Strafrecht overig
Uitgetypte versie van de HR-conclusie in de strafzaak met HR-zaaknummer 2350. Herziening. Zware mishandeling…
Parket bij de Hoge Raad, 2 november 1931
ECLI:NL:PHR:1931:3 · Parket bij de Hoge Raad · 2 november 1931
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-1931-3
Zaakgegevens
Op 2 november 1931 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 november 1931
- Datum publicatie
- 1 april 2026
- Zaaknummer
- 2350
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1931:3
Samenvatting
Uitgetypte versie van de HR-conclusie in de strafzaak met HR-zaaknummer 2350.
Herziening. Zware mishandeling door met geschoeide voet een ander in zijn onderbuik te schoppen, waarna deze in ziekenhuis is geopereerd, art. 302 Sr. Veroordeling tot (deels voorwaardelijke) tuchtschoolstraf en toewijzing van civiele vordering van beledigde partij. 1. Aangevoerd wordt dat na wijzen van vonnis is gebleken dat opnemen in ziekenhuis van aangever en operatief ingrijpen niet noodzakelijk waren, althans geen verband hielden met het door aanvrager toegebrachte lichamelijke letsel, ten bewijze waarvan bij aanvraag een ondertekende verklaring van geneesheer, die aangever heeft geopereerd, is overgelegd, art. 457.2 Sv. 2. Ontvankelijkheid herzieningsaanvraag van vonnis m.b.t. toewijzing van civiele vordering van beledigde partij.
Ad 1. Verklaring van geneesheer houdt in dat hij aanvrager heeft geopereerd zonder dat hij vóór operatie bij hem breuk kon vaststellen, dat hij alleen opereerde omdat huisarts bij aangever een breuk had vastgesteld en omdat ouders wensten dat deze breuk werd geopereerd, dat het meer voorkomt dat breuk niet gemakkelijk is aan te tonen, en dat bij operatie geen breuk noch andere afwijking werd gevonden. Dit alles doet ernstig vermoeden ontstaan dat, ware het de rechter destijds bekend geweest, onderzoek van zaak hem zou hebben geleid zo niet tot vrijspraak van aanvrager dan toch tot toepasselijkverklaring van minder zware strafbepaling en dat ook t.a.v. ingestelde civiele vordering een andere beslissing zou zijn gegeven.
Ad 2. Aanvrager heeft ttz. van HR te kennen gegeven dat aanvraag tot herziening het vonnis in zijn geheel betreft. Aanvrager is in die aanvraag ontvankelijk, nu vonnis een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak, die veroordeling inhoudt, is waarvan ex art. 457 Sv herziening kan worden aangevraagd. Wanneer een van de in art. 457 Sv genoemde gronden aanwezig is, betreft herziening het vonnis in zijn geheel met al de daarin voorkomende beslissingen, tenzij uit aanvraag het tegendeel volgt. Ook uit art. 473 Sv blijkt dat wetgever ervan is uitgegaan dat beslissing omtrent ingestelde civiele vordering niet buiten herziening zal blijven. Volgens dit art. wordt rechtsgeding in verwezen zaak bij hof gevoerd met overeenkomstige toepassing van onder andere art. 413, 415 en 421 Sv. Art. 413 Sv houdt in dat aan beledigde partij, die zich in eersten aanleg in geding heeft gevoegd, dag moet worden aangezegd, waarop zaak ttz. zal worden behandeld. Art. 415 Sv verklaart onder andere art. 332-337 Sv omtrent beledigde partij van overeenkomstige toepassing. Ook art. 421 Sv houdt voorschriften omtrent beledigde partij in, die geding in hoger beroep betreffen. Bovendien staan geding over strafzaak en civiele vordering, waarmee beledigde partij zich in dit geding voegt, in onafscheidelijk verband met elkaar, zoals blijkt uit verschillende bepalingen omtrent beledigde partij. Dit blijkt onder andere uit art. 337.2 Sv, inhoudende dat vordering van beledigde partij alleen ontvankelijk zal zijn, indien verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd. Verder is beginsel van herzieningsregeling dat degene, wiens aanvraag tot herziening gegrond is bevonden, na verwijzing naar hof in dezelfde toestand zal komen te verkeren als waarin hij zich bevond bij aanvang van behandeling ttz., die heeft geleid tot einduitspraak, waartegen aanvraag tot herziening gegrond is bevonden.
HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar hof. CAG (strekking): opschorting van voorwaardelijk opgelegde tuchtschoolstraf en verwijzing van strafzaak naar hof, en niet-ontvankelijkverklaring van aanvraag v.zv. bedoeld mocht zijn ook herziening te vragen van civielrechtelijke beslissing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 november 1931deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1931:3
Hoge Raad · 21 december 1931
ECLI:NL:HR:1931:168
Conclusie
Conclusie van den Procureur-Generaal Tak.
De Procureur-Generaal:
Gezien de stukken en gelet op de mondelinge behandeling der zaak ter zitting van heden;
Overwegende, dat de aanvrage gegrond is;
Overwegende, dat de onvoorwaardelijk opgelegde tuchtschoolstraf reeds is tenuitvoergelegd;
Concludeert tot opschorting der onvoorwaardelijk opgelegde tuchtschoolstraf en tot verwijzing der strafzaak naar een Gerechtshof, dat van haar nog geen kennis heeft genomen, ten einde eene beslissing daarin te nemen als verordend in artikel 465 van het Wetboek van Strafvordering en, voor zoo ver mocht bedoeld zijn ook revisie te vragen van de civielrechtelijke beslissing, dat verzoeker daarin niet zal worden ontvangen, als moetende hij zich daarvoor bedienen van het rechtsmiddel van request civiel.
Zitting 23 November 1931