Strafrecht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 29 juni 1999 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29 juni 1999
Datum publicatie
26 januari 2026
Zaaknummer
111.254
ECLI
ECLI:NL:PHR:1999:21
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 29 juni 1999deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:1999:21

  2. Hoge Raad · 28 september 1999

    ECLI:NL:HR:1999:ZD6204

Conclusie

Nr. 111.254

Zitting 29 juni 1999

Mr Machielse

Conclusie inzake:

[verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

1. Wegens gekwalificeerde diefstal is verzoeker bij arrest van het gerechtshof te Arnhem veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende honderd uur in de plaats van twee maanden gevangenisstraf.

2. Namens verzoeker heeft mr A.F. van Dam, advocaat te Arnhem een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring.

4.1. Volgens de toelichting op het middel kan uit de omstandigheid dat bij de aanhouding van verzoeker een vijftig-gulden muntstuk is aangetroffen niet volgen dat dat muntstuk van diefstal uit de woning afkomstig is. Daarbij wordt opgemerkt dat ter zitting is aangevoerd dat verzoeker dat muntstuk al bij zich droeg.

4.2. De steller van het middel gaat er aan voorbij dat de bewijsmiddelen ook een proces-verbaal houdende een getuigeverklaring bevatten waaruit volgt dat verzoeker samen met een ander is gesignaleerd bij het pand nummer […] aan de [a-straat] , dat verdachtes mededader in de achtertuin van het betreffende pand stond en dat korte tijd later de balkondeur, op de bovenverdieping van dat pand, geopend en weer gesloten werd en dat de mededader over het gaas van het hek van tuin sprong en samen met verdachte van het pand wegliep. Als deze verklaring naast het proces-verbaal houdende de aangifte wordt gehouden waarin melding wordt gemaakt van de diefstal van een viertal vijftig-gulden muntstukken en het proces-verbaal houdende een kennisgeving van inbeslagneming van onder meer een muntstuk van vijftig gulden is begrijpelijk dat het hof de door verzoeker geopperde mogelijkheid dat dit muntstuk niet van de diefstal afkomstig is, maar van verzoeker zelf, als kennelijk ongeloofwaardig terzijde heeft geschoven en de link heeft gelegd tussen de diefstal en verzoeker. Dat bij verzoeker slechts één muntstuk is aangetroffen doet hieraan niet af en noopte het hof niet tot een nadere motivering, zeker niet als men in aanmerking neemt dat verzoeker was vergezeld van een andere verdachte, die niet is aangehouden. Voorzover de steller van het middel betoogt dat de verklaring van [getuige] niet verenigbaar is met de verklaring van verzoeker hij er aan voorbij dat de selectie en waardering van bewijsmateriaal tot het domein van de feitenrechter behoort en dat deze zijn oordelen hieromtrent - behoudens uitzonderingen die zich hier niet voordoen - niet nader behoeft te motiveren.

5. Het middel faalt. Het leent zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt er toe dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,