Strafrecht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig

Parket bij de Hoge Raad, 8 april 2003

Zaakgegevens

Op 8 april 2003 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
8 april 2003
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
01415/02 P
ECLI
ECLI:NL:PHR:2003:AF5094
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Conclusie

Nr. 01415/02 P

Mr Wortel

Zitting: 11 februari 2003

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verzoeker, als maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd aan de Staat € 384.805,= te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 maanden hechtenis.

2. Namens verzoeker had mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, aanvankelijk twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. In het eerste middel werd er over geklaagd dat het Hof in zijn uitspraak niet de wettige bewijsmiddelen heeft opgenomen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.

4. Het tweede middel bevat een klacht betreffende de beslissing op het verweer dat door verzoeker gemaakte kosten van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgetrokken moeten worden.

5. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken was aanvankelijk inderdaad alleen een exemplaar te vinden van de uitspraak waarin geen bewijsmiddelen zijn opgenomen, klaarblijkelijk opgesteld (al is dat niet met zoveel woorden vermeld) op de voet van art. 365a, eerste lid, Sv.

Navraag dezerzijds heeft uitgewezen dat de aanvulling inhoudende de gebezigde bewijsmiddelen per abuis niet is meegezonden. Het Hof heeft alsnog een met die bewijsmiddelen aangevulde uitspraak toegezonden.

6. De aangevulde uitspraak heb ik bij de stukken doen voegen, en een exemplaar ervan heb ik aan mr Snorn doen toekomen.

Daarop heeft Mr Snorn laten weten dat het eerste middel is ingetrokken, en dat het tweede middel aldus verstaan moet worden dat de beslissing op het verweer betreffende de in aftrek te brengen kosten ten onrechte is opgenomen in de aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen.

7. Die klacht is gebaseerd op een uitleg van HR NJ 2002, 124, waarin is overwogen dat, indien door of namens de veroordeelde gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten, het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten in mindering gebracht moeten worden op het te schatten bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de rechter "in zijn uitspraak" tot uitdrukking moet brengen hetzij dat de gestelde kosten niet zijn aan te merken als kosten die in directe relatie tot het delict staan, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de veroordeelde moeten blijven.

8. De steller van het middel leest deze beslissing aldus dat met "uitspraak" is gedoeld op het vonnis of arrest zoals dat bij het uitspreken ervan dient te zijn vastgesteld, derhalve, indien toepassing wordt gegeven aan art. 365a Sv, de "verkorte uitspraak".

9. In dat verband wordt er op gewezen dat eerder reeds is bepaald dat de verwerping van een zogenaamd draagkrachtverweer in het verkort arrest dient te zijn opgenomen, vgl HR NJ 1999, 668.

10. In de conclusie bij HR NJ 2002, 124 wees ik er reeds op dat er enige interpretatie voor nodig is om te bepalen welke in een ontnemingsprocedure gevoerde verweren, met overeenkomstige toepassing van de art. 358 en 359 Sv, nadrukkelijke bespreking behoeven. Dat vloeit voort uit de omstandigheid dat de rechter in een ontnemingsprocedure beslissingen dient te nemen die niet volledig vergelijkbaar zijn met de beslissingen die in een strafzaak op grond van de art. 348 en 350 Sv genomen moeten worden.

11. Het komt mij voor dat het (naar behoren onderbouwde en uitgewerkte) verweer dat bepaalde kosten van het te schatten bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgetrokken moeten worden de meeste verwantschap vertoont met de bewijsverweren die, zo zij hun weerlegging niet in de gebezigde bewijsmiddelen vinden, een afzonderlijke beslissing behoeven.

12. In HR NJ 2001, 352 is overwogen dat, ofschoon het de voorkeur verdient de beslissing op bewijsverweren waarvan weerlegging ingevolge de huidige rechtspraak wordt verlangd in het verkorte vonnis of arrest op te nemen, zulke bewijsverweren veelal zozeer in verband staan met de bewijsvoering in engere zin, dat een redelijke uitleg van het voorschrift dat het verkorte vonnis of arrest wordt aangevuld met de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, eerste lid, Sv alsmede de redengevende feiten als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv meebrengt dat nadere overwegingen omtrent het bewijs, zoals de verwerping van een verweer betreffende de rechtmatigheid van de bewijsgaring, desnoods voor het eerst in de aanvulling van het verkorte vonnis of arrest kunnen worden opgenomen.

13. Naar mijn inzicht is in een ontnemingsprocedure het verweer dat bepaalde kosten van het te schatten voordeel afgetrokken moeten worden evenzeer aan te merken als een verweer dat in nauw verband staat met de bewijsvoering in engere zin. Daarom meen ik dat de beslissing op dat verweer op één lijn is te stellen met een (nadere) opgave van de voor het bewijs redengevende feiten als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, zodat het de rechter toegestaan kan worden die beslissing eerst in de aanvulling op het verkorte vonnis of arrest weer te geven.

14. Uit de aangevulde uitspraak blijkt dat het Hof rekening heeft gehouden met de door de verdediging genoemde kosten. Uit zijn overweging genummerd 7.4 volgt dat het Hof heeft bepaald welk deel van de gestelde 'reiskosten Nederland - Suriname' is aan te merken als kosten die rechtstreeks verband houden met de feiten die het voordeel hebben opgeleverd.

Aldus is naar behoren op het verweer beslist, zodat het middel faalt.

15. Ambtshalve heb ik geen redenen voor vernietiging van de bestreden uitspraak aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,