Strafrecht overig
Opruiing, art. 131 Sr. 1. Heeft verdachte (ten aanzien van wie voorlopige hechtenis is bevolen) in h.b…
ECLI:NL:PHR:1997:14 · Parket bij de Hoge Raad · 20 mei 1997
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-1997-14
Zaakgegevens
Op 20 mei 1997 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 mei 1997
- Datum publicatie
- 28 oktober 2019
- Zaaknummer
- 105.147
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1997:14
Samenvatting
Opruiing, art. 131 Sr. 1. Heeft verdachte (ten aanzien van wie voorlopige hechtenis is bevolen) in h.b. raadsman gehad? Art. 41.1.b Sv. 2. Is voor geldigheid dagvaarding van op art. 131 Sr toegesneden tll. vereist dat strafbaar feit waartoe is opgeruid wordt aangewezen?
Ad 1. HR ambtshalve: Ex art. 41.1.b Sv wordt aan verdachte die geen raadsman heeft, door bureau rechtsbijstandvoorziening raadsman toegevoegd wanneer h.b. is ingesteld tegen eindvonnis in e.a. en het een zaak betreft waarin zijn voorlopige hechtenis is bevolen, op ambtshalve last van voorzitter van hof. Bij stukken van geding bevinden zich bevel tot bewaring van verdachte en door President van Hof gegeven last tot toevoeging van mr. A als raadsman aan verdachte. Stukken bevatten echter niets waaruit kan volgen dat mr. A ook daadwerkelijk als raadsman aan verdachte is toegevoegd. Uit stukken van geding blijkt niet dat in h.b. advocaat zich als raadsman heeft gesteld, terwijl daaruit evenmin blijkt dat toevoeging zoals hiervoor bedoeld van (andere) raadsman heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat verdachte in die aanleg geen raadsman heeft gehad. In belang van verdachte gegeven voorschrift vervat in art. 41.1.b Sv is van zo grote betekenis dat, al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, niet nakoming daarvan geacht moet worden aan geldige behandeling van tz. in de weg te staan. Bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.
Ad 2. V.zv. middel ervan uitgaat dat in tll. feitelijke omschrijving van "enig strafbaar feit" ontbreekt, berust het op onjuiste lezing van die tll. en mist het derhalve feitelijke grondslag. Opvatting dat voor geldigheid van dagvaarding die op art. 131 Sr toegesneden tll. behelst, is vereist dat in die tll. strafbaar feit onderscheidenlijk strafbare feiten waartoe is opgeruid met name moet(en) worden aangewezen, is onjuist.
Volgt vernietiging en verwijzing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 mei 1997deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1997:14
Hoge Raad · 9 september 1997
ECLI:NL:HR:1997:ZC9557
Conclusie
Nr. 105.147
Zitting 20 mei 1997
mr Fokkens
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 16 april 1996 terzake van opruiing, het voorhanden hebben van twee wapens en munitie en het voorhanden hebben van twee gasbusjes veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk.
2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte de inleidende dagvaarding voorzover betrekking hebbend op de onder 1 telastegelegde opruiing niet nietig heeft verklaard, nu daarin de woorden "tot enig strafbaar feit" niet feitelijk, nader zijn omschreven.
4. Bij de telastelegging van opruiing kan, zoals het middel terecht meent, niet worden volstaan met de omschrijving dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing tot het plegen van enig strafbaar feit. De feitelijke handelingen waartoe is opgeruid, zullen moeten worden omschreven. Dat is in de onderhavige zaak ook geschied. Na de woorden "heeft hij verdachte" volgt een nadere feitelijke omschrijving van de handelingen waartoe verzoeker heeft aangespoord. Niet is echter vereist, zoals de steller van het middel kennelijk meent, dat in de telastelegging ook wordt vermeld welk/welke strafbaar feit/strafbare feiten de handelingen waartoe wordt opgeruid, oplevert/opleveren. Van enige onduidelijkheid of de
handelingen waartoe verzoeker heeft aangespoord een strafbaar feit zouden opleveren is ook geen sprake: in ieder geval zouden die handelingen onder art. 184 Sr vallen. Dat zij mogelijk ook nog een ander strafbaar feit - bijv. openlijke geweldpleging - zouden kunnen opleveren is daarbij niet van belang. Het gaat erom dat duidelijk is dat is aangespoord tot handelingen die een strafbaar feit opleveren. Het middel faalt.
5. Ambtshalve wil ik het volgende opmerken. In het dossier bevindt zich een door de president van het gerechtshof afgegeven last tot toevoeging van een raadsman. Niet blijkt dat aan de in de last genoemde raadsman een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is toegezonden. Nu verdachte noch zijn raadsman in hoger beroep zijn verschenen en niet blijkt dat het hof heeft onderzocht of art. 51 Sv was nageleefd, dan wel of verzoeker er geen prijs op stelde ter terechtzitting te verschijnen of te worden bijgestaan door een raadsman, moet het genoemde verzuim leiden tot nietigheid van het onderzoek. Zie HR DD 92.215.
Deze conclusie strekt er toe het bestreden arrest te vernietigen en de zaak ter verdere afdoening op het bestaande hoger beroep te verwijzen naar het gerechtshof te Arnhem.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,