Strafrecht overig

Sportkantine. Medeplegen van diefstal. Geen uitvoeringshandeling verricht. Geen blijk van nauwe en volledige…

Zaakgegevens

Op 29 juni 1993 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29 juni 1993
Datum publicatie
14 december 2020
Zaaknummer
95.106
ECLI
ECLI:NL:PHR:1993:25
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Sportkantine. Medeplegen van diefstal. Geen uitvoeringshandeling verricht. Geen blijk van nauwe en volledige samenwerking.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 29 juni 1993deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:1993:25

  2. Hoge Raad · 19 oktober 1993

    ECLI:NL:HR:1993:ZC9461

Conclusie

Nr. 95.106

Zitting 29 juni 1993

Mr. Meijers

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

De klacht van het middel is dat het hof ten onrechte ten aanzien van verzoeker mededaderschap heeft aangenomen, althans dat het desbetreffende oordeel van het hof, gelet op het uit de bewijsmiddelen blijkende aandeel van verzoeker in de diefstal, onbegrijpelijk is. In het middel wordt aangevoerd dat het hof is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting omtrent het begrip ‘’diefstal door twee of meer verenigde personen’’ of van de woorden ‘’tezamen en in vereniging met anderen toeëigenen’’ (enz.).

Het hof heeft in zijn in cassatie bestreden arrest in antwoord op een bewijsverweer overwogen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen genoegzaam blijkt dat de samenwerking van verzoekers mededaders en hemzelf zo nauw is geweest dat van mededaderschap moet worden gesproken. Dit, niet van een verkeerde rechtsopvatting blijk gevende, oordeel is niet onbegrijpelijk: verzoeker ging, terwijl hij van het plan om in te breken wist, met zijn vrienden mee naar het gebouw van de petanqueclub; terwijl de anderen naar binnen gingen bleef verzoeker buiten; de opbrengst van de inbraak (bier en snoepgoed) heeft hij samen met hen opgemaakt. Het hof heeft hier ‘’een zekere taakverdeling’’, kenmerkend voor medeplegen (Van Veen in Daderschap en deelneming, 1985, p. 82), kunnen aannemen. Het middel is ongegrond.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,