weleens auto’s als zich de gelegenheid voordeed, zoals hier het geval was.”
Op deze klip loopt het subonderdeel al vast. Overigens: voor zover Marstede elders wel pijlen richt op rov. 5.10-5.11, missen die alle doel. Ik verwijs kortheidshalve naar de bespreking van de desbetreffende klachten.
Subonderdeel 2.3.2 bevat, samengevat, de volgende klachten.
a. Met zijn oordeel in rov. 5.12, eerste en tweede zin van het arrest is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. Want uit de stellingen van Stormont valt niet af te leiden dat de waardedaling van de Porsche door de (verzwegen) total loss -verklaring sec veroorzaakt zou zijn en dat de door het hof aangenomen mededelingsplicht van Marstede dus niet zozeer zou zien op de technische mankementen.
b. Voor zover daarvan geen sprake zou zijn, is ’s hofs oordeel in rov. 5.12, tweede zin in het licht van het bij klacht a samengevatte betoog van Stormont onjuist en/of onbegrijpelijk. Want de relevantie van de total loss -verklaring, de technische staat van het voertuig, de aard en omvang van de schade én de waarde van het voertuig zijn onmiskenbaar onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Eerst klacht a.
Het subonderdeel, dat rov. 5.12, eerste en tweede zin slechts in isolement beschouwt, negeert ten onrechte rov. 5.10-5.11, meer in het bijzonder de onder 3.14 hiervoor geciteerde passage in rov. 5.10. Daarin wijst het hof er al op dat Marstede niet is ingegaan “op de stelling van Stormont dat door de total loss verklaring de auto sterk in waarde is gedaald”, maar zich heeft beperkt tot het verweer dat met de auto niets aan de hand was, dat de schade door de aanrijding vakkundig is hersteld en dat de kooprijs reëel was. En: dat Marstede dit evenmin heeft gedaan in haar processtukken van de eerste aanleg (waar het hof, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, acht op heeft geslagen).
Deze stelling van Stormont betekent dat zij, anders dan de klacht wil, niet enkel is gaan liggen voor het anker van een koppeling: van de total loss -verklaring aan de zwaarte van het ongeval: van de zwaarte van het ongeval aan de omvang van de schade; en van de omvang van de schade aan de waardedaling van voertuigen als de Porsche.
Dat het hof deze stelling van Stormont aldus onderscheidt, is overigens niet strijdig met diens oordelen in rov. 5.6, rov. 5.7 en rov. 5.10 (telkens een samenvatting van wat Stormont onder meer heeft aangevoerd) waarop de klacht wijst. Die oordelen laten immers de ruimte voor het aldus onderscheiden van die stelling van Stormont.
Het is trouwens ook niet onbegrijpelijk dat het hof die stelling van Stormont aldus onderscheidt op basis van hetgeen zij heeft aangevoerd.
Zo is zijdens Stormont (mr. Van der Pol) blijkens het p-v I aangevoerd:
“Het zijn ook beleggingsobjecten. Op het moment dat zo’n auto een voertuighistorie heeft waarin deze total loss is verklaard na een zwaar ongeluk, voldoet deze al niet aan de kwaliteit die is beloofd bij de verkoop. Dan is de non-conformiteit wat ons betreft al gegeven, omdat de auto niet meer dezelfde waarde heeft.”
En al in haar memorie van grieven:
“Onder deze omstandigheden is geen andere conclusie gerechtvaardigd dan dat Marstede de Carrera GT aan Stormont heeft verkocht nadat zij haar een verkeerde voorstelling van zaken had gegeven en zij wist, althans niet onwetend was, dat het voertuig daarmee niet aan de overeenkomst beantwoordde. Marstede - als zelfbenoemd autoliefhebber en verzamelaar - moet weten dat een total loss-verklaring een zwaar waardedrukkend effect heeft op voertuigen in het algemeen, maar zeker voor een zeldzaam beleggingsobject als de Carrera GT. (…)
(…)
Er is echter om een tweede reden sprake van wezenlijke tekortkoming. Zoals toegelicht onder randnummer 8 van deze memorie is een voertuig zoals de Carrera GT vanwege de bijzondere aard ook een beleggingsobject. In algemene zin geldt voor dergelijke voertuigen dat zij meer waarde hebben naarmate deze voertuigen een lagere kilometerstand hebben en zo origineel mogelijk zijn. Een ongevalsvoertuig heeft per definitie een aanzienlijk lagere waarde. (…) Dit betekent dan ook dat een dergelijk voertuig - als het eenmaal in een zwaar ongeluk betrokken is geweest - niet dezelfde waarde heeft als een voertuig dat niet betrokken is geweest bij een aanrijding, of dat slechts een paaltje op een parkeerplaats heeft geraakt. Dit blijkt ook uit de taxatie die door Stormont wordt overgelegd als Productie 25 [het taxatierapport van The Auto Appraisers, A-G]: een voertuig dat total loss is verklaard (in het Amerikaans: een salvage voertuig), zal ook indien het in perfectie is gerepareerd nog slechts $ 699,309 USD waard zijn (in tegenstelling tot de ruim 1,1 miljoen dollar conform de als Productie 20 overgelegde taxatie, indien het voertuig zou hebben verkeerd in de door Marstede c.s. beloofde [staat)].
(…)
Het voertuig beantwoordde daarmee niet aan de door Marstede c.s. beloofde (algemene en bijzondere) eigenschappen. Het voertuig was niet geschikt om mee te rijden (want het was onveilig) én het voertuig was aanzienlijk minder waard vanwege de voorgeschiedenis van het voertuig (te weten: een zwaar ongeluk met total loss verklaring).”
En nadien, in haar spreekaantekeningen voor de tweede zitting bij het hof:
“Uit het dossier blijkt duidelijk dat de Porsche ten tijde van de verkoop aan Stormont total loss was verklaard, Marstede c.s. daarvan op de hoogte was of in elk geval over zodanige gegevens beschikte dat zij behoorde te twijfelen aan de door of namens haar over het voertuig verschafte gegevens, en dat zij Stormont daar niet over heeft geïnformeerd.”
Daarmee valt reeds het doek voor de klacht. Overigens, ook hier: voor zover Marstede elders wel pijlen richt op rov. 5.10-5.11, missen die alle doel.
Tot slot klacht b.
Ik zie niet waaruit de daarin bedoelde ‘onmiskenbare onlosmakelijke verbondenheid’ blijkt. De klacht licht dit ook niet toe, anders dan met een verwijzing naar het bij klacht a samengevatte betoog van Stormont. Die samenvatting ziet evenwel eraan voorbij dat (naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel) Stormont niet enkel is gaan liggen voor het anker van een koppeling tussen de total loss -verklaring, de technische staat van het voertuig, de aard en omvang van de schade én de waarde van het voertuig. Ik moge verwijzen naar de bespreking van klacht a. Hierop stuit de klacht al af.
Subonderdeel 2.3.3 is gericht tegen de volgende overwegingen in rov. 5.10 van het arrest:
“Naderhand bleek echter dat de auto bij een zwaar ongeluk met total loss verklaring was betrokken. Daardoor was de Porsche aanzienlijk minder waard en beantwoordde het verkochte niet aan de door Marstede beloofde [(algemene en bijzondere) eigenschappen]. Marstede heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voor haar verweer heeft zij verwezen naar ‘deel A' van haar memorie van antwoord (randnummer 78). Daarin is zij echter niet ingegaan op de stelling van Stormont dat door de total loss verklaring de auto sterk in waarde is gedaald, maar heeft zij zich beperkt tot het verweer dat met de auto niets aan de hand was, dat de schade door de aanrijding vakkundig is hersteld en dat de kooprijs reëel was.”
Het subonderdeel bevat, samengevat, de volgende klachten.
a. Marstedes verweer, en de daarin vervatte verwijzing naar ‘deel A’ van haar memorie van antwoord, laat zich niet anders verstaan dan dat zij daarin de onder (i) en (ii) in de klacht (met vindplaatsen) weergegeven stellingen heeft betrokken of heeft beoogd te betrekken. Gezien deze ‘deel A-verweer’-stellingen, waarvan het hof de juistheid in het midden laat en waarop het niet (voldoende) respondeert, is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd ’s hofs oordeel in rov. 5.10 dat Marstede “onvoldoende gemotiveerd weersproken” zou hebben dat de Porsche door een “naderhand” gebleken “zwaar ongeluk met total loss verklaring” “aanzienlijk minder waard” geworden zou zijn en dat daardoor het verkochte niet aan de door Marstede beloofde eigenschappen zou voldoen.
b. Daarnaast is onbegrijpelijk ’s hofs oordeel dat voor Stormont pas “naderhand” gebleken zou zijn dat sprake geweest zou zijn van een zogenaamd “zwaar ongeluk”, omdat Stormont ter zitting bij het hof nu juist verklaard heeft dat zij door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst over de aard van het ongeluk ingelicht is. Dit is ook door het hof vastgesteld in rov. 4.8.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Eerst klacht a.
Het hof wijst in het bestreden oordeel op nr. 78 van de memorie van antwoord, en de verwijzing in dit nr. 78 door Marstede naar “deel A” van die memorie voor haar verweer. Dit doet het hof om uit te leggen dat Marstede daarin niet is ingegaan op de stelling van Stormont dat door de total loss verklaring de auto sterk in waarde is gedaald.
Dit nr. 78 luidt als volgt:
“In het licht van het voorgaande concludeert Marstede dat de door Stormont gestelde gebreken zich niet voordoen. Er is geen enkel feit of bewijs dat daarop wijst. Met de auto is niets aan de hand. Er is geen wezenlijke tekortkoming. De koopprijs is reëel. De schade door de aanrijding is kundig hersteld. Er is geen sprake van non-conformiteit. In sub 111 van de memorie wordt kort gezegd betoogd dat er nog een tweede reden is waarom sprake is van een wezenlijke tekortkoming. Uit deel A volgt dat het betoog niet opgaat. Stormont kocht willens en wetens een auto die lichte schade heeft gehad, met een bepaalde kilometerstand, en met herstelde en vervangen onderdelen. Sub 112 is een herhaling van zetten. Marstede verwijst naar deel A en de weerlegging van de grieven.”
Dat het hof hierin niet leest dat Marstede is ingegaan op die stelling van Stormont dat door de total loss verklaring de auto sterk in waarde is gedaald, is niet onbegrijpelijk: daarover zegt Marstede immers (ook bij benadering) niets in dit nr. 78.
Dit laatste geldt, naar het evenmin onbegrijpelijke oordeel van het hof, eveneens voor dat “deel A” (dat begint op p. 3 van de memorie van antwoord). Ook ik lees daarin niet dat Marstede is ingegaan op die stelling van Stormont dat door de total loss verklaring de auto sterk in waarde is gedaald.
Het is overigens ook niet duidelijk op welke passage(s) in dat “deel A” de klacht dan precies doelt onder (i) en (ii). Zij bevat geen vindplaatsverwijzing, ook al beslaat dat “deel A” van het begin tot nr. 78 van de memorie van antwoord al 19 volle bladzijden aan tekst (p. 2-20). Stellingen als bedoeld onder (i) en (ii) heb ik niet aangetroffen in dat “deel A”.
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.
Tot slot klacht b.
Zij biedt Marstede evenmin soelaas.
Op de aangeven plek in het p-v II bevestigt [betrokkene 1] (Stormont) dat hij rond 11 februari 2022 gesproken heeft met [betrokkene 2] (Marstede), waarbij “er werd gezegd”, dus door [betrokkene 2] tegen [betrokkene 1] , “dat de auto bij een klein ongeval betrokken was” (“Er is gezegd dat de auto tegen een vangrail is aangebotst en dat de voorste bumper, de voorkoplamp, het wiel en de remschijven beschadigd waren en dat die schade niet optelt tot € 750.000”).
Dus “bij een klein ongeval”, oftewel “een licht ongeval” zoals de voorzitter vervolgens nog benadrukt:
“Voorzitter:
Wat is er in het telefoongesprek met [betrokkene 2] besproken? Daarvan is gezegd [dus zijdens Stormont, A-G] dat in dat gesprek is gezegd [dus zijdens Marstede] dat de auto betrokken was bij een licht ongeval op de snelweg en dat hij met de vangrail in aanraking is gekomen. Hoe zat het dan met de kosten?
[betrokkene 1] :
Datgene wat hij zei, rijmde met datgene wat ik van [betrokkene 3] had gehoord in het gesprek dat ik met hem een paar maanden daarvoor had gehad. Ik heb met [betrokkene 3] gesproken en er is tegen mij gezegd dat de auto betrokken was bij een klein ongeval en dat de auto tegen een vangrail of paal was gebotst. Er waren een aantal onderdelen kapot, zoals de bumper, koplampen, remschijven en wielen. Maar de auto was repaired to perfection. Het enige dat anders was, was de factuur van Vianen, waarin een groot aantal carbonvezelonderdelen vermeld waren. Dat was in het telefoongesprek niet aan bod gekomen.”
Daarop sluit aan ’s hofs vaststelling in rov. 4.8, meer precies:
“Op 11 februari 2022 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] telefonisch met elkaar gesproken. In dat gesprek (zo hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op de zitting bij het hof toegelicht) heeft [betrokkene 2] op de vraag van [betrokkene 1] of de Porsche bij een ongeval betrokken is geweest geantwoord dat de auto door een servicemonteur tegen de vangrail is gereden en dat de voorste bumper, de voorkoplamp, het wiel en de remschijven beschadigd waren.”
Hierin zegt het hof niet, impliciet noch expliciet, dat volgens [betrokkene 1] (Stormont) aan hem door [betrokkene 2] (Marstede) op 11 februari 2022 is medegedeeld dat de auto bij een zwaar ongeval betrokken was.
Als het hof hiermee al iets zegt hierover, dan is het veeleer dat volgens [betrokkene 1] (Stormont) aan hem door [betrokkene 2] (Marstede) op 11 februari 2022 is medegedeeld dat de auto bij een licht ongeval betrokken was. Daarbij neem ik in aanmerking, naast 3.48.2-3.48.3 hiervoor, dat het hof blijkens het p-v II ter zitting ook aan [betrokkene 2] heeft voorgehouden dat zijdens Stormont onder meer is opgemerkt dat “u”, dus [betrokkene 2] , “heeft gezegd dat de auto bij een licht ongeval betrokken was in plaats van bij een zwaar ongeval en dat de auto tot in perfectie was gerepareerd”. In zijn reactie hierop verklaart [betrokkene 2] niet dat hij dit niet heeft gezegd.
Dit sluit bijvoorbeeld ook aan op de eerdere opmerking ter zitting door het hof dat volgens Stormont de staat van de auto die zij mocht verwachten neerkwam op “tot in de perfectie gerepareerd na een klein ongeluk”.
En verder op rov. 5.7, waarin het hof onder meer vaststelt (met mijn onderstreping):
“Ten aanzien van de tweede grondslag voert Stormont aan dat zij de Porsche als beleggingsobject heeft gekocht. Zij was daarom aanvankelijk op zoek naar een schadevrij voertuig omdat een ongevalsvoertuig per definitie een aanzienlijk lagere waarde heeft. Anders dan haar door Marstede was voorgespiegeld, was de Porsche niet betrokken bij een licht ongeval met lichte schade, maar bij een zwaar ongeval waarbij de auto total loss is verklaard. Uit het taxatierapport van The Auto Appraisers blijkt dat een voertuig dat total loss is verklaard zelfs na een ‘tot in perfectie’ uitgevoerde reparatie aanmerkelijk minder waard is dan indien het voertuig zou hebben verkeerd in de door Marstede beloofde staat, aldus Stormont.”
En op rov. 5.10, waarin het hof onder meer vaststelt (weer met mijn onderstreping):
“Stormont meent dat de Porsche niet beantwoordde aan de door Marstede beloofde eigenschappen. Zij heeft in dat kader aangevoerd dat een voertuig als een Porsche Carrera GT vanwege de bijzondere aard ook een beleggingsobject is, waarbij in algemene zin geldt dat dergelijke voertuigen meer waarde hebben naarmate deze voertuigen een lagere kilometerstand hebben en zo origineel mogelijk zijn. Een ongevalsvoertuig heeft volgens Stormont per definitie een aanzienlijk lagere waarde. Daarom was zij aanvankelijk ook op zoek naar een schadevrij voertuig. Toen zij van Marstede had vernomen dat de Porsche bij een licht ongeluk was betrokken en er bovendien slechts in zeer beperkte mate herstelwerkzaamheden aan de auto hadden plaatsgevonden (‘cosmetische schade die niet traceerbaar was hersteld’), ging zij ervan uit dat de waarde van de auto niet (sterk) onder het ongeval zou lijden. Dat leidde Stormont ook af uit de marktconforme koopprijs. Naderhand bleek echter dat de auto bij een zwaar ongeluk met total loss verklaring was betrokken. Daardoor was de Porsche aanzienlijk minder waard en beantwoordde het verkochte niet aan de door Marstede beloofde [(algemene en bijzondere) eigenschappen]. Marstede heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken.”
Met dit een en ander is het lot van de klacht bezegeld: de daarin bedoelde ‘onbegrijpelijkheid’ van het bestreden oordeel is er in werkelijkheid niet.
Subonderdeel 2.3.4 klaagt dat, gezien de subonderdelen 2.3.1 t/m 2.3.3, onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel in rov. 5.13 van het arrest dat het hof onbesproken zou kunnen laten de stellingen van partijen over de tekortkoming die er zou zijn in verband met de gebreken inzake de technische aspecten (de eerste grondslag). Want zoals uit die voorgaande subonderdelen volgt, zijn die technische aspecten (waaronder de zwaarte van het ongeluk en de omvang van de schade) onlosmakelijk verbonden met de total loss -verklaring.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Anders dan het subonderdeel veronderstelt, volgt uit de subonderdelen 2.3.1 t/m 2.3.3 dus niet dat die technische aspecten onlosmakelijk verbonden zijn met de total loss -verklaring. Ik moge verwijzen naar de bespreking van die subonderdelen, die, als gezegd, alle falen.
Subonderdeel 2.3.5 klaagt dat, mede gezien de subonderdelen 2.3.1 t/m 2.3.3, onjuist en/of onbegrijpelijk is ’s hofs beslissing in rov. 5.22 van het arrest om voorbij te gaan aan de verschillende bewijsaanbiedingen van Marstede “als niet ter zake doende, omdat deze betrekking hebben op de technische mankementen van de Porsche”. Want in nr. 129 van de memorie van antwoord biedt Marstede nu juist aan om te bewijzen dat, kort gezegd, de conclusie uit het [A] -rapport dat de Porsche total loss zou zijn niet klopt. Als Marstede bewijst dat die conclusie niet klopt, staat in dit geding vast dat “die korte vermelding op de meergenoemde inkoopfactuur” (ik begrijp: de total loss -verklaring) ten onrechte op deze factuur staat. Dan valt niet in te zien waarom het door Marstede niet aan Stormont mededelen van die vermelding een tekortkoming in de nakoming oplevert (“zie ook subonderdeel 2.3.1”). Het bewijsaanbod was dus wel ter zake dienend.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Dat het hof in rov. 5.22 het bewijsaanbod van Marstede in nr. 129 van de memorie van antwoord uitlegt zoals het hof daarin doet, is prima te volgen. Dit nr. 129 bevat immers niet meer dan het volgende:
“Marstede biedt aan te bewijzen dat [A] de opdracht heeft gekregen van [betrokkene 5] om in de begroting toe te werken naar een total loss van de auto. [betrokkene 5] , [A] en Alianz kunnen op dit punt worden gehoord. Een deskundige kan worden benoemd met de opdracht, kort gezegd, de schadeberekening in het [A] -rapport te beoordelen.”
Dat het hof in rov. 5.22 dit bewijsaanbod van Marstede passeert “als niet ter zake doende”, is ook prima te volgen. Het hof komt immers in rov. 5.6-5.19, kort gezegd, al tot toewijzing van de op de tweede grondslag gebaseerde vordering van Stormont uit hoofde van wezenlijke tekortkoming wegens non-conformiteit zijdens Marstede, zodat het hof de eerste grondslag voor die vordering - de tekortkoming die er zou zijn in verband met de gebreken die zien op de technische aspecten (rov. 5.13) - onbesproken kan laten.
Bij dit een en ander zij bedacht dat blijkens rov. 5.6-5.19 de uitkomst inzake die tweede grondslag volgens het hof niet anders zou worden, indien de total loss -verklaring ten onrechte op de factuur zou staan. En verder dat de subonderdelen 2.3.1 t/m 2.3.3 (en 2.3.4), waarop het subonderdeel leunt, dus falen.
Daarmee is het pleit al beslecht: hetgeen het subonderdeel aanvoert, maakt het bestreden oordeel onjuist noch onbegrijpelijk.
Subonderdeel 2.4 voert aan dat de subonderdelen 2.1 t/m 2.3 tevens doorwerken in ’s hofs oordeel in rov. 5.15 (en 3.4) van het arrest dat Marstede zich er niet op zou kunnen beroepen dat Stormont verzuimd heeft tijdig te klagen, nu Marstede met het gebrek (dat de Porsche total loss verklaard zou zijn) bekend geweest zou zijn en Stormont hiervan niet op de hoogte gebracht heeft, terwijl zij dat wel zou hebben moeten doen.
Behandeling
Het subonderdeel bouwt voort op de subonderdelen 2.1 t/m 2.3, die dus falen. Het subonderdeel deelt dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.
Onderdeel 3 (“De schadebegroting (rov. 5.16)”)
Het onderdeel bestrijdt als “[o]njuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd” ’s hofs beslissing in rov. 5.16 van het arrest om de door Stormont gevorderde schade van US$ 300.000 toe te wijzen (hierna: de schadebegrotingsbeslissing). Dit werkt het onderdeel uit in drie subonderdelen.
Subonderdeel 3.1 bestaat weer uit vijf nadere subonderdelen.
Subonderdeel 3.1.1 klaagt, samengevat, als volgt. De schadebegrotingsbeslissing is mede gebaseerd op het oordeel in rov. 5.16, tweede alinea, eerste zin van het arrest dat Stormonts stelling dat de auto bij doorverkoop US$ 1.100.000 zou opleveren door haar “voldoende onderbouwd” zou zijn “met het taxatierapport van The Auto Appraisers en Merit Partners” (hierna: het taxatierapportenoordeel). Met dit “taxatierapport” doelt het hof op zowel een taxatierapport van The Auto Appraisers als een taxatierapport van Merit Partners, in rov. 5.16, tweede alinea, tweede zin aangeduid met “deze taxaties”. Het taxatierapportenoordeel is onbegrijpelijk, want in het taxatierapport van The Auto Appraisers wordt nu juist vermeld dat daarin wordt uitgegaan van een Porsche die niet bij enig ongeval betrokken geweest is, en in het taxatierapport van Merit Partners wordt überhaupt niet vermeld waarop de daarin vermelde taxatiewaarde gebaseerd is. Dit terwijl (i) de desbetreffende stellingen van Stormont inhouden dat het bij genoemd bedrag van US$ 1.100.000 gaat om de waarde van de litigieuze Porsche zonder ongeval, en (ii) het hof in rov. 4.8 heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] (en daarmee Stormont) ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ervan op de hoogte was dat de auto door een servicemonteur tegen de vangrail gereden is en dat de voorste bumper, de voorkoplamp, het wiel en de remschijven beschadigd waren, zodat Stormont wist of behoorde te weten dat er geen sprake was van “a clean history, with no accident vehicle” (als bedoeld in het taxatierapport van The Auto Appraisers).
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
In rov. 5.16, eerste alinea, derde zin wijst het hof erop dat “[v]olgens Stormont uit meerdere taxaties [blijkt] dat de Porsche voor 1.1 mio US Dollar verkocht had kunnen worden in de door Marstede beloofde ‘perfecte staat’”. Daarop slaat uiteraard terug wat het hof vervolgens overweegt in het bestreden oordeel, dus “[d]at de auto bij doorverkoop 1.1 mio US Dollar zou opleveren heeft Stormont volgens het hof voldoende onderbouwd met het taxatierapport van The Auto Appraisers en Merit Partners”. Het gaat hier derhalve steeds om het bedrag waarvoor Stormont de Porsche had kunnen doorverkopen, uitgaande van de auto in de door Marstede beloofde ‘perfecte staat’. Dit laatste ziet op de veronderstelling van Stormont ten tijde van de koop van Marstede dat de Porsche slechts betrokken was geweest bij een licht ongeval met lichte/cosmetische schade die niet traceerbaar was hersteld, zodat de waarde van de auto niet (sterk) onder het ongeval zou lijden (wat ook strookt met de marktconforme koopprijs). Dit komt dan neer op de auto in ‘perfecte staat’.
Ik wijs daartoe onder meer op rov. 5.7, tweede alinea en de volgende passage in rov. 5.10, met mijn onderstreping:
“Stormont meent dat de Porsche niet beantwoordde aan de door Marstede beloofde eigenschappen. Zij heeft in dat kader aangevoerd dat een voertuig als een Porsche Carrera GT vanwege de bijzondere aard ook een beleggingsobject is, waarbij in algemene zin geldt dat dergelijke voertuigen meer waarde hebben naarmate deze voertuigen een lagere kilometerstand hebben en zo origineel mogelijk zijn. Een ongevalsvoertuig heeft volgens Stormont per definitie een aanzienlijk lagere waarde. Daarom was zij aanvankelijk ook op zoek naar een schadevrij voertuig. Toen zij van Marstede had vernomen dat de Porsche bij een licht ongeluk was betrokken en er bovendien slechts in zeer beperkte mate herstelwerkzaamheden aan de auto hadden plaatsgevonden (‘cosmetische schade die niet traceerbaar was hersteld’), ging zij ervan uit dat de waarde van de auto niet (sterk) onder het ongeval zou lijden. Dat leidde Stormont ook af uit de marktconforme koopprijs. Naderhand bleek echter dat de auto bij een zwaar ongeluk met total loss verklaring was betrokken. Daardoor was de Porsche aanzienlijk minder waard en beantwoordde het verkochte niet aan de door Marstede beloofde [(algemene en bijzondere) eigenschappen]. Marstede heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken.”
Dit een en ander laat het subonderdeel buiten beschouwing, ten onrechte.
Tegen deze achtergrond, en gezien ook mijn bespreking van klacht b in subonderdeel 2.3.3, acht ik het niet onbegrijpelijk dat volgens het hof Stormont met de taxatierapporten van The Auto Appraisers en Merit Partners “voldoende heeft onderbouwd” dat de Porsche voor US$ 1.100.000 verkocht had kunnen worden in de door Marstede beloofde ‘perfecte staat’. Daarbij betrek ik dat weliswaar in het taxatierapport van The Auto Appraisers (productie 20 van Stormont) wordt geredeneerd vanuit “a clean history, with no accident vehicle”, maar dit neerkomt op - althans wel heel dicht aanligt tegen - de auto ‘in perfecte staat’ als bedoeld onder 3.65 hiervoor. Zo is dit taxatierapport door Stormont ook aangeduid, onder verwijzing naar “de ruim 1,1 miljoen dollar conform de als Productie 20 overgelegde taxatie, indien het voertuig zou hebben verkeerd in de door Marstede c.s. beloofde staat”. Het taxatierapport van Merit Partners (productie 9a van Stormont) is weliswaar summier (het bevat geen onderbouwing), maar komt uit op een vergelijkbare verkoopwaarde in dezelfde periode als eerstgenoemde taxatierapport. Bovendien bevat het eveneens door Stormont overgelegde taxatierapport van [C] (productie 9b van Stormont) dezelfde verkoopwaarde in dezelfde periode als het taxatierapport van Merit Partners, daarbij ervan uitgaande dat de auto “would have been in only the light accident described to the vendor when he purchased the car and would have been repaired (i.e, shown no extensive damage on the PPl)”. Hieruit laat zich afleiden - en dat doet het hof kennelijk - dat het taxatierapport van Merit Partners een vergelijkbaar uitgangspunt kent, zij het impliciet. Dit strookt ook met de aanduiding hiervan door Stormont als “Taxaties van de Porsche Carrera GT uitgaande van de staat waarin deze volgens Marstede verkeerde” (de omschrijving bij productie 9 van Stormont, hetgeen die producties 9a en 9b omvat).
Daarmee ontvalt tevens de bodem aan de slotstelling in het subonderdeel dat nu het taxatierapportenoordeel onbegrijpelijk is, hetzelfde geldt voor de schadebegrotingsbeslissing die “mede berust op dit taxatierapportenoordeel”.
Hierop ketst het subonderdeel al af.
Subonderdeel 3.1.2 klaagt dat de schadebegrotingsbeslissing ook hierom onbegrijpelijk is: bij “genoemde taxatierapporten” (ik begrijp: van The Auto Appraisers en Merit Partners) gaat het niet om schade die het gevolg is van het enkele feit dat Marstede niet medegedeeld heeft dat de auto eerder total loss verklaard zou zijn (“zie ook onderdeel 1”).
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op onderdeel 1, dat dus faalt, deelt het subonderdeel dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Ook overigens strandt het subonderdeel.
Het subonderdeel bestrijdt de schadebegrotingsbeslissing, wat neerkomt op rov. 5.16 van het arrest. Daarin zegt het hof niet dat het bij de taxatierapporten van The Auto Appraisers en Merit Partners gaat om “schade”, laat staan schade die het gevolg is van het enkele feit dat Marstede niet medegedeeld heeft dat de auto eerder total loss verklaard zou zijn. Die rapporten gaan überhaupt niet over schade, wel over de verkoopwaarde van de Porsche per een bepaald moment in een bepaalde conditie: dat is iets anders. Zie onder 3.68 hiervoor. Dit onderkent het hof ook in rov. 5.16.
Zou het subonderdeel verder nog bedoelen dat het hof niet mede op basis van die taxatierapporten kon komen tot de schadebegrotingsbeslissing, omdat die rapporten niet bruikbaar zijn bij die beslissing in het kader van de tweede grondslag (waarop het hof de wezenlijke tekortkoming door Marstede jegens Stormont baseert), dan geldt vooreerst dat blijkens rov. 5.16 Marstede zo’n verweer niet heeft gevoerd en het subonderdeel geen klacht richt tegen die uitleg door het hof van de gedingstukken in feitelijke instanties. Bovendien valt zonder meer, en dat meerdere ontbreekt in het subonderdeel, niet in te zien dat die rapporten daarbij onbruikbaar zouden zijn.
Subonderdeel 3.1.3 bevat, samengevat, de volgende klachten.
a. Het taxatierapportenoordeel is ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof niet (voldoende) gerespondeerd heeft op essentiële stellingen van Marstede, weergegeven (met vindplaatsen) onder (i) t/m (iii) in de klacht. Deze stellingen zijn essentieel, omdat zij, indien juist, tot een ander oordeel kunnen leiden: dat Stormont met het taxatierapport van The Auto Appraisers en Merit Partners niet voldoende onderbouwd heeft dat de Porsche bij doorverkoop het bedrag van US$ 1.100.000 zou opleveren.
b. Gezien deze essentiële stellingen kan evenmin standhouden ’s hofs oordeel in rov. 5.16, tweede alinea, laatste zin van het arrest dat “voor het overige onvoldoende gemotiveerd is weersproken” dat Stormont voor een bedrag van US$ 300.000 schade geleden zou hebben.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Eerst klacht a.
De stelling onder (i) luidt dat het bedrag in het taxatierapport van “Merit Appraisers” (ik begrijp: Merit Partners) niet is voorzien van enige onderbouwing. Ik meen, gezien ook de bespreking van subonderdeel 3.1.1 (zie in het bijzonder onder 3.65-3.66 en 3.68 hiervoor), dat deze stelling het hof geen reden gaf tot een nog weer nadere motivering van het taxatierapportenoordeel.
De stelling onder (ii) luidt dat de basis van de taxatierapporten onjuist is. Blijkens de verwijzing in de klacht gaat het om de volgende reactie van Marstede op Stormonts stelling dat zij de Porsche had kunnen verkopen voor US$ 1.100.000 in de door Marstede beloofde staat:
“Deze basis is onjuist, niet alleen omdat het moet gaan om de werkelijke schade en niet de mogelijke schade. En het is onjuist omdat, zoals gezegd, Marstede bij de verkoop niets heeft beloofd over de staat van de auto.”
Ook deze stelling gaf het hof geen reden tot een nog weer nadere motivering van het taxatierapportenoordeel. Die taxatierapporten gaan immers niet over schade, wel over iets anders (de verkoopwaarde van de Porsche per een bepaald moment in een bepaalde conditie). Zie onder 3.68 en 3.75 hiervoor. En eenmaal aangekomen in rov. 5.16, is in de opzet van het arrest al gegeven dat volgens het hof het niet melden door Marstede aan Stormont dat de Porsche bij aankoop total loss was verklaard een wezenlijke tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst oplevert (rov. 3.4, 5.6-5.13). Onderdeel van dit oordeel van het hof is dat, anders dan Stormont door Marstede was voorgespiegeld, de Porsche niet was betrokken bij een licht ongeval met lichte schade, maar bij een zwaar ongeval waarbij de auto total loss is verklaard (rov. 5.7, 5.10). Die enkele, blote opmerking van Marstede dat zij “zoals gezegd (…) bij de verkoop niets heeft beloofd over de staat van de auto” doet hieraan uiteraard niet af.
De stelling onder (iii) luidt dat de schadeberekening mank gaat aan hypothetische veronderstellingen. Blijkens de verwijzing in de klacht gaat het hier om (i) de enkele, blote opmerking van Marstede dat zij niet in kennis is gesteld van voorgenomen onderzoeken en taxaties, waardoor zij wordt benadeeld, en (ii) productie 25 van Stormont, waarop rov. 5.16 geen betrekking heeft. Kortom, deze stelling gaf het hof evenmin reden tot een nog weer nadere motivering van het taxatierapportenoordeel.
Het behoeft geen betoog dat de uitkomst niet anders wordt als de stellingen onder (i) t/m (iii) in onderling verband en samenhang worden bezien. Het is en blijft een ‘negatieve trifecta’.
Tot slot klacht b.
Zij strandt in het voetspoor van klacht a. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Subonderdeel 3.1.4 klaagt dat voor zover het hof bij het taxatierapportenoordeel ook het taxatierapport van [C] betrokken heeft, dit eveneens onbegrijpelijk is. Want ook dit taxatierapport betreft geen schade die het gevolg is van het enkele feit dat Marstede niet medegedeeld heeft dat de auto eerder total loss verklaard zou zijn (“zie wederom ook onderdeel 1”).
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op onderdeel 1, dat dus faalt, deelt het subonderdeel dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Ook overigens strandt het subonderdeel.
Uit de bespreking van de subonderdelen 3.1.1 t/m 3.1.3 volgt reeds dat voor zover het hof bij het taxatierapportenoordeel ook het taxatierapport van [C] betrokken heeft, dit niet onbegrijpelijk is vanwege de inhoud daarvan, meer precies - want daarop mikt het subonderdeel - de daarin gehanteerde premisse dat de Porsche “would have been in only the light accident described to the vendor when he purchased the car and would have been repaired (i.e, shown no extensive damage on the PPl)”. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Subonderdeel 3.1.5 bestrijdt, mede gezien de subonderdelen 3.1.1 t/m 3.1.4, als onjuist en/of onbegrijpelijk ‘s hofs beslissing in rov. 5.22 van het arrest om voorbij te gaan aan de verschillende bewijsaanbiedingen van Marstede “als niet ter zake doende, omdat deze betrekking hebben op de technische mankementen van de Porsche”. Dit spitst het subonderdeel vervolgens toe op het bewijsaanbod in de memorie van antwoord, nr. 131, en: omdat de taxatiewaardes in de taxatierapporten gebaseerd zijn op de (beloofde) technische staat van de auto bij verkoop (zie de subonderdelen 3.1.1 t/m 3.1.4), doet een bewijsaanbieding aangaande de technische staat van de auto ten tijde van de verkoop aan Stormont wel ter zake.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de subonderdelen 3.1.1 t/m 3.1.4, die dus falen, deelt het subonderdeel dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Ook overigens strandt het subonderdeel.
Het bewijsaanbod in de memorie van antwoord, nr. 131 luidt:
“Marstede biedt aan te bewijzen dat het rapport-PG een uitstekend beeld geeft van de technische staat van de auto. Dit bewijs kan worden geleverd door Marstede en PG als getuigen te horen alsmede een door uw hof te benoemen deskundige.”
Dit “rapport-PG” betreft een, kort gezegd, door Porsche Centrum Gelderland (“PG”) op verzoek van Marstede op 23 november 2021 uitgevoerde aankoopkeuring van de Porsche, dit in verband met de mogelijke verkoop ervan aan een zekere “ [betrokkene 6] ”.
Blijkens rov. 5.22 passeert het hof dit bewijsaanbod als niet ter zake doende, omdat het dit bewijsaanbod ziet als betrekking hebbend op “de tekortkoming die er zou zijn in verband met de gebreken die zien op de technische aspecten (de eerste grondslag)” (rov. 5.13, zie ook rov. 5.7, eerste alinea). Daarmee valt dit bewijsaanbod volgens het hof buiten het kader van de tweede grondslag (rov. 5.7, tweede alinea), met inbegrip van de schadebegroting dienaangaande. Ik acht deze uitleg door het hof van dit bewijsaanbod niet onbegrijpelijk, gelet ook op de formulering van dit bewijsaanbod (zie onder 3.90 hiervoor) en de plaatsen waar en wijze waarop Marstede elders in de memorie van antwoord heeft verwezen naar dat “rapport-PG”.
Daarmee is het lot van het subonderdeel reeds bezegeld.
Subonderdeel 3.2(.1) klaagt dat de schadebegrotingsbeslissing te meer onbegrijpelijk is, doordat zij mede berust op ’s hofs oordeel in rov. 5.16, eerste alinea, vierde zin van het arrest dat Stormont de Porsche, door de naderhand ontdekte total loss -verklaring, voor US$ 800.000 heeft verkocht. Dit oordeel is ontoereikend gemotiveerd, nu het hof niet (voldoende) gerespondeerd heeft op essentiële stellingen van Marstede, weergegeven (met vindplaatsen) onder (i) t/m (x) in het subonderdeel. Oftewel: het hof is volledig voorbijgegaan aan stellingen van [betrokkene 2] die erop neerkomen dat de verkoopprijs van US$ 800.000 aan [C] niet (zonder meer) als uitgangspunt kan gelden bij de verkoop van de auto, omdat niet vaststaat noch gemotiveerd is dat deze verkoopprijs marktconform zou zijn geweest. Deze stellingen zijn essentieel, omdat zij, indien juist, tot een ander oordeel kunnen leiden.
Behandeling
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
Met de stellingen onder (i) t/m (ix) doelt het subonderdeel op de volgende passages in de memorie van antwoord:
“120. In sub 53 van de memorie schetst Stormont dat de mogelijkheid van verkoop aan [C] voor haar een dilemma was. Wat daar ook van zij, dit heeft zij volgens Marstede zelf in het leven geroepen. Zonder overleg met Marstede (die wist zonder klachtmelding van niets) zelf over te gaan tot schadebeperking, roept vragen op. Zeker met de almaar stijgende verkoopprijzen voor de auto rijst de vraag welke afwegingen Stormont heeft gemaakt om juist op 8 december 2022 de auto te verkopen aan [C] . Als Stormont wél tijdig een klachtmelding had gedaan bij Marstede, dan had dat ertoe kunnen leiden dat de auto eerder was doorverkocht. Dat was ook de bedoeling van Stormont. En Stormont is bij de verkoop aan [C] uitgegaan van allerlei onjuiste aannames. De auto hoefde niet met terug naar Nederland met alle kosten van dien: verkoop door of namens Marstede vanuit Amerika had eenvoudig gekund. En voetnoot 12 miskent dat de btw over het importtarief voor Marstede aftrekbaar is. De rol van [C] is wijdlopig: taxateur, eigenaar en onderzoeker ten faveure van Stormont. Dit is geen correcte en onpartijdige gang van zaken. Heeft Stormont voor hij de auto aan [C] verkocht ook andere biedingen gekregen? Of heeft hij bijzondere afspraken gemaakt met [C] verband houdende met de uitkomst van de onderhavige procedure?
121. In sub 128 van de memorie staat dat de verkoop aan [C] een direct verlies heeft opgeleverd van $159.580,-. Dat komt geheel voor risico van Stormont. Zij heeft zichzelf schade toegebracht. De verkoop aan [C] is onbegrijpelijk en wekt bevreemding omdat volgens Stormont de auto total loss , onveilig en gevaarlijk is en Porsche geen toestemming geeft voor reparatie van een beschadigde monocoque.”
Voor zover hierin al te lezen valt dat Marstede (de marktconformiteit van) die verkoopprijs van US$ 800.000 aan de orde stelt, is het niet onbegrijpelijk dat het hof blijkens rov. 5.16 hieruit niet opmaakt dat Marstede gemotiveerd heeft gesteld dat die verkoopprijs niet (zonder meer) als uitgangspunt kan gelden bij de verkoop van de auto, omdat niet vaststaat noch gemotiveerd is dat die verkoopprijs marktconform zou zijn geweest. Daarvoor zijn die stellingen veel te weinig concreet, want veel te bloot, speculatief en/of zijdelings.
De resterende stelling, onder (x), komt uit eerste aanleg en betreft de volgende passage:
“(…) En voorkomen moet worden dat de schadevordering berust op een feitelijk niet-bestaande koopovereenkomst tussen Stormont en [C] , die volgens sub 34 dagvaarding een gerespecteerde taxateur is maar tegelijk de koper is van de auto. Dit doet de wenkbrauwen fronsen.”
Hiervoor geldt hetzelfde als ik schreef onder 3.96 hiervoor.
Overigens is tijdens de tweede zitting bij het hof de verkoop van de Porsche aan [C] en de daarvoor door [C] betaalde prijs aan bod gekomen, mede naar aanleiding van vragen zijdens het hof. Hieraan gaat het subonderdeel geheel voorbij.
Subonderdeel 3.3(.1), tot slot, formuleert twee klachten.
a. Onjuist en/of onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel in rov. 5.16, eerste alinea, tweede zin van het arrest. Immers, art. 74, tweede zin Weens Koopverdrag beperkt de schadevergoeding waar een partij recht op heeft. Dit heeft het hof ten onrechte niet (kenbaar) in zijn oordeel betrokken.
b. Door bij de schadebegrotingsbeslissing niet vast te stellen dat Marstede de omvang van de door Stormont gevorderde schadevergoeding bij het sluiten van de koopovereenkomst voorzien heeft of had behoren te voorzien, is deze beslissing onjuist en/of onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de voorzienbaarheid van de schade bij Stormont liggen.
Behandeling
3.100 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.100 De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.100 In rov. 5.8 stelt het hof voorop:
“Het Weens Koopverdrag bevat wat betreft de vraag of sprake is van schadeplichtigheid wegens non-conformiteit en wat betreft de vraag of sprake is van schending van de klachtplicht geen expliciete verdeling van de stelplicht en bewijslast. In de literatuur en rechtspraak is inmiddels algemeen aanvaard dat de partij die de voordelige juridische gevolgen wil ontlenen aan een bepaling in het Weens Koopverdrag de feitelijke vereisten van die bepaling moet stellen en bewijzen en de partij die een beroep doet op een uitzondering de feiten en omstandigheden daartoe moet stellen en bewijzen. Gelet op hetgeen in 5.6 en 5.7 is overwogen, rust de stelplicht (en eventueel de bewijslast) op Stormont.”
3.103 In rov. 5.16, eerste alinea, tweede zin verwijst het hof kortweg aldus naar art. 74 Weens Koopverdrag:
“Op grond van artikel 74 Weens Koopverdrag heeft een partij recht op schadevergoeding vanwege een tekortkoming van de andere partij bestaande uit een bedrag gelijk aan de schade, met inbegrip van de gederfde winst.”
Dit betreft m.i. een samenvatting van de bepaling. De volledige tekst daarvan luidt:
“De schadevergoeding wegens een tekortkoming van een partij bestaat uit een bedrag gelijk aan de schade, met inbegrip van de gederfde winst, die door de andere partij als gevolg van de tekortkoming wordt geleden. Een zodanige schadevergoeding mag evenwel niet hoger zijn dan de schade die de partij die in de nakoming is tekort geschoten bij het sluiten van de overeenkomst voorzag of had behoren te voorzien als mogelijk gevolg van de tekortkoming, gegeven de feiten die zij kende of die zij had behoren te kennen.”
3.104 Die verwijzing in rov. 5.16, eerste alinea, tweede zin naar art. 74 Weens Koopverdrag is als volgt ingebed in die eerste alinea:
“Stormont vordert een schadevergoeding van primair 300.000 US Dollar en subsidiair (voor het geval een veroordeling in buitenlandse valuta niet mogelijk is) € 279.969 aan gederfde winst. Op grond van artikel 74 Weens Koopverdrag heeft een partij recht op schadevergoeding vanwege een tekortkoming van de andere partij bestaande uit een bedrag gelijk aan de schade, met inbegrip van de gederfde winst. Volgens Stormont blijkt uit meerdere taxaties dat de Porsche voor 1.1 mio US Dollar verkocht had kunnen worden in de door Marstede beloofde ‘perfecte staat’. Stormont heeft de Porsche, door de naderhand ontdekte total loss verklaring, voor 800.000 US Dollar verkocht. De totale schade komt daarmee op 300.000 US Dollar dan wel € 279.969, te vermeerderen met rente en kosten, aldus Stormont.”
3.105 In rov. 5.16, tweede alinea zet het hof uiteen waarom die door Stormont primair gevorderde schadevergoeding van US$ 300.000 zal worden toegewezen:
“Dat de auto bij doorverkoop 1.1 mio US Dollar zou opleveren heeft Stormont volgens het hof voldoende onderbouwd met het taxatierapport van The Auto Appraisers en Merit Partners. Dat deze taxaties niet objectief zijn en daarom voor onjuist moeten worden gehouden, zoals door Marstede gesteld, blijkt onvoldoende. In het licht van de onderbouwing door Stormont is de betwisting van Marstede waarbij zij verwijst naar een overzicht van prijsfluctuaties 2023/2024 te mager. In de eerste plaats is het overzicht te algemeen en in de tweede plaats gaat het erom wat de waarde van een Porsche Carrera GT 2005 is op het moment van de tekortkoming, te weten 11 februari 2022. Rond het sluiten van de koopovereenkomst hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] immers op 11 februari 2022 telefonisch met elkaar gesproken, waarop [betrokkene 2] de vraag van [betrokkene 1] of de Porsche bij een ongeval betrokken is geweest, weliswaar bevestigend heeft beantwoord maar daarbij niet gemeld dat de auto toen ook total loss was verklaard. Uit het overzicht dat Marstede heeft overgelegd, blijkt niet wat de verkoopwaarde van een vergelijkbare Porsche Carrera GT in 2022 was. Marstede heeft met dit overzicht dus niet onderbouwd betwist dat de verkoopwaarde van het voertuig lager ligt dan de bedragen die blijken uit de door Stormont ingebrachte taxaties. Dit betekent dat de door Stormont gevorderde schade van 300.000 US Dollar (die voor het overige onvoldoende gemotiveerd is weersproken) zal worden toegewezen.”
3.106 Naar hieruit volgt, en ook bevestiging vindt elders in het arrest (zie in het bijzonder rov. 5.9-5.12, 5.14-5.15), ziet het hof bij de schadebegrotingsbeslissing niet voorbij aan art. 74, tweede zin Weens Koopverdrag. Nee: het hof meent daarbij, met inachtneming van het partijdebat, dat Stormont - ook als ter zake de stelplicht (en, eventueel, bewijslast) op haar rust - voldoende heeft aangevoerd om te kunnen aannemen dat met de in rov. 5.16 bedoelde schadevergoeding van US$ 300.000 als primair gevorderd door haar binnen de grenzen van die tweede zin wordt gebleven. Oftewel: dat die schadevergoeding niet hoger is dan de schade die Marstede als wanpresterende partij onder de koopovereenkomst bij het sluiten daarvan voorzag of had behoren te voorzien als mogelijk gevolg van de tekortkoming, gegeven de feiten die Marstede kende of die zij had behoren te kennen.
3.107 Dit is onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, bezien ook tegen de achtergrond van rov. 5.9-5.12 en 5.14-5.15. Daarbij betrek ik verder dat in de enige vindplaats die het subonderdeel noemt, door Marstede enkel is gewezen op art. 74 Weens Koopverdrag en opgemerkt dat de bepaling in geen gedingstuk van Stormont wordt genoemd. Daarmee heeft Marstede nog geen noemenswaardig werk gemaakt van een op de bepaling gebaseerd beroep (evenmin ter verweer), maar de vindplaats onderstreept intussen wel nog eens dat de bepaling, die het hof dus ook noemt in rov. 5.16 (en trouwens ook nog eens in rov. 5.19), het hof niet is ontgaan bij de schadebegrotingsbeslissing. Daarbij betrek ik verder nog relevante literatuur, waaruit onder meer volgt dat het gevolg van art. 74, tweede zin Weens Koopverdrag is dat doorgaans snel tot voorzienbaarheid van de schade zal kunnen worden geoordeeld.
3.108 Hierop ketsen de klachten reeds af.
3.108 Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 3 faalt.
Slotsom
3.110 Het cassatiemiddel van Marstede is derhalve vergeefs voorgesteld.
3.110 Ik geef toepassing van art. 81 lid 1 RO in overweging.
4 Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G