Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:1971:4 · Parket bij de Hoge Raad · 20 april 1971
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-1971-4
Zaakgegevens
Op 20 april 1971 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 april 1971
- Datum publicatie
- 27 juni 2024
- Zaaknummer
- 65831
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1971:4
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 april 1971deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1971:4
Hoge Raad · 18 mei 1971
ECLI:NL:HR:1971:2
Conclusie
K.
No. 65831
Zitting 20 april 1971.
Mr. Langemeijer
Conclusie inzake:
[rekwirant]
Edelhoogachtbare Heren,
Het eerste cassatiemiddel stelt dat hier geen gebruik zou zijn gemaakt van een valse sleutel, nu met de sleutel, die de requirant heeft gebruikt, om binnen het gebouw van de diefstal door te dringen, het slot kon worden geopend. Het middel miskent m.i. dat een sleutel die bruikbaar is voor het openen van een bepaald slot, daarom nog wel kan zijn een voor het openen van dat slot niet bestemde sleutel. Ik moge verwijzen naar Noyon, zesde druk, aantekening 2 op artikel 90. Een andere vraag is of de bewijsmiddelen uitsluiten dat de sleutel wel tot het openen van het slot bestemd zou zijn geweest. Dit betwist onderdeel 2 van middel II. Theoretisch - maar ook wel louter theoretisch - zou denkbaar zijn dat de requirant gebruik had gemaakt van een sleutel die hem ter hand zou zijn gesteld door een bevoegde, met de bedoeling dat requirant daarmee de deur in kwestie voor enig geoorloofd doel zou kunnen openen. Nu echter de mededader [betrokkene 1] tegenover de politie blijkens het aangehaalde proces-verbaal heeft gesproken van een "valse" sleutel had het Hof m.i. voldoende steun voor het uitsluiten van een dergelijke toch reeds ongerijmde veronderstelling.
Over blijft middel II onder 1 betogende dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat [betrokkene 1] in vereniging met wie volgens de bewezenverklaring de diefstal zou zijn gepleegd, ook opzettelijk de toegangsdeur met een valse sleutel heeft geopend en evenmin dat requirant de wil heeft gehad om de deur samen met [betrokkene 1] te openen. Ik zou menen dat de hier bedoelde bijzonderheden ook niet zijn telastegelegd; hoe de houding van [betrokkene 1] ten aanzien van de sleutel en van het openen van de deur is geweest blijft in de telastelegging geheel in het midden. Een andere vraag is of het Hof, nu dit in het midden bleef, zowel het gepleegd zijn van de diefstal door twee of meer verenigde personen als het gebruik van de valse sleutel ten laste van de requirant had mogen brengen. Uw Raad heeft deze vraag echter reeds bevestigend beantwoord bij Uw arrest van 6 december 1943, N.J. 1944, no. 245.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,