Strafrecht overig

Ongeoorloofde conclusie in bewijsmiddel. Het middel keert zich tegen de verklaring van A voorzover deze…

Zaakgegevens

Op 28 maart 2006 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28 maart 2006
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
01104/05
ECLI
ECLI:NL:PHR:2006:AU8270
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Ongeoorloofde conclusie in bewijsmiddel. Het middel keert zich tegen de verklaring van A voorzover deze inhoudt: “U vraagt mij welke mening ik nu heb over de aangifte die [het slachtoffer: X] deed in 2000. Ik geloof haar nu wel. [Verdachte] zal best wel aan de tieten van X gevoeld hebben” en tegen de verklaring van B, voorzover deze inhoudt: “Ik had niet het gevoel dat het verhaal van X verzonnen was. Uit dat verhaal en het gedrag van X werd mij duidelijk dat X slachtoffer was van seksueel misbruik.” De in de middel gewraakte onderdelen van de verklaring van A behelzen een mening onderscheidenlijk een conclusie omtrent door de verdachte gepleegd seksueel misbruik en kunnen daarom niet worden aangemerkt als verklaringen omtrent hetgeen die persoon zelf heeft waargenomen of ondervonden. Voorzover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Het hof heeft de verklaring van B kennelijk in die zin verstaan - hetgeen niet onbegrijpelijk is - dat deze getuige daarmee te kennen heeft gegeven dat, zowel door hetgeen X haar had verteld als door X’s gedrag, voor haar duidelijk was geworden dat X omtrent het seksueel misbruik de waarheid had gesproken. Aldus verstaan bevat bedoelde verklaring niets wat niet kan worden aangemerkt als een mededeling van hetgeen B zelf heeft waargenomen of ondervonden, zodat het middel in zoverre faalt.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 28 maart 2006

    ECLI:NL:HR:2006:AU8270
  2. Conclusie A-G · 28 maart 2006deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2006:AU8270

Conclusie

Nr. 01104/05

Mr. Vellinga

Zitting: 13 december 2005

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd" en 2. "met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van eenentwintig maanden waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 4537,80. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel houdt in dat de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaringen van getuige [betrokkene 1] en van getuige [betrokkene 2] een mening, gissing of gevolgtrekking bevatten.

4. Ter toelichting wijst het middel op de volgende passage uit de verklaring van getuige [betrokkene 1]:

"U vraagt mij welke mening ik nu heb over de aangifte die [slachtoffer] deed in 2000. Ik geloof haar nu wel. [Verdachte] zal best wel aan de tieten van [slachtoffer] gevoeld hebben."

En uit de verklaring van de getuige [betrokkene 2] op de volgende passage:

"Ik had niet het gevoel dat het verhaal van [slachtoffer] verzonnen was. Uit dat verhaal en het gedrag van [slachtoffer] werd mij duidelijk dat [slachtoffer] slachtoffer was van seksueel misbruik."

5. De door het middel genoemde onderdelen van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bevatten inderdaad een mening of gevolgtrekking. Gelet op het bepaalde in art. 342 lid 1 Sv kunnen deze verklaringen in zoverre niet voor het bewijs worden gebezigd.

6. Niettemin behoeft het voorgaande niet tot cassatie te leiden. Ook afgezien van genoemde passages kan het bewezenverklaarde immers zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

7. Het middel is derhalve tevergeefs voorgedragen en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG