Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
Parket bij de Hoge Raad, 21 september 1999
ECLI:NL:PHR:1999:ZD1526 · Parket bij de Hoge Raad · 21 september 1999
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-1999-zd1526
Zaakgegevens
Op 21 september 1999 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 september 1999
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 111.066
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1999:ZD1526
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 21 september 1999
ECLI:NL:HR:1999:ZD1526Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 september 1999deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1999:ZD1526
Conclusie
Nr. 111.066
Zitting 1 juni 1999
Mr Machielse
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Wegens brandstichting is verzoeker bij arrest van het gerechtshof te Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr R.B. van Heijningen, advocaat te Den Haag een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat verdachte niet strafbaar was nu het feit hem niet kon worden toegerekend.
3.1. Het hof heeft het gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte ontslag van alle rechtsvervolging bepleit op grond dat het onderhavige feit niet aan verdachte kan worden toegerekend aangezien verdachte als gevolg van medicijngebruik in een schemertoestand verkeerde, waarbij geen sprake meer was van een vrije wilskeuze.
Dit verweer treft geen doel.
Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte, toen hij alcohol ging drinken, niet meer heeft beseft dat de combinatie alcohol/Temesta het risico van onberekenbaar en onlogisch gedrag in zich hield. Door aldus te handelen heeft verdachte zich verwijtbaar in een situatie gemanoeuvreerd, waarin het plegen van delict het redelijkerwijs tot de mogelijkheden behoorde. De conclusie van het rapport van de psychiater [deskundige] ( "niet toerekenbaar") wordt daarom niet overgenomen."
3.2. Volgens de steller van het middel gaat het hof hiermee voorbij aan het verweer zoals dat gevoerd is, te weten dat de schemertoestand niet noodzakelijk door het alcoholgebruik behoeft te zijn opgetreden, maar dat dat ook een gevolg zou kunnen zijn van de (voorgeschreven hoeveelheid) tabletten zelf en dat verdachte dus al op het moment dat hij de alcohol nuttigde in een schemertoestand verkeerde.
3.3. Voor de beantwoording van de vraag of het hof toereikend gemotiveerd heeft gereageerd op het verweer moet allereerst worden gekeken wat de verdediging precies heeft aangevoerd. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep gehechte pleitnotitie is in het kader van het verweer dat verdachte moest worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid het volgende aangevoerd: Het is goed mogelijk dat de schemertoestand waarbij geen sprake meer was van een vrije wilsbepaling, is ingetreden als gevolg van de inname van de voorgeschreven medicijnen (drie tabletten) zonder dat de alcohol daarbij een rol speelde, waarbij de verdediging verwijst naar overgelegde documentatie waaruit zou volgen dat bij bepaalde mensen een paradoxale reactie mogelijk is ook als deze mensen zich houden aan de gebruikersvoorschriften. Het hof heeft dit samengevat als hiervoor weergegeven. Naar mijn mening treft het middel doel. Het hof reageert immers niet op het verweer zoals dat is gevoerd, te weten dat de schemertoestand al is opgetreden na inname van de medicijnen. Daarbij moet worden opgemerkt dat de door de raadsman overgelegde bijsluiter bij het medicijn vermeldt dat het kan voorkomen - ook als de door een arts voorgeschreven hoeveelheid medicijnen wordt aangehouden - dat een patiënt zich na inname niets meer weet te herinneren van de periode na de inname. Dat laat op zichzelf onverlet dat je op het moment van het handelen nog weet wat je doet; dit verlies van herinnering zegt namelijk alleen iets over de situatie achteraf. Maar verder maakt de bijsluiter melding van de mogelijkheid van paradoxale reacties, waaronder woede-aanvallen, waandenkbeelden etc. Gelet op deze ter zitting overgelegde informatie, kan mijns inziens niet zonder nader onderzoek gezegd worden dat deze schemertoestand niet bestond voordat verdachte de alcoholhoudende drank ging nuttigen. Het hof heeft het verweer in feite onbesproken gelaten.
3.4. Ik wil toch nog een aantal opmerkingen plaatsen. Mij was niet direkt duidelijk waar de verdediging met haar verweer op doelde, maar ik ga er van uit dat er in de ogen van de verdediging met de schemertoestand die is ontstaan na de inname van medicijnen, sprake zou zijn geweest van een ziekelijke stoornis bij verdachte waardoor het feit niet aan verdachte kan worden toegerekend. Dat er als gevolg van die stoornis geen opzet was, heeft de verdediging niet aangevoerd. Nu zal dat ook niet snel kunnen worden aangenomen; de Hoge Raad heeft immers gesteld dat opzet pas vervalt "als elk inzicht in de draagwijdte van (de) gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan" ontbreekt en dat zal niet snel het geval zijn. Voor de vraag of het feit als gevolg van een ziekelijke stoornis niet kan worden toegerekend is van belang wat precies onder een ziekelijke stoornis moet/kan worden verstaan. Bijvoorbeeld of en in hoeverre intoxicatie door alcoholhoudende drank, medicijnen en drugs daaronder vallen. Ook daarvoor geldt dat dit naar alle waarschijnlijkheid niet snel zal worden aangenomen. In ieder geval heeft de wetgever geen bepaling willen opnemen over toerekening bij dronkenschap, hoewel er medisch gezien bij dronkenschap wel gesproken kan worden over een acute ziekelijke stoornis. Met name in het geval dat er sprake is van een combinatie van een ziekelijke stoornis en dronkenschap en gedwongen dronken worden gevoerd zou artikel 39 Sr wellicht in aanmerking kunnen komen. Bij dronkenschap en drugsgebruik zal toch echter veelal het verwijt (kunnen) worden gemaakt dat men zich vrijwillig en welbewust in een toestand heeft gebracht die het gevaar voor onverantwoord handelen met zich bracht; de zogenaamde culpa/dolus in causa-redenering. 't Hart heeft in een annotatie onder een arrest van de Hoge Raad in 1983 een nuancering aangebracht op de toepassing van de culpa in causa-redenering. Volgens hem zijn er een aantal gevallen die onder omstandigheden buiten toepassing van de redenering moeten vallen, waarin ik mij met name voor wat betreft het laatste geval zoals door hem genoemd in kan vinden. Kort samengevat komen die door 't Hart genoemde gevallen op het volgende neer: de gevallen waarin de wetenschap van zelfintoxicatie wordt ontkend; als er wel sprake is van zelfintoxicatie, maar deze een verslaving is geworden en de gevallen waarin het concrete gevolg redelijkerwijs niet kon of moest worden overzien. Bijvoorbeeld bij onverwachte reacties na alcohol, drug- of medicijngebruik. Vooral dit laatste kan van belang zijn voor de beoordeling van het verweer in deze zaak. Er van uitgaand dat de medicijnen die verzoeker heeft geslikt slechts de voorgeschreven hoeveelheid betreffen en dat zij inderdaad een reactie te weeg hebben gebracht waardoor hij geen controle meer had over de dingen die hij deed en dat op dat moment gesproken kan worden van een ziekelijke stoornis, dan kan men dit - zeker gelet op de in de bijsluiter vermelde mogelijke bijwerkingen en gelet op hetgeen in het door de raadsman overgelegde farmaceutisch kompas wordt gezegd over het in dit medicijn werkzame bestanddeel benzodiazepine - niet zonder meer met een culpa in causa redenering terzijde schuiven. Dat de bijsluiter vermeldt dat bepaalde reacties tot de mogelijkheden behoren en dat mag worden aangenomen dat degene die de medicijnen inneemt van deze bijsluiter kennis neemt, doet daar, mede gelet op de omstandigheid dat dit een medicijn betreft dat in de ingenomen dosering is voorgeschreven door een arts, mijns inziens niet aan af.
4. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve op andere gronden te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof dat de strafzaak in hoger beroep opnieuw zal hebben te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,