Strafrecht overig
Beschikking op vordering OvJ ex art. 552f Sv tot onttrekking aan het verkeer van omgekatte auto die ex art…
ECLI:NL:PHR:2006:AY9638 · Parket bij de Hoge Raad · 21 november 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2006-ay9638
Zaakgegevens
Op 21 november 2006 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 november 2006
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 02827/05 B en 03210/05 B
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2006:AY9638
Samenvatting
Beschikking op vordering OvJ ex art. 552f Sv tot onttrekking aan het verkeer van omgekatte auto die ex art. 94 Sv onder belanghebbende (autobedrijf) in beslag is genomen t.z.v. verdenking van overtreding van art. 219 Sr. Kon Rb oordelen dat onder belanghebbende inbeslaggenomen auto een voorwerp is van zodanige aard dat ongecontroleerd bezit ervan in strijd is met wet of algemeen belang?
Oordeel Rb dat inbeslaggenomen auto een voorwerp is van zodanige aard dat ongecontroleerd bezit ervan in strijd is met wet of algemeen belang, met name voorkomen en tegengaan van handel in omgekatte auto's, is zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat bij behandeling in raadkamer namens andere belanghebbende (verzekeringsmaatschappij) is aangevoerd dat naar in branche gebruikelijk is na keuring weer oorspronkelijk VIN-nummer op voertuig kan worden aangebracht.
Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (vraag of zowel autobedrijf als verzekeringsmaatschappij kan worden aangemerkt als belanghebbende a.b.i. art. 552f Sv).
Procesgang
Hoge Raad · 21 november 2006
ECLI:NL:HR:2006:AY9638Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 november 2006deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2006:AY9638
Conclusie
02827/05 B en 03210/05 B
Mr Bleichrodt
Zitting 3 oktober 2006
Conclusie inzake:
[belanghebbende 1] B.V. en [belanghebbende 2] B.V.
1. De Rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 11 februari 2005 de vordering van de Officier van Justitie als bedoeld in art. 552f Sv tot onttrekking aan het verkeer van de onder [belanghebbende 1] B.V. inbeslaggenomen auto toegewezen.
2. Namens [belanghebbende 1] B.V. is cassatie ingesteld. Namens deze belanghebbende heeft mr. H.A. Bravenboer, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
Namens [belanghebbende 2] B.V. heeft mr. I.A. Tan, advocaat te Rotterdam, cassatie ingesteld. Mr. P.T.C. van Kampen heeft een schriftuur ingediend, houdende eveneens één middel van cassatie.
3.1 Voordat ik aan de bespreking van de middelen toekom dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Rechtbank in deze terecht naast [belanghebbende 1] B.V. ook [belanghebbende 2] B.V. als belanghebbende in de zin van art. 552f Sv heeft aangemerkt. Ingevolge art. 552, zesde lid, Sv kan immers - naast de Officier van Justitie - enkel de belanghebbende cassatieberoep instellen tegen de beschikking van de Rechtbank.(1)
3.2 In het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de betrokkenen zijn onder meer de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Op 11 februari 2004 is door opsporingsambtenaren van diverse politie-eenheden een onderzoek ingesteld naar VIN- en motornummers van voertuigen aangetroffen bij het auto- en garagebedrijf [belanghebbende 1] B.V. Omdat onduidelijkheden bestonden met betrekking tot de plaats en wijze van aanbrenging van het VIN-nummer in relatie tot het (geschatte) bouwjaar is aldaar een rode Smart voor nader onderzoek inbeslaggenomen.(2)
Bij dat onderzoek door de afdeling Forensisch Technische Ondersteuning van de politie Rotterdam-Rijnmond werden, na verwijdering van de laklaag in de kofferruimte van de Smart, fragmenten van een ander VIN-nummer zichtbaar. Uiteindelijk kon worden geconstateerd dat bedoelde Smart, voorzien van kenteken [kenteken 1] en VIN-nummer [001] , in werkelijkheid de personenauto is waarin de fabrikant van het voertuig het VIN-nummer [002] heeft aangebracht en waarvoor het kenteken [kenteken 2] is afgegeven. Deze auto bleek op 3 mei 2003 door de oorspronkelijke eigenaar [betrokkene 3] in [plaats 1] als gestolen te zijn gemeld.(3)
3.3 Op 3 januari 2005 heeft de Officier van Justitie een vordering tot onttrekking aan het verkeer ingediend betreffende de omgekatte Smart, welke vordering blijkens de zich bij de stukken bevindende akte van uitreiking op 7 januari 2005 is uitgereikt aan een medewerker van de beslagene, [belanghebbende 1] B.V. Naast [belanghebbende 1] B.V. is ook I. [belanghebbende 2] B.V., de vertegenwoordiger van de in de eigendomsrechten van [betrokkene 3] gesubrogeerde verzekeraar [A] B.V., op 25 januari 2005 opgeroepen voor de openbare raadkamerzitting van 28 januari 2005.
Bij beschikking van 11 februari 2005 heeft de Rechtbank, na onderzoek in raadkamer alwaar zowel een vertegenwoordiger van [belanghebbende 1] B.V. als een vertegenwoordiger van [belanghebbende 2] B.V. zijn gehoord, bedoelde Smart aan het verkeer onttrokken verklaard.
Feitelijk hadden beide betrokkenen er vanzelfsprekend belang bij dat in ieder geval de vordering tot onttrekking aan het verkeer niet werd toegewezen.
3.4 Art. 552f houdt het volgende in:
"1. Bevoegd tot het geven van beschikkingen bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht is het gerecht waarvoor de zaak in eerste aanleg zal worden vervolgd, is vervolgd of had kunnen worden vervolgd.
2. De beschikking wordt niet gegeven dan op een met redenen omklede vordering van de officier van justitie.
3. Is bekend aan wie de voorwerpen toebehoren waarvan de onttrekking aan het verkeer wordt gevorderd, dan wordt hem een afschrift van de vordering betekend.
4. De behandeling van de vordering door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
5. De beschikking wordt onverwijld aan de belanghebbende, zo deze bekend is, betekend.
6. De officier van justitie kan binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking beroep in cassatie instellen en de belanghebbende binnen veertien dagen na de betekening.
7. De belanghebbende die beroep in cassatie heeft ingesteld of ingevolge het vierde lid van dit artikel is gehoord, kan geen beklag doen overeenkomstig art. 552b Sv."
3.5 Belanghebbende in de zin van art. 552f Sv is dus degene aan wie het voorwerp ten aanzien waarvan een vordering is ingediend, toebehoort. De inhoud van de term "toebehoren" in art. 552f Sv is echter niet op voorhand duidelijk. Wel staat vast dat "toebehoren" betrekking heeft op een kleinere groep rechthebbenden dan "toekomen", welke term onder andere in art. 552b Sv wordt gebezigd. De Memorie van Toelichting behorende bij de Wet voordeelsontneming (Stb. 1993, 11) verschaft in het kader van de nieuwe regeling betreffende de verbeurdverklaring meer duidelijkheid over de inhoud van beide termen en de redenen van de wetgever om voor de ene of de andere term te kiezen:
"In artikel 33a [Sr, CB] wordt gesproken van het al of niet ''toebehoren'' van voorwerpen of rechten aan de veroordeelde. Dezelfde term komt voor in artikel 33c, lid 2, Sr en in de artikelen 552ca, zoals voorgesteld, en 552f Sv. Onder ''toebehoren aan'' wordt, in overeenstemming met de in het (Burgerlijk Recht) gebruikte terminologie, geduid op een rechtsbetrekking volgens welke een voorwerp (goed) tot het vermogen van een persoon behoort. Degene aan wie een voorwerp toebehoort heet doorgaans de rechthebbende (..., en het voorgestelde art. 552ca Sv), en kan als zodanig een recht op het voorwerp doen gelden. De stoffelijke zaak behoort de eigenaar toe, het vruchtgebruik de vruchtgebruiker en de vordering de schuldeiser.
Daarnaast wordt in enkele bepalingen de term ''toekomen'' gebezigd. Dit is het geval voor art. 552b, eerste lid, [...] en het voorgestelde artikel 552ab, eerste lid Sv.
De term ''toekomen'' is ruimer dan ''toebehoren'' en omvat bijv. ook het recht van een crediteur tot het verkrijgen van het object van een verbintenis, zoals het recht op levering van een gekocht voorwerp. Zolang het voorwerp niet is geleverd behoort het de koper nog niet toe, ook al komt het hem toe. De vordering tot levering behoort hem wel toe".(4)
Uit de jurisprudentie die betrekking heeft op toebehoren in de zin van art. 33a Sr kan worden afgeleid dat het niet nodig is dat de veroordeelde eigenaar is van het inbeslaggenomen voorwerp. Voldoende is dat hij een zodanige zeggenschap heeft over en belang bij het voorwerp dat zijn betrekking tot dat voorwerp in zoverre met die van een eigenaar overeenkomt. Hoewel toebehoren als bedoeld in dit artikel dus niet zonder meer gelijk kan worden gesteld met eigendom is de civielrechtelijke situatie wel het uitgangspunt.(5)
3.6 Het ligt echter het meest voor de hand voor wat betreft art. 552f Sv aansluiting te zoeken bij een procesrechtelijke bepaling als art. 552b (oud) Sv. Tot 1 januari 1992 was namelijk ook bij het beklag over verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer van een bepaald voorwerp - net als in het kader van de op art. 552f Sv gegronde procedure - diegene belanghebbende aan wie dit voorwerp toebehoorde.(6)
Wat betreft de uitleg van de term "toebehoren" als bedoeld in art. 552b (oud) Sv kan met name worden gewezen op de casus die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 7 september 1992, NJ 1983, 242. In het kader van de strafzaak tegen ene […] zijn onder meer twee tankschepen verbeurd verklaard. Die tankschepen kwamen echter niet in eigendom toe aan deze natuurlijke persoon, doch aan de Zwitserse vennootschap Rheintransit AG. Ten aanzien van die schepen was voorts het recht van hypotheek gevestigd ten gunste van de Schweizerische Bankgesellschaft. Deze bank diende uiteindelijk op de voet van art. 552b (oud) een klaagschrift in tegen de verbeurdverklaring, welk klaagschrift door de Rechtbank Rotterdam met - voorzover hier van belang - de volgende motivering ongegrond werd verklaard:
"Art. 552b Sv bepaalt, dat belanghebbenden, anderen dan de veroordeelde, zich over de verbeurdverklaring van hun toebehorende voorwerpen kunnen beklagen. Blijkens de tekst en de wetsgeschiedenis van deze bepaling worden met belanghebbenden (ten gunste van wie een herroeping van de verbeurdverklaring kan worden uitgesproken) bedoeld de eigenaren van de voorwerpen en niet de hypotheekhouders of andere zakelijke gerechtigden."
De Hoge Raad achtte vervolgens geen grond aanwezig waarop de zaak ambtshalve diende te worden vernietigd.(7) Indien dezelfde benadering zou dienen te worden gevolgd ten aanzien van de in art. 552f Sv neergelegde procedure zal dus de zakelijk gerechtigde die geen eigenaar is, niet als belanghebbende in de zin van dat artikel kunnen worden aangemerkt. Deze zal daarom de uitspraak houdende onttrekking aan het verkeer moeten afwachten teneinde - bij een toewijzing van die vordering - op de voet van het huidige art. 552b Sv beklag te kunnen doen, nu wél duidelijk is dat het ontrokken voorwerp hem "toekomt" in de zin van het huidige art. 552b Sv.
3.7 [belanghebbende 1] B.V. heeft de Smart in het kader van een koopovereenkomst met een klant verworven - de wagen is daarbij blijkens het zich bij de stukken bevindend koopcontract ingeruild - en stelt dan ook de rechtmatige eigenaar te zijn van dit voertuig.(8) De Rechtbank heeft deze vennootschap als belanghebbende aangemerkt.
In onderhavige zaak is echter ook [belanghebbende 2] B.V. kennelijk als vertegenwoordiger van de gesubrogeerde verzekeraar als belanghebbende erkend.(9) Uit het dossier blijkt voorts dat deze vennootschap, net als [belanghebbende 1] B.V., is opgeroepen voor de behandeling van de vordering tot onttrekking, op de in dat kader gehouden raadkamerzitting als belanghebbende is gehoord en de beschikking ook aan haar is betekend overeenkomstig art. 552f, vijfde lid, Sv.
In dit geval, waarin beide partijen, die in raadkamer zijn verschenen, hebben gesteld eigenaar te zijn van het omgekatte voertuig, zullen beide als belanghebbende moeten worden gezien. Het stellen van de eigendom lijkt mij voldoende voor de ontvankelijkheid.(10) [belanghebbende 1] B.V. en de verzekeraar zijn dus terecht als belanghebbenden aangemerkt en daarom ontvankelijk in het door hun ingestelde cassatieberoep.
4.1 Nu beide betrokkenen mijns inziens ontvankelijk zijn in het door hun ingediende cassatieberoep zal ik overgaan tot de bespreking van de ingediende middelen. Allereerst kan worden opgemerkt dat de namens [belanghebbende 1] B.V. en de verzekeraar voorgestelde middelen in de kern op hetzelfde neerkomen. In cassatie wordt namelijk door de betrokkenen aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de onder [belanghebbende 1] B.V. inbeslaggenomen Smart heeft toegewezen, althans dat deze beslissing onbegrijpelijk is gelet op hetgeen in raadkamer is aangevoerd met betrekking tot de mogelijkheid van het opnieuw inslaan van het VIN-nummer. In de toelichting op het namens de verzekeraar voorgestelde middel wordt voorts gesteld dat de motivering van de beschikking ook tekortschiet nu niet is gerespondeerd op het door [betrokkene 2] gevoerde verweer betreffende de economische waarde van de auto.
4.2 Het proces-verbaal van de openbare behandeling in raadkamer houdt onder meer het volgende in:
"Na uitroeping van de zaak is verschenen [betrokkene 1] , gevolmachtigde namens [belanghebbende 1] B.V en [betrokkene 2] , gevolmachtigde namens [belanghebbende 2] , belanghebbende.
[betrokkene 2] verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
Ik treed in dezen op als vertegenwoordiger van de verzekeringsmaatschappij die in rechte de eigendom heeft verworven van de in deze procedure aan de orde zijnde in beslag genomen personenauto, te weten de: Micro Compact Smart, kleur rood, [kenteken 1] . Ik ben hoofd van de afdeling speciale zaken. Ik leg over een brief d.d. 2 november 2004 gericht aan [belanghebbende 2] , afdeling diefstal te [vestigingsplaats] en afkomstig van [A] B.V. te [plaats 2] . In 2003 is vermelde personenauto, alstoen voorzien van het kenteken [kenteken 2] gestolen. Op grond van die diefstal is een schadeclaim ingediend en heeft een financiële schadevergoeding plaatsgevonden.
De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
Het aan de auto uitgevoerde technische onderzoek heeft uitgewezen dat de auto is omgekat. Indien die situatie wordt vastgesteld vordert het openbaar ministerie onttrekking aan het verkeer van de omgekatte auto. Het bezit van een omgekatte auto is in strijd met het algemeen belang.
[betrokkene 2] verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
Gedurende de 20 jaren waarin ik actief ben geweest in mijn branche heb ik nimmer de onderhavige gang van zaken meegemaakt. Het in beslag genomen voertuig is in goede staat. Door de voorgenomen vernietiging gaat er een enorm economisch belang verloren. Normaliter vindt keuring plaats en vervolgens wordt het chassisnummer heringeslagen. Autobedrijf [belanghebbende 1] wordt niet vervolgd ter zake van heling van de auto en kan zich mijns inziens dus niet beroepen op consumentenbescherming.
[betrokkene 1] namens [belanghebbende 1] B.V. verklaart, zakelijk weergeven, als volgt:
Er was een vrijwaringsbewijs behorende bij voormelde personenauto en zodoende is deze auto in de voorraad van [belanghebbende 1] opgenomen. [belanghebbende 1] heeft 7.750 euro betaald voor deze auto. Ik toon u de copie van de factuur van die financiële afwikkeling. Die auto behoort rechtsgeldig tot de voorraad van [belanghebbende 1] ."
4.3 De Rechtbank heeft de toewijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer - voorzover hier van belang - als volgt gemotiveerd:
"Op 11 februari 2004 is door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren een onderzoek ingesteld bij garage- en autobedrijf [belanghebbende 1] , gevestigd aan de [a-straat 1] , [postcode] [vestigingsplaats] . Dit onderzoek zag op de in dit autobedrijf te koop aangeboden auto's. Ingevolge de artikelen 11 en 12 van de Douanewet is de alstoen en aldaar te koop staande auto, een personenauto van het merk Micro Compact Car Smart, type Smart, kleur rood, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] , nader onderzocht op het identificatienummer (VIN) en het motornummer.
Blijkens het rapport, nummer 2004 053194, d.d. 23 februari 2004 opgemaakt door R. Erkens, verkeersongevalsanalist, deskundige A-etsen, werd op 17 februari 2004 door de afdeling Forensisch Technische Ondersteuning, bureau Technische- en Ongevallendienst van de regiopolitie Rotterdam Rijnmond, een onderzoek verricht naar de identiteit van voormelde personenauto. Op de dwarsbalk voor de rechter voorstoel werd een in plamuur vastgeplakt plaatje aangetroffen met het voertuigidentificatienummer [001] . Aan de hand van andere door de fabrikant aangebrachte identificatie mogelijkheden kon worden vastgesteld dat het door de fabrikant aangebrachte voertuigidentificatienummer moet zijn: [002] .
Bij controle van het kentekenregister bleek dat het voertuig met laatst voormeld voertuigidentificatienummer door de regiopolitie op 3 mei 2003 als ontvreemd werd gesignaleerd en dat voor het voertuig het Nederlandse kenteken [kenteken 2] is afgegeven.
Op de voor- en achterzijde van het voertuig waren kentekenplaten aangebracht met het kenteken [kenteken 1] . De rapporteur concludeert dat de onderzochte personenauto met het fabrieksmerk Micro Compact Car Smart, type Smart, voorzien van het nummer [001] in werkelijkheid de personenauto is waarin de fabrikant het nummer [002] heeft aangebracht. Door het veranderen van het voertuigidentificatienummer heeft men het voertuig een andere identiteit gegeven. Het voertuig is ontvreemd en omgekat.
Door de bedrijfsleider van [belanghebbende 1] B.V. is ten tijde van de in beslagneming van de auto verklaard dat de onderhavige auto behoort tot de bedrijfsvoorraad van [belanghebbende 1] B.V. en dat dit voertuig is ingeruild van een klant en voorts dat [belanghebbende 1] B.V. te goeder trouw was ter zake van de inruil van het voertuig.
Tijdens de behandeling ter terechtzitting op 2l januari 2005 heeft [betrokkene 2] voornoemd overgelegd een brief d.d. 2 november 2004 van [A] B.V. te [plaats 2] , gericht aan [belanghebbende 2] te [vestigingsplaats] , betreffende enige informatie over de diefstal van de in deze aan de orde zijnde personenauto en een akte van eigendomsoverdracht, gedateerd 14 mei 2003, waarbij [betrokkene 3] , eigenaar van een Smart, gekentekend [kenteken 2] , de eigendom van deze Smart op grond van de tussen hen gesloten verzekeringsovereenkomst heeft overgedragen aan de verzekeraar.
Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat de litigieuze in beslag genomen personenauto betreft een zogenaamde "omgekatte" auto.
Dergelijke "omgekatte" auto's", kunnen dienen tot de belemmering van de opsporing van fraude en bedrog ten aanzien van auto's. Onder de geschetste omstandigheden moet worden geoordeeld dat de in beslag genomen auto een produkt is van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 219 van het Wetboek van Strafrecht en dat het een voorwerp betreft van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet en/of het algemeen belang, met name het voorkomen en tegengaan van de handel in omgekatte auto's. De vordering tot onttrekking aan het verkeer wordt toegewezen."
4.4 Wat betreft de door de verzekeraar voorgestelde klacht, inhoudende dat de Rechtbank rekening had moeten houden met wat door [betrokkene 2] is opgemerkt over de economische waarde van de auto, geldt het volgende. Hoewel de delictsevenredigheid, anders dan bij verbeurdverklaring, bij de onderhavige maatregel geen rol speelt - het gaat immers om "gevaarlijke" voorwerpen - kan de rechter voor de vraag komen te staan of niet op grond van billijkheidsoverwegingen een financiële tegemoetkoming zou moeten worden toegekend. Art. 36b, tweede lid, Sv verklaart immers onder meer art. 33c, tweede en derde lid, Sr - waarin is voorzien in toekenning van een tegemoetkoming in het geval de eigenaar onevenredig zwaar door de verbeurdverklaring zou worden getroffen - van overeenkomstige toepassing op de maatregel van onttrekking aan het verkeer.(11) Beantwoording van voormelde vraag zal overigens mede afhankelijk zijn van wat betrokkenen op de raadkamerzitting hebben aangevoerd over de door hun als gevolg van de voorgenomen onttrekking te lijden schade.
4.5 Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is opgenomen volgt dat [betrokkene 1] namens [belanghebbende 1] B.V. heeft verklaard dat dit auto- en garagebedrijf op 16 oktober 2003 € 7.750,-- heeft betaald voor de Smart en ten bewijze daarvan een kopie van de factuur van die financiële afwikkeling getoond.(12) In dat kader is door [betrokkene 2] namens de verzekeraar aangevoerd dat het inbeslaggenomen voertuig in goede staat verkeert en dat door de voorgenomen vernietiging een enorm economisch belang verloren zou gaan. Dat economische belang kan, behalve uit het bedrag waarop [belanghebbende 1] B.V. de Smart bij de inruil heeft gewaardeerd, tevens volgen uit de zich bij de stukken bevindende akte van eigendomsoverdracht, waaruit volgt dat de verzekeraar op 14 mei 2003 is overeengekomen om aan [betrokkene 3] € 10.179,-- uit te keren ter vergoeding van de door de diefstal geleden schade.
4.6 Gelet op hetgeen door de betrokkenen is aangevoerd omtrent de waarde van het voertuig waarop de vordering tot onttrekking zag, had de Rechtbank mijns inziens in casu nader moeten motiveren waarom het de onttrekking aan het verkeer van de Smart heeft uitgesproken zonder toepassing van het ingevolge art. 36b, tweede lid, Sr van overeenkomstige toepassing zijnde art. 33c, tweede lid, Sr.(13) Weliswaar had in NJ 1999, 329 de raadsman tevens met zoveel woorden een beroep gedaan op de compensatiemogelijkheid, maar in NJ 1993, 586 was daarvan geen sprake. Hoewel het verweer in deze zaak nogal summier en weinig specifiek is, lijkt mij de klacht van de verzekeraar in cassatie niettemin terecht voorgesteld. Ik neem daarbij in aanmerking de waarde en de aard van het beslagene en de omstandigheid dat de Rechtbank klaarblijkelijk ten aanzien van geen van beide partijen van kwade trouw is uitgegaan, terwijl ook in dit verband belang kan worden toegekend aan hetgeen is aangevoerd omtrent de mogelijkheid van herstel van het aan het voorwerp klevende gebrek.
5.1 Hoewel de beschikking mijn inziens al op grond van het hiervoor onder 4.6 vermelde dient te worden vernietigd, bespreek ik thans de door beide partijen voorgestelde klacht dat de door de Rechtbank gegeven beslissing onbegrijpelijk is, gelet op wat in raadkamer is aangevoerd met betrekking tot de mogelijkheid van het weer inslaan van het VIN-nummer.(14)
5.2 [betrokkene 2] heeft bij de behandeling van de vordering tot onttrekking namens de verzekeraar onder meer aangevoerd dat bij voertuigen als de onderhavige - een (te identificeren) auto in goede staat met een veranderd VIN-nummer - normaliter keuring
(bedoeld is kennelijk: door de RDW) plaatsvindt en vervolgens het nummer wordt heringeslagen. Daarop is de Rechtbank niet ingegaan.
5.3 Het oordeel van de Rechtbank dat omgekatte auto's in het algemeen kunnen worden aangemerkt als voorwerpen die voor onttrekking aan het verkeer vatbaar zijn is op zich zelf bezien juist. Feit van algemene bekendheid is immers dat voertuigen die zijn voorzien van een vals VIN-nummer geheel of gedeeltelijk van diefstal afkomstig plegen te zijn (hetgeen in casu ook is vastgesteld), dat het ongecontroleerde bezit van dergelijk voertuigen afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen auto's bedreven handel en dat daarvan tevens een bevorderende werking op diefstal van auto's uitgaat, zodat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.(15)
5.4 Toch had de Rechtbank, gelet op wat door [betrokkene 2] over het herinslaan van VIN-nummers is aangevoerd, mijns inziens nader moeten motiveren waarom de Smart desondanks aan het verkeer diende te worden onttrokken. In feite is door hem immers gesteld dat door een relatief simpele ingreep door de Rijksdienst voor het wegverkeer
(RDW) - na keuring en controle door die dienst - op het voertuig weer het oorspronkelijke VIN-nummer kan worden aangebracht.(16) Indien de mogelijkheid reëel is dat de RDW na identificatie en keuring van de bewuste Smart de auto weer van het originele VIN-nummer voorziet (met afgifte van een nieuw kentekenbewijs) is naar mijn mening niet zonder meer begrijpelijk het oordeel dat het ongecontroleerde bezit van die auto in strijd is met het algemeen belang. In dat geval kan de Smart immers na de interventie van de RDW weer worden gezien als een volledig identificeerbaar, voor wettig gebruik in aanmerking komend voertuig.
Ingeval het bezit van een voorwerp niet wettelijk is verboden kan dat bezit in strijd zijn met het algemeen belang gelet op het beoogde of in ieder geval redelijkerwijze te verwachten gebruik van het voorwerp in de toekomst.(17) Hier is echter, zoals gezegd sprake van een voertuig waarvan de identiteit kon worden vastgesteld en het ligt klaarblijkelijk niet in de bedoeling van de verzekeraar om het voertuig, voorzien van het valse nummer in het verkeer te (doen) gebruiken of te verhandelen. Dat lag anders in de in de in noot 14 genoemde arresten. Niet blijkt dat daar de identiteit van die voertuigen was of kon worden vastgesteld. Dat de teruggave van een bromfiets of auto, voorzien van een vals of vervalst framenummer dan wel van een voertuig waarvan het oorspronkelijke framenummer niet is te achterhalen, maatschappelijk ongewenst is, lijkt mij duidelijk. Maar hier is gesteld dat de thans bestaande onrechtmatigheid gemakkelijk kan worden hersteld.
5.5. In dit kader kan nog worden gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 5 april 1983, NJ 1983, 533, in welke zaak de Rechtbank een aantal inbeslaggenomen voertuigen had aangemerkt als sloopauto's, hetgeen resulteerde in een onttrokkenverklaring aan het verkeer. De Hoge Raad overwoog in die zaak onder meer dat:
"4.2 De in bovenstaande overweging neergelegde, feitelijke -en in cassatie niet op haar juistheid te toetsen- vaststelling dat de in beslag genomen auto's alle sloopauto's zijn - waarmee de Rechtbank tot uitdrukking heeft gebracht dat het te dezen voor de sloop bestemde en niet meer voor deelneming aan het verkeer op de weg geschikte auto's betreft - heeft de Rechtbank kunnen doen steunen op de kennisgevingen van inbeslagneming.
4.3 Op grond van evenbedoelde feitelijke vaststelling is de Rechtbank tot het oordeel kunnen komen dat de in beslag genomen auto's van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Daarbij is de Rechtbank kennelijk ervan uitgegaan dat bedoelde auto's niet door reparatie geschikt konden worden gemaakt om weer aan het verkeer deel te nemen."
5.6 In deze zaak achtte de Hoge Raad voor de vatbaarheid tot onttrekking aan het verkeer derhalve van belang of de als sloopauto's aangemerkte voertuigen al dan niet door middel van reparatie weer geschikt konden worden gemaakt voor het verkeer. Wat dat betreft was door de verdachte kennelijk niets aangevoerd, zodat de Rechtbank die onmogelijkheid niet expliciet in haar beslissing behoefde te verwoorden.
In de onderhavige zaak is echter wél gesteld dat het voertuig na controle door de RDW door middel van een kleine "reparatie" weer geschikt kon worden gemaakt voor een
(verkeers-)gebruik in overeenstemming met de wettelijke voorschriften. Het lijkt mij dat de Rechtbank op deze stelling had moeten antwoorden. Uit het voorgaande volgt dat de toewijzing van de vordering mijns inziens ook op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
6. De vraag rijst wat dient te gebeuren als Uw Raad deze conclusie zou volgen en de bestreden beschikking vernietigt. Indien na verwijzing of terugwijzing de vordering alsnog zou worden toegewezen is de situatie duidelijk(18). Maar wat als de vordering wordt afgewezen? Kan de rechter dan ook bepalen aan wie de auto moet worden teruggegeven?(19) Art. 552f biedt de mogelijkheid te opponeren tegen een vordering tot onttrekking, maar kent niet een bepaling als art. 552a, zevende lid, Sv (er is hier ook geen sprake van een klaagschrift, dat gegrond kan worden verklaard).(20) De bepaling voorziet niet in een "daarmede overeenkomende last" in het geval dat de vordering van de Officier van Justitie wordt afgewezen, en dus niet met zoveel woorden in een bevel tot teruggave aan de belanghebbende.
Als een bevel tot teruggave niet mogelijk zou zijn, zou dat een onbevredigend resultaat opleveren: in de onderhavige procedure zou - na afwijzing van de vordering van de Officier van Justitie - niet de volgende zich aandienende vraag kunnen worden beantwoord, te weten wie van beide belanghebbenden redelijkerwijze als rechthebbende moet worden beschouwd (met bevel tot teruggave aan die belanghebbende). Daardoor laat een definitieve afdoening van het beslag nog langer op zich wachten. Daar komt in dit bijzondere geval nog bij dat ook de weg van een (nieuw) klaagschrift ex art. 552a Sv voor de belanghebbenden is afgesloten omdat de termijn van twee jaar van art. 552a, vierde lid, Sv is verstreken.
Ik meen dat bovenbedoelde opvatting moet worden afgewezen. Hoewel art. 552f Sv er niet uitdrukkelijk in voorziet (maar er simpelweg niets over zegt), brengt een redelijke wetstoepassing mee dat de rechter die de vordering tot onttrekking afwijst, de daarbij naar zijn oordeel passende last tot teruggave moet kunnen geven in het geval dat een belanghebbende als bedoeld in die bepaling bekend is. Dat hier twee belanghebbenden met tegenstrijdige aanspraken in beeld zijn, maakt dat niet anders.
Als de rechter in de strafprocedure zelf heeft vergeten te beslissen op een vordering van het openbaar ministerie tot onttrekking aan het verkeer, kan alsnog op basis van art. 552f Sv een aparte vordering worden ingediend.(21) Zou de rechter in de daarop volgende raadkamerprocedure dan niet mogen doen wat de strafrechter in de strafprocedure wel is toegestaan, te weten de gevorderde onttrekking niet uitspreken en de teruggave van het voorwerp bevelen (art. 353 Sv)?(22)
Belangen van strafvordering (art. 94 Sv) kunnen voorts niet meer in het geding zijn: het belang van de waarheidsvinding niet, gelet op het feit dat de Officier van Justitie streeft naar een vernietiging van het voorwerp. Verder heeft de rechter de vordering van de Officier van Justitie tot onttrekking aan het verkeer afgewezen.(23) Ten slotte zijn er mijns inziens ook geen bijzondere problemen voor wat betreft ongewenste interferenties met andere procedures voorzien in Titel IX van Boek IV Sv; die problematiek wordt voor zover ik zie, als men de mogelijkheid van een bevel tot teruggave aanwezig acht, niet vergroot.(24)
Voor de goede orde merk ik nog op dat, ingeval de rechter in deze zaak alsnog de onttrekking aan het verkeer uitspreekt met toekenning van een geldelijke tegemoetkoming, hij zich hoe dan ook een oordeel zal moeten vormen over de aanspraken van [belanghebbende 1] B.V. en de verzekeraar. Immers, de rechter moet bepalen aan wie het bedrag van de tegemoetkoming wordt uitbetaald (art. 33c, derde lid, Sv).
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing of verwijzing van de zaak, opdat de zaak op de bestaande vordering tot onttrekking aan het verkeer opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 De Rechtbank heeft één beschikking gegeven. Deze staat op naam van [belanghebbende 1] B.V. Ook [belanghebbende 2] is echter als belanghebbende aangemerkt.
2 Dit nummer was namelijk door middel van een plaatje aangebracht op de dwarsbalk voor de rechter voorstoel, gelijk bij een Smart van het bouwjaar 2000, terwijl de auto vermoedelijk geproduceerd was in de tweede helft van 2001. In voertuigen van dat bouwjaar bracht de fabrikant het nummer gewoonlijk in de dwarsbalk achter de rechter voorstoel aan. Zie met name het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2004 van de hand van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , proces-verbaal nr. 2004053194-6.
3 Zie hieromtrent het rapport betreffende onderzoek naar de identiteit van de personenauto van verkeersongevalsanalist R. Erkens d.d. 23 februari 2004, X-pol.nr. 2004 053194.
4 Kamerstukken II, 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 18-19.
5 Zie NLR, aant. 2 op art. 33a Sr en de daar genoemde arresten.
6 Bij wet van 28 december 1989, Stb. 616 jo 1991/606 is dit artikel onder meer in die zin gewijzigd dat thans als belanghebbende wordt aangemerkt degene aan wie het voorwerp toekomt. De kring van klachtgerechtigden is aldus aanzienlijk uitgebreid. Zie hieromtrent nader M.M. Beije, Onttrekking aan het verkeer, p. 238-241 en W.E. Haak, Het nieuwe burgerlijk wetboek en het strafrecht, DD 1992, p. 703-704.
7 De zaak kreeg een civielrechtelijk vervolg waarbij de rechten van de bank erkenning vonden: HR 13 mei 1988, NJ 1989, 201.
8 Dat wordt door de andere partij, [belanghebbende 2] , echter met een beroep op art. 3: 86, lid 3 BW weersproken.
9 De - pretense - belanghebbende is dus in werkelijkheid [A] B.V. In de schriftuur wordt dat miskend, maar dat beschouw ik als een kennelijke vergissing die in de hand zal zijn gewerkt door de wijze van oproeping en de betekening van de beschikking. In het vervolg spreek ik van de (gesubrogeerde) verzekeraar.
10 Vgl voor art. 552a Sv: HR 6 januari 2004, NJ 2004, 179. Bij de procedure ex art. 552a en die ex art. 552b Sv is er echter, anders dan hier, sprake van een inleidend klaagschrift.
11 Zie nader Beije, Onttrekking aan het verkeer, p. 219. HR NJ 1993, 586.
12 Dit stuk bevindt zich ook in het dossier dat aan de Hoge Raad is toegezonden.
13 Vgl. HR NJ 1993, 586 en HR NJ 1999, 329.
14 Hierbij verdient overigens opmerking dat [belanghebbende 1] B.V. zich in haar middel beroept op uitlatingen die in raadkamer zijn gedaan door [betrokkene 2] , de vertegenwoordiger van [belanghebbende 2] B.V. Nu het gaat om verweren die niet door of namens [belanghebbende 1] B.V. zijn gevoerd kan deze betrokkene in cassatie over schending van een responsieplicht dienaangaande niet met succes klagen.
15 Vgl. HR 21 november 2000, LJN ZD1998 en HR NJ 2003, 595.
16 Op de internetsite van de RDW (www.rdw.nl) vond ik overigens onder meer de volgende informatie:
"Inslaan van voertuigidentificatienummer (VIN)
Als een identificatienummer op het voertuig (onderdeel) ontbreekt, is veranderd of door bijvoorbeeld roest onleesbaar is geworden, moet de RDW een nieuw (of oud) voertuigidentificatienummer (of VIN-nummer) in het voertuig (her)inslaan. (...)
Voordat het VIN wordt ingeslagen vindt altijd een identiteitsonderzoek plaats. De RDW kan de inslag weigeren als de identiteit van het voertuig niet kan worden vastgesteld. In dit geval wordt er geen kentekenbewijs afgegeven." De kosten van inschakeling van de RDW zijn overigens verwaarloosbaar (en voor rekening van belanghebbende): een identiteitsonderzoek kost € 42,--, het herinslaan van het VIN € 26,--.
17 Zie behalve de in noot 14 genoemde arresten HR NJ 2001, 15 ( motorstep).
18 Tegen die beschikking staat voor belanghebbenden cassatie open. De weg van art. 552b Sv is, gelet op art. 552f, zevende lid, Sv echter afgesloten.
19 Ik laat daar dat het Openbaar Ministerie tegen een afwijzing van de vordering cassatie kan instellen.
20 Vgl. HR 4 januari 2005, LJN AR 5740, rubr. 3.6, zij het daar ook niet uitdrukkelijk wordt gezegd dat een verdergaande beslissing (teruggave) niet mogelijk is. Rechtspraak van de Hoge Raad waarin is beslist dat onder meer in een geval als hier aan de orde is, zodanige verdergaande beslissing wel mogelijk is, heb ik niet aangetroffen.
21 Vgl. HR NJ 1988, 263.
22 Zie art. 353, tweede lid sub b, Sv. De beslissing laat ieders rechten op het voorwerp onverlet; de civielrechtelijke verhouding wordt niet definitief vastgesteld.
23 Verbeurdverklaring is reeds daarom niet meer in beeld omdat geen strafvervolging zal worden ingesteld (vgl. HR NJ 1986, 551).
24 Het begrip "belanghebbende" is, zoals uit het voorgaande voortvloeit, nauw begrensd.