Strafrecht overig
Vrijwillige terugtred ex art. 46b Sr. ’s Hofs oordeel dat het beroep op vrijwillige terugtred dient te worden…
ECLI:NL:PHR:2007:AZ9333 · Parket bij de Hoge Raad · 10 april 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2007-az9333
Zaakgegevens
Op 10 april 2007 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 april 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 00993/06
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2007:AZ9333
Samenvatting
Vrijwillige terugtred ex art. 46b Sr. ’s Hofs oordeel dat het beroep op vrijwillige terugtred dient te worden verworpen omdat de voorgenomen inbraak louter niet is voltooid tengevolge van de omstandigheid dat het verdachte niet is gelukt om het raam zodanig te forceren dat hij het huis kon binnenkomen, is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de aard van de gedragingen die verdachte reeds had verricht (het raam geforceerd met een scherp voorwerp, fors geweld toegepast waardoor het kozijn van de onderzijde was ontzet), welke strekten tot voltooiing van het delict. Daaraan doet niet af ‘s hofs overweging dat “sprake is van een poging tot diefstal waarna een beroep op vrijwillige terugtred niet meer mogelijk is.”
Procesgang
Hoge Raad · 10 april 2007
ECLI:NL:HR:2007:AZ9333Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 april 2007deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2007:AZ9333
Conclusie
Griffienr. 00993/06
Mr. Wortel
Zitting:20 februari 2007
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Leeuwarden, waarbij verzoeker wegens "poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een gevangenisstraf van zes maanden, die verzoeker in een eerdere zaak voorwaardelijk was opgelegd.
2. Namens verzoeker heeft mr G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat een aanhoudingsverzoek ten onrechte is afgewezen.
4. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is voor de behandeling in hoger beroep niet verzoeker, maar wel zijn raadsvrouwe verschenen. De laatste heeft, blijkens dit proces-verbaal en de daaraan gehechte brief die de raadsvrouwe op voorhand aan het Hof had gezonden, betoogd dat verzoeker is benadeeld door de beslissing de zaak in de nevenzittingsplaats Leeuwarden te laten behandelen, aangezien verzoeker zijn aanwezigheidsrecht wil benutten doch de reis naar Leeuwarden niet kan betalen. De raadsvrouwe verbond hieraan het verzoek hetzij de behandeling aan te houden om verzoeker gelegenheid te geven geld voor een treinkaartje te bemachtigen (al dan niet door een beroep te doen op art. 591 Sv), hetzij de zaak alsnog te laten behandelen op een te Amsterdam gehouden zitting van het Amsterdamse Hof.
5. De in het proces-verbaal van deze terechtzitting opgenomen beslissing van het Hof op dit verzoek luidt:
"Het hof Amsterdam bepaalt welke zaken in Leeuwarden worden behandeld. Hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd is geen reden om de zaak in Amsterdam te behandelen"
6. Het kan er voor gehouden worden dat het Hof hiermee tevens tot uitdrukking heeft willen brengen dat het door de raadsvrouwe aangevoerde evenmin voldoende reden is om de behandeling aan te houden tot een nadere terechtzitting in de nevenzittingsplaats.
7. Dat lijkt me niet onbegrijpelijk, mede omdat de bovengenoemde brief van de raadsvrouwe inhield dat verzoeker problemen zou hebben bij het bekostigen van zijn reis naar Leeuwarden, doch de raadsvrouwe niet kon uitsluiten dat verzoeker toch zou verschijnen; de raadsvrouwe het Hof niet duidelijk heeft gemaakt op welke, aanvaardbare, termijn verzoeker wèl zou kunnen verschijnen, en de raadsvrouwe zich in staat achtte om desnoods, met diens uitdrukkelijke machtiging, de verdediging van de afwezige verdachte te voeren.
Het middel faalt derhalve.
8. In het tweede middel wordt er over geklaagd dat het Hof een ontoereikend gemotiveerde, althans onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven op het verweer dat verzoeker niet strafbaar is omdat hij vrijwillig is teruggetreden.
9. De bewezenverklaring betreft een poging in te breken in een woning. Naar aanleiding van het in dit middel bedoelde verweer is in de bestreden uitspraak overwogen:
"Verdachte is op 25 januari 2003 rond drie uur in de morgen de tuin achter het huis van [benadeelde partij 1] ingelopen. Vervolgens heeft hij met een scherp voorwerp het slaapkamerraam van dat huis geforceerd. Ook moet verdachte nog fors geweld toegepast hebben, waardoor het kozijn aan de onderzijde ontzet is.
Gelet hierop is het hof van oordeel, dat verdachte getracht heeft om via het slaapkamerraam het huis binnen te komen met als doel iets van zijn gading te stelen, maar dat dit hem ondanks voornoemde handelingen niet is gelukt.
Met deze omstandigheid is er sprake van een poging tot diefstal waarna een beroep op vrijwillige terugtred niet meer mogelijk is."
10. Deze overweging getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Verder is zij, uit de aard der zaak, in hoge mate feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk.
Ook het tweede middel faalt.
11. De middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,