Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:1999:ZD4171 · Parket bij de Hoge Raad · 19 oktober 1999
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-1999-zd4171
Zaakgegevens
Op 19 oktober 1999 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 oktober 1999
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 111.275
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1999:ZD4171
Procesgang
Hoge Raad · 19 oktober 1999
ECLI:NL:HR:1999:ZD4171Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 19 oktober 1999deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1999:ZD4171
Conclusie
Nr. 111.275
Zitting 22 juni 1999
Mr van Dorst
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Wegens betrokkenheid bij Opiumwetdelicten heeft het gerechtshof te Arnhem verzoeker tot straffen veroordeeld.
2. Namens verzoeker heeft mr. D. Moszkowicz, advocaat te 's-Hertogenbosch, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het middelen I tot en IV zijn identiek aan die welke zijn voorgesteld in de zaak 111.273, waarmee de onderhavige zaak samenhangt. Voor een bespreking van die middelen verwijs ik naar de heden genomen conclusie in die zaak.
4. Het vijfde middel behelst de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoeker opzettelijk amfetamine heeft vervoerd (feit 3) .
5. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof met betrekking tot feit 3 vastgesteld - dat verzoeker in een schuur aan het adres [a-straat 1] te [plaats] een laboratorium voor de bereiding van amfetamine heeft opgericht;
- dat verzoeker aldaar zelf grote hoeveelheden amfetamine bereidde, alsmede dat hij betrokken was bij de levering van door anderen bestelde amfetamine;
- dat verzoeker op de dag in kwestie - 20 augustus 1990 - met de auto van [betrokkene 1] is gereden naar het adres [a-straat 1] te [plaats] ;
- dat verzoeker naar de achterzijde van de woning op dat adres is gelopen, daarna is teruggelopen naar de auto, de kofferruimte heeft geopend en weer dicht heeft gedaan;
- dat verzoeker daarna de auto weer aan [betrokkene 1] heeft overgedragen;
- dat [betrokkene 1] , die de kofferruimte niet meer heeft geopend, naar het parkeerterrein van het [A] Hotel te [plaats] is gereden en aldaar een veelkleurige sporttas aan [betrokkene 2] heeft overhandigd;
- dat [betrokkene 2] die sporttas aan twee pseudo-kopers heeft gegeven tegen betaling van fl. 60.000;
- dat die tas later amfetamine bleek te bevatten.
6. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat de betreffende amfetamine opzettelijk door verzoeker is vervoerd. De in het middel geopperde mogelijkheid dat een ander dan verzoeker buiten diens medeweten de amfetamine tevoren in de auto van [betrokkene 1] heeft gelegd, kon het hof als hoogst onwaarschijnlijk terzijde stellen, mede in aanmerking dat hieromtrent bij de behandeling van de zaak niets is aangevoerd. Zie o.m. HR NJ 1999, 152.
7. De middelen falen derhalve, met uitzondering van de tweede klacht van het tweede middel. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, met vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad geraden voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,