Strafrecht overig

Opzettelijk gebruik maken van vervalste betaalkaarten en passen in Italië en Zwitserland, art. 225.2 Sr…

Parket bij de Hoge Raad, 26 april 1994

Zaakgegevens

Op 26 april 1994 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26 april 1994
Datum publicatie
13 oktober 2022
Zaaknummer
97.218
ECLI
ECLI:NL:PHR:1994:29
E-mail

Samenvatting

Opzettelijk gebruik maken van vervalste betaalkaarten en passen in Italië en Zwitserland, art. 225.2 Sr. Toepasselijkheid Nederlandse strafwet, art. 5.1.2 en 5.2.2 Sr. Heeft hof voldoende onderzocht of op feiten in landen waarin deze zijn begaan straf is gesteld? Uit ’s hofs overwegingen blijkt dat hof heeft onderzocht of op feiten in Italië en Zwitserland straf is gesteld. Opvatting dat slechts dan aan art. 5.2.2 Sr is voldaan indien in Nederlandse taal gestelde teksten van buitenlandse strafwetgeving alsmede gewaarmerkte kopieën van die wetgeving ter kennis van hof zijn gebracht, vindt geen steun in het recht. Klacht dat onder stukken die ter kennis van hof zijn gebracht, teksten van buitenlandse wetgeving m.b.t. medeplichtigheid ontbreken, miskent dat art. 5.1.2 Sr weliswaar vereist dat op de aan verdachte verweten gedraging door wet van land waar die werd begaan straf is gesteld, doch niet als eis stelt dat die gedraging door die wet op dezelfde wijze als naar Nederlands recht strafbaar is gesteld.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 26 april 1994deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:1994:29

  2. Hoge Raad · 7 juni 1994

    ECLI:NL:HR:1994:3

Conclusie

L.D.

Nr. 97.218

Zitting 26 april 1994

Mr. Meijers

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

Van de feiten, waarvoor verzoeker is veroordeeld, zijn er verschillende die zich hebben voorgedaan buiten Nederland. Mr. Staehle stelt zich in het voorgestelde middel op het standpunt dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven, doordat het hof onvoldoende heeft onderzocht of die feiten naar het recht van de desbetreffende staat strafbaar zijn.

Het hof heeft onder het opschrift Toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet vastgesteld dat de bedoelde feiten,

‘’voor zover in Italië respectievelijk Zwitserland begaan in deze landen strafbaar zijn gesteld en volgens de Nederlandse wet een misdrijf opleveren’’.

Met deze overweging heeft het hof, dat gelet op geboorte- en woonplaats van verzoeker ervan uit mocht gaan dat verzoeker Nederlander was, doen blijken te hebben onderzocht of het feit volgens de wet van het land waar het werd begaan strafbaar is. Vgl. HR NJ 1986, 418. Dusdoende heeft het hof het bepaalde in art. 5 lid 1 onder 2° Sr in acht genomen. Dit artikellid eist niet – zo de Hoge Raad in bestendige rechtspraak (HR 2 februari 1903, W. 7880 en HR NJ 1989, 496) leert – dat de buitenlandse strafwet de gedraging op dezelfde wijze strafbaar stelt als de Nederlandse wet. Om welke deelnemingsvorm het gaat en of die deelnemingsvorm ook volgens het vreemde recht strafbaar is doet er in dit verband niet toe. Vgl. NLR, aant. 8 bij art. 5; Keijzer in Beginselen (G.E. Mulderbundel), p. 159; Tekst en Commentaar (Red. Cleiren/Nijboer), aant. 11 bij art. 5. In cassatie wordt niet onderzocht of de rechter het vreemde recht juist heeft uitgelegd (HR NJ 1953, 1; T&C, aant. 12b bij art. 5.

Het middel is ongegrond.

Een grond voor ambtshalve cassatie ontbreekt, zodat de conclusie luidt dat het beroep moet worden verworpen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,