Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
Parket bij de Hoge Raad, 16 oktober 2001
ECLI:NL:PHR:2001:AD4305 · Parket bij de Hoge Raad · 16 oktober 2001
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2001-ad4305
Zaakgegevens
Op 16 oktober 2001 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2001
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 01544/99
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2001:AD4305
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 16 oktober 2001
ECLI:NL:HR:2001:AD4305Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 oktober 2001deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2001:AD4305
Conclusie
Nr. 01544/99
Mr Fokkens
Zitting: 4 september 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod en een gekwalificeerde diefstal, veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 180 uren, in plaats van vier maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk, twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van f 10.000,-- subsidiair 100 dagen hechtenis. Als bijzondere voorwaarde is gesteld betaling van schadevergoeding aan de benadeelde.
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen. Door of namens hem zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende.
4. Namens verdachte, die niet in voorlopige hechtenis verkeert, is op 24 februari 1999 beroep in cassatie ingesteld.
De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 26 juni 2001 voor de eerste keer behandeld, hetgeen ertoe zal leiden dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
In aanmerking genomen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dat tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM (zie ook HR 23 januari 2001, nummer 00730/99 alsmede HR 8 mei 2001, nummer 00786/99).
Na afweging van de in het geding zijnde belangen dient dat tot strafvermindering te leiden.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, zelf de straf zal verminderen, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden