Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:1998:ZD3901 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 1998
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-1998-zd3901
Zaakgegevens
Op 6 oktober 1998 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 1998
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 108.684
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1998:ZD3901
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 oktober 1998deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1998:ZD3901
Hoge Raad · 24 november 1998
ECLI:NL:HR:1998:ZD3901
Conclusie
Nr. 108.684
Zitting 6 oktober 1998
Mr Fokkens
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verdachte is door de arrondissementsrechtbank te Arnhem veroordeeld wegens onverzekerd rijden tot een geldboete van f 660,-, subsidiair 13 dagen hechtenis, met ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van vier maanden.
2. Middelen van cassatie zijn door of namens verdachte niet voorgesteld.
3. Ambtshalve wil ik de aandacht vestigen op het volgende. De inleidende dagvaarding is op 26 november 1996 uitgereikt ter griffie omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Een GBA-overzicht van 25 november 1996 vermeldt alleen een historisch adres te [plaats] van verdachte. De inleidende dagvaarding is op dat adres ook aangeboden, op 18 november 1996, maar kon niet worden uitgereikt omdat volgens degene die zich op dat adres bevond, verdachte daar niet woonde noch verbleef. Verdachte is ter terechtzitting niet verschenen. De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat de mogelijkheid dat verdachte was gedetineerd ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding is onderzocht. Verder blijkt uit controle naar de geldigheid van de dagaanzegging in cassatie dat verdachte met ingang van 25 november 1996 stond ingeschreven op een adres te [plaats]. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat de inleidende dagvaarding niet op geldige wijze is betekend.
4. Ter terechtzitting in hoger beroep is verdachte, aan wie de appeldagvaarding in persoon is uitgereikt, niet verschenen. Zijn raadsman, die wel is verschenen, heeft aangevoerd :
"Mij bekruipt het gevoel dat de inleidende dagvaarding wellicht nietig is. Op het moment dat verdachte door de kantonrechter werd veroordeeld zat verdachte mogelijk gedetineerd."
5. De rechtbank heeft hierop als volgt beslist:
"Uit de stukken is niet gebleken dat verdachte op het moment van de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg gedetineerd zat. Derhalve is de dagvaarding in eerste aanleg op de bij de wet voorgeschreven wijze betekend. "
6. Gelet op hetgeen onder 3 is weergegeven is het oordeel van de rechtbank dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend onjuist.
7. Ik concludeer dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, behalve voorzover daarbij het vonnis van de kantonrechter is vernietigd, en dat de inleidende dagvaarding nietig zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,