Strafrecht overig
Herziening, economische zaak. Feitelijk leidinggeven aan het zonder vergunning ter beschikking stellen van…
ECLI:NL:PHR:1975:AB4300 · Parket bij de Hoge Raad · 9 december 1975
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-1975-ab4300
Zaakgegevens
Op 9 december 1975 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 december 1975
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 4186E Herz
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1975:AB4300
Samenvatting
Herziening, economische zaak. Feitelijk leidinggeven aan het zonder vergunning ter beschikking stellen van werknemers als arbeidskrachten, begaan door rechtspersoon (art. 2.1 Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten). Hof heeft aanvrager n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1 Sv. Aangevoerd wordt dat waardering van tlgd. feit afhangt van beoordeling van geschilpunt van burgerlijk recht (vraag of aan tlgd. handelingen ten grondslag liggende overeenkomst er een was van aanneming of van uitlening) en dat te voorzien is dat hof de opvatting van Economische Pr op gebied van aard van overeenkomst niet zal delen en dus niet tot veroordeling zal komen, art. 457.1.2 Sv.
Noch het aangevoerde m.b.t. het openstaan van h.b. tegen enige bij vonnis van Economische Pr gegeven beslissing en de te verwachten resultaten van zodanig h.b., noch het gestelde m.b.t. het aan aanvrager toekomende recht een vordering tot schadevergoeding in te stellen, levert enige in art. 457 Sv bedoelde omstandigheid op.
Aanvraag n-o.
Procesgang
Hoge Raad · 9 december 1975
ECLI:NL:HR:1975:AB4300Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 december 1975deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1975:AB4300
Conclusie
L .
Nr. 4186 herziening.
Mr. Kist.
Conclusie inzake:
[verzoeker] .
Edelhoogachtbare Heren,
Verzoeker heeft zich tot Uw Raad gewend met een aanvrage tot herziening van een uitspraak van de Economische Politierechter in de Arrondissements-rechtbank te Rotterdam dd. 25 maart 1975 waarbij verzoeker tot straf is veroordeeld terzake van overtreding van voorschriften, gesteld krachtens artikel 2 eerste lid van de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, strafbaar gesteld bij de artikelen 1 onder 4, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.
Op het moment van het indienen van deze aanvrage, die gedateerd is op 23 juli 1975 en blijkens een stempel bij de Hoge Raad is ingekomen op 25 juli 1975, was echter genoemde uitspraak nog niet in kracht van gewijsde gegaan, zoals art. 457 Sv. verlangt. Verzoeker had tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld, welk beroep echter te laat was ingesteld, zodat het Gerechtshof te 's-Gravenhage hem bij arrest van 8 oktober 1975 niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaarde. Het arrest heb ik aan de stukken toegevoegd. Strikt genomen zou geredeneerd kunnen worden, dat de aanvrage reeds niet-ontvankelijk
is, omdat zij op 25 juli 1975 gericht was tegen een niet in kracht van gewijsde gegane uitspraak. Zou men hierover willen heen stappen, omdat het ingesteld appel achteraf niet-ontvankelijk is verklaard, dan is de aanvrage, zij het op een andere grond m.i. toch niet-ontvankelijk.
Een "novum" in de zin van art. 457 lid 1 sub 2 Sv. wordt nl. in de aanvrage niet opgegeven. Niets van hetgeen verzoeker stelt kan een grond tot herziening opleveren. Het betoog van verzoeker dat de waardering van het telastegelegde feit afhangt van de beoordeling van een geschilpunt van burgerlijk recht (of van de overeenkomst er een was van aanneming of van uitlening) is in het geheel niet nieuw, doch reeds ter terechtzitting gehouden. De mogelijkheid dat het Gerechtshof de opvatting van de Politierechter omtrent de aard van de overeenkomst niet zal delen is niet aanwezig, terwijl de omstandigheid dat verzoeker gerechtigd zou zijn tegen zijn partner in de overeenkomst een vordering tot schadevergoeding in te stellen bezwaarlijk het in art. 457 genoemde ernstige vermoeden kan wekken.
Waar van een omstandigheid als bedoeld in art. 457 lid 1 sub 2 Sv. niet blijkt, voldoet de aanvragen niet aan de wettelijke eis en concludeer ik mitsdien tot niet-ontvankelijkverklaring van de aanvrage.
Parket 5 november 1975.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,