Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:1984:AC8601 · Parket bij de Hoge Raad · 8 juni 1984
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-1984-ac8601
Zaakgegevens
Op 8 juni 1984 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juni 1984
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 1509 Besch
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1984:AC8601
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 juni 1984deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1984:AC8601
Hoge Raad · 20 november 1984
ECLI:NL:HR:1984:AC8601
Conclusie
Request nr. 1509
Parket, 8 juni 1984
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin het Hof de beschikking van de Rechtbank heeft bevestigd, waarbij requirant, die een bezwaarschrift tegen de dagvaarding had ingediend naar de terechtzitting werd verwezen (een BV had valsheid in geschrift gepleegd, en requirant zou feitelijk leiding hierbij hebben gegeven), tegen welke beschikking hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel van cassatie voorgesteld, waarin erover wordt geklaagd, dat het Hof het begrip “feitelijk leiding geven”, dat in de telastelegging voorkomt en welke uitdrukking kennelijk ontleend is aan de tekst van art. 51 Sr. onjuist zou hebben uitgelegd door dien het college daaronder ook verstaat de situatie, waarbij de verdachte functionaris van de verboden gedraging op de hoogte is, en, hoewel bevoegd tot ingrijpen en aan het gedrag een eind te maken, zulks verzuimt. De geëerde steller van het middel verwijst o.m. naar de zevende druk van Noyon-Langemeijer, p. 395 (supplement 34) en naar een noot van collega ’t Hart onder HR 2 maar 1982, NJ 1982, no. 446.
Ik geef toe, dat men uit de gebezigde terminologie op het eerste gezicht geneigd is af te leiden, dat het noodzakelijk is, dat de als zodanig aansprakelijke figuur tamelijk actief bij het door de rechtspersoon begane delict betrokken moet zijn geweest. In deze zin Ktr. Heerlen, 2 juni 1947, NJ 1948, no. 139 ten aanzien van een functionaris die tempore delicti ernstig ziek was. De omstandigheid, dat hij van het verboden handelen afwist en dat billijkte zou onvoldoende zijn, zodat vrijspraak geïndiceerd was. Zelf heb ik mij in Noyon-Langemeijer bij die opvatting aangesloten. Ik meen echter bij nadere overweging, dat men toch niet te veel waarde moet hechten aan deze meer aan activiteit dan aan passiviteit appellerende bewoordingen, gelet op het onmiskenbare streven hier slechts een wat genuanceerdere aansprakelijkheid van besturende functionarissen uit te drukken. M.a.w. wie krachtens zijn functie had moeten ingrijpen, doch dit niet deed, zou ik een leidinggevende positie bij de gedraging van de rechtspersoon (in feite door andere werknemers verricht) niet willen ontzeggen.
Ik moet toegeven dat Ministerie van Agt in de Tweede Kamer heeft betoogd, dat de leidinggever wèl actief moest zijn geweest bij het verboden gedrag. Vgl. H 1976, p. 4210.
M.I. verzet de ratio zich hier te evident dan dat men deze mening beslissend kan achten. In de hier verdedigde zin ook Van Veen, noot onder het belastingarrest HR 3 november 1982, NJ 1983, no. 510. Ook Uw Raad heeft voor zover ik zie, sympathie voor dit standpunt: HR 2 maart 1982, NJ 1982, no. 446 en 22 maart 1983, NJ 1983, no. 502.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden