Strafrecht overig

Art. 430a Sr bevat landelijke regeling voor naaktrecreatie; strafbaarheid ex APV is daardoor vervallen. De…

Zaakgegevens

Op 24 november 1998 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24 november 1998
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
108.307
ECLI
ECLI:NL:PHR:1998:ZD1291
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Art. 430a Sr bevat landelijke regeling voor naaktrecreatie; strafbaarheid ex APV is daardoor vervallen.

De wetgever heeft via art. 430a Sr naaktrecreatie landelijk geregeld. Daardoor is het eerder inwerkinggetreden art. 28 lid 1 sub b APV Bergen (NH) ingevolge art. 194 Gemw (oud) van rechtswege vervallen. Nu het bewezenverklaarde feit ex art. 28 APV Bergen niet valt onder art. 430a Sr of enige andere wetsbepaling heeft de rechtbank het feit ten onrechte strafbaar geoordeeld.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 24 november 1998

    ECLI:NL:HR:1998:ZD1291
  2. Conclusie A-G · 24 november 1998deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:1998:ZD1291

Conclusie

Nr. 108.307

Zitting 6 oktober 1998

Mr Fokkens

Conclusie inzake:

[verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

1. De arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft een vonnis van de kantonrechter te Alkmaar bevestigd waarbij aan verzoeker een geldboete van f 75, subsidiair één dag hechtenis, is opgelegd wegens "overtreding van artikel 28 lid 1 onder b van de Algemene Politieverordening van de gemeente Bergen (NH) ".

2. Middelen van cassatie zijn door of namens verzoeker niet voorgesteld. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende.

3. Verzoeker is veroordeeld ter zake van art. 28 lid 1 onder b van de Algemene Politieverordening van de gemeente Bergen (NH), in werking getreden op 1 januari 1969, welk artikel luidt:

"Het is verboden voor het gehele binnen de grenzen dezer gemeente gelegen strand in zee te baden of zich op dit strand of de aangrenzende duinhelling te bevinden zonder behoorlijk gekleed te zijn, wat betreft personen van het mannelijk geslacht tenminste in zwembroek, en van het vrouwelijk geslacht tenminste in één- of tweedelig badpak."

4. Op 21 mei 1985 is echter de Wet van 3 juli 1985, Stb. 385, in werking getreden, waarbij in het Wetboek van Strafrecht art. 430a Sr is ingevoegd. Dit artikel luidt:

"Hij die zich buiten een door de gemeenteraad als geschikt voor ongeklede openbare recreatie aangewezen plaats, ongekleed bevindt op of aan een voor het openbaar verkeer bestemde plaats die voor ongeklede recreatie niet geschikt is, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie".

5. Blijkens de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 1983-1984, 15 836, nr. 9, p. 5) heeft de wetgever met art. 430a Sr beoogd met betrekking tot naaktrecreatie een landelijke regeling te geven. Art. 28 lid 1 onder b van de Verordening betreft derhalve een onderwerp dat de nationale wetgever aan zich heeft getrokken en waarin door art. 430a Sr is voorzien. Ingevolge art. 194 Gemeentewet (oud) is met de inwerkingtreding van art. 430a Sr derhalve art. 28 lid 1 onder b van de Verordening van rechtswege vervallen (vgl. HR DD 96.323).

6. Nu het bewezenverklaarde noch valt onder art. 430a Sr - niet bewezenverklaard is immers dat verzoeker zich ongekleed heeft bevonden op een plaats die voor ongeklede recreatie niet geschikt is - noch onder enige andere strafbepaling, heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter ten onrechte bevestigd voorzover de kantonrechter het ten laste van verzoeker bewezen feit strafbaar heeft geoordeeld.

Deze conclusie strekt ertoe dat het vonnis van de rechtbank vernietigd zal worden voorzover de rechtbank het vonnis van de kantonrechter heeft bevestigd voorzover het bewezenverklaarde strafbaar is verklaard en aan verzoeker deswege straf is opgelegd, en dat verzoeker ter zake van het telastegelegde feit zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,